Ministerie van Financien

Titel: Agenda van de najaarsvergadering van het Interim Committee en het Development Committee

DIRECTIE BUITENLANDSE FINANCIËLE BETREKKINGEN

Aan:

De Voorzitter van de Vaste Kamercommissie voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CE DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BFB/99-868m

6 september 1999

Onderwerp

Agenda van de najaarsvergadering van het Interim Committee en het Development Committee.

Hierbij zend ik u, mede namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, de geannoteerde agenda voor de najaarsvergadering van het Interim Committee en het Development Committee, welke gehouden zullen worden op 26 en 27 september 1999.

DE MINISTER VAN FINANCIEN, Geannoteerde Agenda voor de vergaderingen van het Interim Committee en het Development Committee van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank op
26 en 27 september 1999.

Interim Committee, dd. 26 september 1999


1. World Economic Outlook

Kerncijfers WEO september 1999 (tussen haakjes de ramingen uit de vorige WEO, mei 1999)

BBP 1998

BBP 1999

BBP 2000

inflatie 1998

inflatie 1999

inflatie 2000

Wereld


2.5


2.8

(2.3)


3.4

(3.3)


--


--


--


--

VS


3.9


3.7

(3.0)


2.6

(2.2)


1.6


2.2

(2.1)


2.5

(2.4)

Japan


-2.8

0.2

(-1.1)


1.0

(0.3)

0.6


-0.2

(-0.7)

0.1

(-0.1)

EU


2.7


1.9

(1.9)


2.7

(2.7)


1.5


1.3

(1.4)


1.6

(1.6)

Euro-11


2.8


2.1

(2.1)


2.8

(2.9)


1.2


1.1

(1.1)


1.4

(1.4)

Nederland


3.8


2.6

(2.3)


2.5

(2.5)


2.0


2.3

(1.6)


2.1

(2.2)

Korea


-5.8


6.5

(2.0)


5.5

(4.6)


7.5

0.7

(1.8)


2.8

(2.0)

Brazilië

0.1


-1.0

(-3.7)


4.0

(3.7)


3.8


--


--


--


--

Argentinië


3.9


-3.0

(0.0)


1.5

(3.0)

0.9


-0.8

(0.7)

0.6

(1.2)

China


7.8


6.6

(6.6)


6.0

(7.0)


-0.8


-1.5

(2.0)


1.5

(2.0)

Rusland


-4.6


-2.0

(-7.0)


--


--

28

92

(101)

25

(19)

Ten opzichte van de World Economic Outlook uit mei 1999 zijn de vooruitzichten voor de economische groei in de wereld aanzienlijk verbeterd. De groeiraming voor 1999 is opwaarts aangepast van 2¼ % in de WEO van mei tot 2¾ % nu, en voor 2000 van 3,3% in de WEO van mei tot 3,4% nu. De groeiramingen voor alle Aziatische crisislanden zijn opwaarts bijgesteld in vergelijking met de vorige WEO en de recessies in Rusland en Brazilië zijn minder diep dan aanvankelijk verwacht werd. De groei in Japan en Europa lijkt aan te trekken en de expansie in de VS houdt aan, nagenoeg zonder prijs- of loondruk.

De belangrijkste risicos die het IMF nu ziet houden verband met de onevenwichtigheden op de betalingsbalans van de VS, Japan en Europa en de wijze waarop deze teruggedrongen worden. De wijze waarop het evenwicht hiervan hersteld wordt zal in belangrijke mate bepalen of de huidige positieve economische ontwikkelingen zich voort zullen zetten. Daarnaast is het van belang dat landen die getroffen zijn door financiële crises voortgang blijven maken met structurele hervormingen.

In de VS kunnen volgens het IMF de bestaande macro-economische onevenwichtigheden, met name de hooggewaardeerde aandelenmarkt, de negatieve particuliere spaarquote, de afhankelijkheid van buitenlandse besparingen en de hoge waardering van de dollar de aanleiding vormen voor een harde landing. Om de risicos te beperken en oververhitting te voorkomen zijn tijdige renteverhogingen waarschijnlijk noodzakelijk, en moet het sobere begrotingsbeleid van de afgelopen jaren worden volgehouden.

Verschillende signalen duiden op een (beperkte) opleving in de Japanse economie. Het macro-economisch beleid in Japan moet nu een balans zoeken tussen tegenstrijdige lange- en korte termijn doelstellingen. Hoewel het overheidstekort thans met 10 procent BBP hoog is, is terugdringing van dit tekort op korte termijn niet opportuun gegeven de voorlopige noodzaak van aanhoudende vraagstimulering. Op middellange termijn is budgettaire consolidatie echter essentieel in verband met kosten van de vergrijzing. Voor de Bank of Japan ziet het IMF nog enige ruimte om de economie liquiditeit te verschaffen. Wat betreft structureel beleid is er een goed kader geschapen om hervormingen door te voeren. Nu ligt de nadruk op de verdere uitwerking.

De groeivoorspellingen voor de EU zijn onveranderd ten opzichte van de vorige WEO met 2% in 1999 en 2¾ % in 2000, waarbij opgemerkt wordt dat de neerwaartse risicos verminderd zijn. Het IMF acht het monetaire beleid in grote lijnen gepast voor de huidige situatie en acht het niet waarschijnlijk dat veranderingen van de officiële tarieven in de loop van dit jaar noodzakelijk zullen zijn. Als duidelijk mocht worden dat de economische opleving beneden verwachting blijft, ziet het IMF ruimte voor een verdere verlaging van de tarieven. De meeste budgettaire programmas zijn onvoldoende ambitieus en inspanningen moeten worden vergroot om de belastingdruk te verlagen en begrotingsevenwicht of -surplus te bereiken in 2002. Om de structurele tekorten terug te dringen en de belastingdruk te verlagen, zijn beperkingen aan de groei van de uitgaven noodzakelijk, m.n. uitgaven aan subsidies, pensioenen en sociale zekerheid.


2. Versterking van het Internationale Monetaire en Financiële Stelsel

2a. Particuliere sector betrokkenheid bij de voorkoming en beheersing van financiële crises

Gedurende het afgelopen jaar is in een aantal gevallen de particuliere sector bij de oplossing van financiële crises betrokken. Bij de crises in Zuid-Korea en Indonesië werden pas afspraken gemaakt over de verlenging van de looptijd van particuliere bankschuld, nadat er met het IMF een aanpassingsprogramma inclusief kredietovereenkomst was vastgelegd. Bij de onderhandelingen over een IMF-programma met Pakistan, Oekraïne en Roemenië zijn er daarentegen onder druk van het Fonds al vooraf afspraken gemaakt over verlenging van de particuliere sector schuld. Nieuw was bovendien dat ook houders van obligatieschuld werden betrokken bij het zoeken naar een oplossing; bij eerdere crises bleven obligatiehouders buiten schot door de praktische problemen die het bijeenbrengen van individuele obligatiehouders met zich meebrengt.

Hoewel deze ontwikkeling positief te noemen is, dreigt het gevaar dat de gehanteerde case-by-case benadering, die tamelijk willekeurig is, de standaard wordt bij het IMF. De IMF-staf wordt in deze benadering sterk gesteund door de Verenigde Staten, die eveneens vindt dat elke crisis uniek is en dat de particuliere sector bij de oplossing van elke crisis daarom op een andere manier betrokken zou moeten worden. Deze opstelling kan er echter toe leiden dat crediteuren het risico van kredietverlening slecht kunnen inschatten, aangezien de mate waarin zij bij een eventuele crisis betrokken zullen worden onduidelijk blijft. Dit kan er toe leiden dat crediteuren in sommige gevallen een prohibitief hoge risicopremie eisen. Daarnaast dreigt bij een case-by-case benadering voortdurend het risico dat er een ongelijke behandeling plaatsvindt tussen verschillende landen. Grote, systeemrelevante landen kunnen in crisissituaties wellicht een coulante houding richting particuliere crediteuren aannemen, terwijl het IMF bij kleinere of minder systeemrelevante landen (zoals Oekraïne, Roemenië - beide lid van de Nederlandse kiesgroep - en Pakistan) een forse bijdrage van de particuliere sector bij de oplossing van een crisis kan afdwingen. Kleinere landen krijgen daardoor een achterstand voor wat betreft de toegang tot de internationale kapitaalmarkt.

Vooraf afspraken maken over de wijze waarop de particuliere sector bij de afwikkeling van financiële crises betrokken zal worden is dan ook een betere weg, hoewel moet worden gerealiseerd dat er tot op zekere hoogte altijd sprake zal zijn van maatwerk. Dit kan bijvoorbeeld door in leningcontracten regels vast te leggen over de positie van de debiteur en de crediteur in het geval zich een liquiditeitscrisis voordoet. De G10-deputies onderzoeken daartoe de mogelijkheid van zogenaamde collective action clausules in obligatiecontracten. Dit betreft bijvoorbeeld clausules die het mogelijk maken om met een bepaalde meerderheid van obligatiehouders besluiten te nemen over een herstructurering van de schuld. Nederland heeft daarnaast in dit kader tijdens de voorjaarsvergadering van het Interim Comité de mogelijkheid van schuldverlengingsopties in schuldcontracten onder de aandacht gebracht (plan Buiter). Verder onderzoekt het IMF de mogelijkheid van het oprichten van crediteurencomités die een vooraf opgezette infrastructuur bieden voor schuldonderhandelingen met particuliere crediteuren in crisissituaties.

2b. De keuze van het wisselkoersregime

Op dit terrein is het afgelopen half jaar weinig vooruitgang geboekt. De Nederlandse uitgangspunten blijven ongewijzigd. De doelstelling van een wisselkoersregime is een redelijke mate van wisselkoerstabiliteit op een niveau dat in overeenstemming is met extern evenwicht. De huidige grote mate van internationale kapitaalmobiliteit maakt realisatie hiervan over een langere periode bijzonder moeilijk in opkomende economieën en ontwikkelingslanden in het algemeen, die doorgaans gekenmerkt worden door een kleine omvang, onderontwikkelde financiële markten en het gebrek aan een vertrouwenwekkende beleidstraditie. Recente wisselkoers- en financiële crises geven aan dat de combinatie van een nominale (aanpasbare) koppeling en vrij kapitaalverkeer voor veel landen risicovol is. Zelfs wanneer landen hun interne monetaire beleid in dienst stellen van het handhaven van de vaste wisselkoers kunnen zij onder bepaalde omstandigheden vatbaar zijn voor veranderingen in marktsentiment die de wisselkoerskoppeling uiteindelijk onmogelijk maken. Het idee dat landen een keuze moeten maken tussen flexibele wisselkoersen, nominale koppelingen met controles op (kort) kapitaal of zeer harde koppelingen heeft terrein gewonnen. Voorbeelden van dit laatste zijn een currency board (een monetair regime waarbij de binnenlandse basisgeldhoeveelheid volledig door vreemde valuta-reserves wordt gedekt), of in het uiterste geval, de invoering van een buitenlandse munt (bijvoorbeeld de dollar of de euro) als wettig betaalmiddel.

2c. Ordelijke liberalisatie van kapitaalverkeer

Er is sinds de vorige vergadering van het Interim Comité geen vooruitgang geboekt in de discussie over de rol die het IMF zou moeten spelen bij de verdere liberalisering van het internationale kapitaalverkeer. Een uitbreiding van het IMF-mandaat op dit gebied zou het Fonds de rol die het feitelijk al vervult bij het begeleiden van het liberaliseringsproces een juridische basis moeten geven.

De negatieve ervaringen die bv. Korea heeft opgedaan bij de liberalisering van kort kapitaalverkeer heeft de algemene mening over de liberalisering van het internationale kapitaalverkeer genuanceerd. Er bestaat echter nog altijd consensus over de voordelen die vrij kapitaalverkeer biedt en over de wenselijkheid van liberalisering van het internationale kapitaalverkeer als uiteindelijk doel. Een juiste fasering van liberalisering van kapitaalverkeer is essentieel. Dit impliceert dat in bepaalde gevallen kapitaalcontroles tijdelijk kunnen (blijven) bestaan, totdat aan alle voorwaarden voor liberalisatie is voldaan.

2d. Institutionele hervormingen en de versterking en/of de omvorming van het Interim Comité

Recente internationale financiële crises hebben de discussie over de 'Internationale Financiële Architectuur' in nauwe zin (welke organisatie is verantwoordelijk voor welk onderdeel van het Internationaal Monetair Systeem, hoe wordt er tussen deze organisaties samengewerkt, en hoe worden deze organisaties aangestuurd) volop in beweging gebracht. Het Financial Stability Forum (FSF) is snel van start gegaan; werkgroepen van het FSF rapporteren op 15 september in Parijs over studies naar Highly Leveraged Institutions, korte termijn kapitaalverkeer en offshore financiële centra. Nederland is officieel lid geworden van het FSF, gezien het gewicht dat Nederland heeft in het internationale monetaire en financiële stelsel. Ook de voorbereiding van het Interim Comité door middel van een deputies-vergadering lijkt zich te institutionaliseren; op 17 september zal opnieuw een dergelijke vergadering plaats hebben. De G-33, die dit voorjaar bijeen kwam om problemen in het internationale monetaire stelsel te bespreken, lijkt alweer ter ziele; in plaats daarvan roepen de G-7 nu een 'informeel mechanisme voor dialoog onder systeem-relevante landen binnen het raamwerk van de Bretton Woods-instellingen' in het leven. Dit platform wordt voorlopig als ''G-X'' aangeduid.Naar verwachting zullen 20 landen (waaronder de G-7) in dit platform participeren; Nederland is hierbij niet uitgenodigd. De G7 zal naar verwachting de Ecofin-voorzitter uitnodigen. De G-7 heeft voorts voorgesteld om het Interim Comité om te dopen tot International Financial and Monetary Committee.


3. Aanpassingen in ESAF en het veilig stellen van financiering voor ESAF en voor de HIPC-initiatieven

De kosten van het uitgebreide HIPC initiatief en de financiering van de subsidie van interim ESAF bedragen voor het IMF naar schatting 3,5 miljard dollar. Hiervan is uit bijdragen van het Fonds en van bilaterale donoren reeds 1,5 miljard dollar gefinancierd. Nederland is van mening dat bij het vinden van resterende 2 miljard dollar de volgende principes moeten gelden:

1. Er vinden geen toezeggingen door het Fonds plaats zonder dat deze op adequate wijze gefinancierd zijn;

2. De financieringslasten moeten eerlijk verdeeld zijn;
3. De financiering mag niet ten koste gaan van de kwaliteit en omvang van de reserves van het Fonds;

4. Evenmin mag de financiering ten koste gaan van de debiteuren-landen.

Aanvullende bilaterale bijdragen volgens een billijke verdeelsleutel voldoet aan deze voorwaarden. Mogelijke andere financieringsbronnen zijn:

* Het IMF kan afzien van de vergoeding voor het beheer van de interim ESAF (2001 t/m 2004). Dit levert USD 220 mln in netto contante waarde termen op;

* Goudverkoop. Het oorspronkelijke voorstel betreft de verkoop van 310 ton goud door het IMF op de internationale goudmarkt. De hierop behaalde boekwinst zou belegd worden, en alleen de beleggingsopbrengsten zouden toevloeien aan het ESAF-HIPC Fonds. Dit zou 1,1 miljard dollar opleveren. Deze modaliteit heeft als voordeel, dat de reserves van het efficiënter worden aangewend, omdat goud (dat niks oplevert) wordt vervangen door liquide reserves (die rente opleveren). Echter, de benodigde 85% meerderheid van stemmen voor goudverkoop is politiek onhaalbaar geworden nadat het Amerikaanse Congres zijn steun had geweigerd te geven.

* Herwaardering goudreserves. Donderdag 27 augustus jl. heeft het IMF een nieuw voorstel gedaan om een grotere Fonds bijdrage aan ESAF-HIPC te financieren. Het voorstel dient ter vervanging van de afgesproken verkoop van maximaal 10 miljoen ounces uit de goudreserves van het IMF. Het nieuwe voorstel omvat herwaardering tegen marktwaarde van 10 miljoen ounces van het IMF goud en de belegging van de boekwinst die resulteert t.g.v. de herwaardering, waarbij de beleggingsopbrengsten voor ESAF-HIPC bestemd zijn. Dit nieuwe voorstel levert, evenals het voorstel tot goudverkoop, USD 1,1 miljard in netto contante waarde op en heeft als voordeel dat het politiek haalbaar lijkt en de goudmarkt niet verstoort, omdat geen goud op de markt wordt gebracht. Het plan heeft echter de volgende nadelen t.o.v. goudverkoop:

* een niet werkelijk gerealiseerde winst (de voorraad goud van het IMF blijft ongewijzigd, zij wordt alleen geherwaardeerd) wordt uit de liquide reserves overgeboekt naar een uitgavenrekening en belegd.

* Het voorstel brengt voor het Fonds hogere rentekosten met zich mee, omdat de voorraad liquide reserves afneemt. Deze kosten worden ofwel door debiteuren (door een hogere leenrente) ofwel door crediteuren (door een lagere rentevergoeding) gedragen, of komen ten laste van de reserves.

* Het voorstel schept een precedent voor de financiering van uitgaven uit niet werkelijk gerealiseerde boekwinsten op de goudreserves.

Discussies over het voorstel zijn nog gaande.

Samenvattend ziet het financiële plaatje voor de Fonds-bijdragen aan het HIPC-initiatief en de financiering van de interim ESAF er als volgt uit (alle cijfers in miljarden USD, in netto contante waarde termen):

Kosten IMF

Interim ESAF (2001 t/m 2004)

HIPC

A. Totaal


1.2


2.3


3.5

Eigen bijdragen IMF

Toegezegd uit inkomsten

Afzien vergoeding beheer ESAF-HIPC*

Herwaardering goudreserves/goudverkoop*

B. Totaal**

0.35

0.22


1.10

0.35-1.67

C. Toegezegde bilaterale bijdragen


1.16

Nog te financieren (A-B-C)

0.67-2.0


* Hiertoe moet nog officieel besloten worden


** Het laagste getal is alléén de met zekerheid vaststaande eigen bijdragen van het IMF. Het hoogste getal is inclusief de te verwachten bijdragen.

Zie voor een verdere bespreking van de aanpassingen van het HIPC-Initiatief onderdeel 1a van de DC-agenda.


4. Voortgangsrapportage aangaande:

Surveillance:

De Raad van Bewindvoerders van het IMF heeft in juni 1998 een commissie van externe deskundigen opdracht gegeven het surveillance-beleid van het IMF te evalueren. Het bestuur vond dit met name nodig n.a.v. de crisis in Azië, waar de surveillance door het IMF voorafgaand aan de crisis op onderdelen tekort was geschoten.

De commissie heeft een rapport uitgebracht dat onlangs in het dagelijks bestuur is besproken en binnenkort openbaar zal worden gemaakt. De belangrijkste aanbevelingen uit het rapport zijn dat (1) het IMF zich meer moet gaan focussen op zijn kerntaken (macro-economisch beleid, kapitaalverkeer en financiële sector); (2) dat het IMF in zijn surveillance-werk meer aandacht moet besteden aan risico-analyse van kwetsbaarheden; (3) dat de schaarse surveillance-middelen meer moeten worden gericht op surveillance van regios en minder op bilaterale surveillance. Daarnaast deed de commissie praktische aanbevelingen om de bespreking van surveillance-rapporten in de Raad van Bewindvoerders meer gefocussed en effectiever te maken.

De Raad van Bewindvoerders, inclusief de Nederlandse Bewindvoerder, heeft zich geschaard achter de meeste aanbevelingen van de commissie. Nederland ondersteunde met name de aanbeveling om meer te focussen op kerntaken. Wel had het bestuur bezwaar tegen de aanbeveling om de bilaterale surveillance van de eurozone-landen af te schaffen ten gunste van surveillance van de eurozone als geheel. Ook de aanbeveling om de surveillance-rapporten te publiceren is voorlopig niet overgenomen, in afwachting van een pilot-project met publicatie dat thans wordt uitgevoerd.

Standaarden en Transparantie-initiatieven:

Aangezien transparantie een belangrijke rol blijft spelen in de discussie over de versterking van het internationaal monetair systeem is sinds het vorige Interim Comité hard verder gewerkt aan dit onderwerp en is er op verschillende terreinen vooruitgang geboekt met betrekking tot de transparantie van IMF-beleid en het ontwikkelen van internationale standaarden.

* Nadat al eerder de Code of Good Practices on Fiscal Transparency was aangenomen, ligt ter goedkeuring door het Interim Comité van september de Code of Good Practices on Transparency in Monetary and Financial Policies voor.

* Er is een proef gestart waarbij voor een aantal landen die zich daarvoor hebben aangemeld niet alleen de conclusies, maar ook het volledige stafrapport van Artikel IV-consultaties zal worden gepubliceerd. Het stafrapport van Aruba was het eerste dat werd gepubliceerd. In oktober 1999 zal het Nederlandse stafrapport na de bespreking daarvan in de Raad van Bewindvoerders openbaar worden.

* De Special Data Dissemination Standard is verbreed, met name met betrekking tot de externe schuld en internationale reserves.
* Het IMF heeft voor een aantal landen bij wijze van experiment zogenaamde transparantierapporten opgesteld, waarin wordt aangegeven in hoeverre deze landen aan de hierboven genoemde en andere internationaal geaccepteerde codes voor publicatie van informatie voldoen en waar nog ruimte voor verbetering bestaat. Er wordt nog overwogen om deze rapporten, welke met name voor financiële marktpartijen waardevolle informatie bevatten, te publiceren; van commerciële banken is vernomen dat zij het oordeel van het IMF over de betrouwbaarheid van statistische gegevens op prijs stellen. Bij de beoordeling van de proef moeten de resultaten zorgvuldig tegenover de relatief hoge kosten van de gegevensverzameling worden afgewogen.
Verder blijft Nederland pleiten voor publicatie van zogenaamde Press Information Notices (PINs) na afloop van de bespreking van elke Artikel IV-consultatie in de Raad van Bewindvoerders.

Hervormingen in de financiële sector:

Een belangrijke les van de Aziëcrisis is dat adequaat toezicht op het functioneren van financiële markten en instellingen een belangrijke randvoorwaarde is bij het voorkomen van financiële crises. Om de kwaliteit van het financiële toezicht te bevorderen heeft het Bazelse Comité voor het bankentoezicht in samenwerking met toezichthouders uit met name emerging market economies enige tijd geleden principes voor een effectief toezicht opgesteld, de Core Principles for Effective Banking Supervision. Deze kernprincipes gaan in op zaken als duidelijk omschreven doelstellingen en verantwoordelijkheden, operationele onafhankelijkheid, adequate informatiestromen en de feitelijke inrichting van het toezicht. Recent heeft het Bazelse Comité een consultatiedocument vrijgegeven over de herziening van het Bazelse Kapitaalakkoord. Daarin worden voorstellen gedaan voor een meer verfijnde meting van risicos bij de berekening van de vereiste solvabiliteit, een intensivering van het kwalitatieve toezicht en versterking van de marktdiscipline. Onder andere wordt voorgesteld om de indeling van debiteuren van banken in risicoklassen mede te baseren op rapportcijfers van gezaghebbende rating-instituten. Alhoewel de voordelen van interne kredietrisicomodellen door Bazel worden onderkend, vindt men het te vroeg om kapitaalvereisten rechtstreeks op dergelijke interne modellen te baseren.

De rol van het Fonds in sociale sector-aangelegenheden:

Er is toenemende aandacht voor de rol van het IMF bij het bevorderen van goed sociaal beleid. Deze week heeft het IMF twee documenten uitgebracht waarin haar rol in armoedebestrijding, sociale vangnetten en onderwijs en gezondheidszorg in landen met een IMF programma wordt besproken. Deze liggen in de komende weken voor in de vergaderingen van de Raad van Bewindvoerders. In eerdere discussies heeft Nederland aangegeven dat het IMF mandaat en zijn kern-competentie liggen op het terrein van macro-economische en monetaire stabiliteit en handelsbeleid in de lidstaten. Het is daarom van belang dat beleid t.a.v. sociale sector aangelegenheden binnen Fonds programmas wordt vormgegeven in nauwe samenwerking met de Wereldbank, waarbij de Wereldbank, die op dit terrein zowel het mandaat als de competentie heeft, het voortouw zou moeten nemen.

De aanbevelingen die vervat zijn in het externe evaluatie-rapport over ESAF geven een goed voorbeeld van de wijze waarop IMF en Wereldbank in de toekomst gezamenlijk de sociale dimensie van IMF-activiteiten (onder meer binnen het kader van ESAF of HIPC) gestalte kunnen geven.

Milleniumproblematiek:

Over dit agendapunt is nog geen concrete informatie beschikbaar. Naar verluidt werkt IMF-management aan een millenium-faciliteit die erop gericht zou zijn om landen die onder druk komen te vanwege millenium-problemen, financiële steun te verschaffen. Naar alle waarschijnlijkheid zal de Managing Director tijdens het IC de plannen toelichten.

Development Committee dd. 27 september 1999

1a. HIPC-initiatief
Dit onderwerp staat zowel op de IC- als op de DC-agenda. Het is in principe de bedoeling, aldus het voorstel van IMF en Wereldbank, dat tijdens het IC vooral over de financiering van het schuldeninitiatief voor de Highly Indebted Poor Countries (HIPC) en ESAF wordt gesproken en dat het DC zich meer richt op de inhoud van de aanpassingsvoorstellen en dan met name de versterking van de link tussen schuldkwijtschelding en het besteden van die middelen aan sociale uitgaven.

Eind juni heeft de G-8 een aantal voorstellen gelanceerd voor aanpassing van het bestaande HIPC-raamwerk. Vervolgens zijn deze voorstellen door de Wereldbank en het IMF nader uitgewerkt in een paper, dat begin augustus voor de eerste keer is besproken in de Raden van Bewind van de Bank en het IMF. De voorstellen zijn erop gericht om de schuldverlichting onder HIPC breder, dieper en sneller te maken. Meer in detail komen de G-7 en IMF/Wereldbank voorstellen op het volgende neer:

* De schuldhoudbaarheidsratios worden verlaagd. De Netto Contante Waarde (NCW) van de Debt to Export Ratio (DER) wordt verlaagd van 200-250% naar 150% en de NCW van de Debt to Revenu Ratio (DRR) wordt verlaagd van 280% naar 250%. Bovendien worden de kwalificatiecriteria voor schuldverlichting onder de DRR verlaagd; het openheidcriterium, export in % BNP, wordt verlaagd van 40% naar 30% en de overheidsinkomengrens wordt verlaagd van 20% naar 15% van het BNP.

* De maximale schuldkwijtschelding in de Club van Parijs gaat van 80% naar 90%, of meer waar nodig voor uitzonderlijke gevallen. Bovendien worden alle donoren opgeroepen alle nog uitstaande ODA-schulden op de HIPC-landen kwijt te schelden en in het vervolg ODA-hulp aan deze landen alleen nog maar in de vorm van giften te verstrekken.

* Er worden floating completion points geïntroduceerd. Tot nu toe was het zo dat een HIPC-land twee keer drie jaar IMF- en Bank-programmas goed moeten uitvoeren. Na de eerste drie jaar wordt het Decision Point bereikt, waar wordt bepaald of en ongeveer hoeveel schuldverlichting een land krijgt. Na de volgende drie jaar wordt het Completion Point bereikt, waar de daadwerkelijke hoeveelheid schuldverlichting wordt vastgesteld, gecommitteerd en gegeven. Onder het nieuwe systeem geldt nog wel de eis van drie jaar goede uitvoering van IMF- en Bankprogrammas voorafgaand aan het Decision Point, maar wordt het bereiken van het Completion Point afhankelijk gesteld van het doorvoeren van een aantal nauwkeurig omschreven structurele hervormingen (onder de randvoorwaarde van doorgaand goed macro-economisch beleid). Aangezien de situatie van land tot land kan verschillen kunnen ook de structurele hervormingsvoorwaarden van land tot land verschillen. Het grote voordeel van dit systeem is dat HIPC-landen zelf kunnen beïnvloeden wanneer zij het Completion Point bereiken. Goede performers zullen het Completion Point snel bereiken, terwijl anderen er langer over doen.

* In het vervolg wordt niet meer op het Completion Point maar op het Decision Point vastgesteld hoeveel schuldkwijtschelding een land onherroepelijk krijgt; dan wordt tevens de committering aangegaan.
* Het tijdstip van het feitelijk geven van schuldverlichting wordt deels naar voren gehaald door het geven van interim relief : gedeeltelijke uitkering van de schuldverlichting tussen het Decision en Completion Point. Deze eerdere uitkeringen worden gedaan op voorwaarde dat het land goed presteert onder de aanpassingsprogrammas van IMF en Wereldbank. Deze interim relief wordt onherroepelijk verstrekt, ook als het land vervolgens off track zou gaan. De Wereldbank verstrekt dergelijke interim relief nu ook al op een case-by-case basis. Na het Completion Point zal voorts frontloading bij de schuldverlichting plaatsvinden om landen in een vroeg stadium de financiële ruimte te bieden voor maatregelen op het terrein van armoedebestrijding.
* Er komt een versterkte link tussen schuldkwijtschelding en uitgaven voor sociale doeleinden. Verderop wordt dit onderdeel nader toegelicht.

* Om ongelijke behandeling van landen te voorkomen worden de aanpassingen van het HIPC-raamwerk ook retroactief toegepast op landen die reeds het Decision en Completion Point bereikt hebben.

Door bovenstaande aanpassingen zullen naar verwachting 36, in plaats van de eerder verwachte 29, van de 41 HIPC-landen zich kwalificeren voor schuldverlichting. Daarnaast wordt andere landen de mogelijkheid geboden om tot eind 2000 aanpassingsprogrammas met Fonds en Bank af te sluiten, als deadline om alsnog voor HIPC in aanmerking te komen. Een land als Haïti wordt in dit verband wel genoemd.

Door de aanpassingen zullen de kosten voor het HIPC-initiatief in NCW-termen stijgen van $ 12,5 mrd naar $ 27,4 mrd (exclusief Liberia, Soedan en Somalië), waarvan $ 13,3 mrd voor rekening van de multilaterale instellingen komt ($ 14,5 mrd indien ook de kosten van interim ESAF worden meegerekend). Het grootste deel van deze multilaterale kosten moet worden gedragen door de Wereldbank ($ 5,1 mrd), het IMF ($ 3,5 mrd, inclusief interim ESAF), de Afrikaanse Ontwikkelingsbank ($ 2 mrd.) en de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank ($ 1 mrd). Daarnaast is er nog een post Other van $ 2,9 mrd, waaronder naast de EU/EIB ($ 350-450 mln), de Aziatische Ontwikkelingsbank en IFAD een twintigtal subregionale banken en fondsen, zoals het OPEC Fund, de Nordic Investment Bank en -Fund, de Islamitische Ontwikkelingsbank, etc vallen.

De Wereldbank heeft aangegeven $ 2 mrd zelf te kunnen dragen, het IMF $1,7 mrd (na herwaardering goud $ 2,8 mrd), de AfDB $ 300 mln en de IDB $ 500 mln. Afhankelijk van de vraag of de gedeeltelijke herwaardering van IMF-goud doorgaat en hoeveel instellingen (dan wel hun leden) van de post Other hun bijdrage zelf financieren bedraagt het totale financieringsgat voor de multilaterale instellingen tussen de $ 6 en 10 mrd. Dit bedrag zal door bilaterale donoren betaald moeten worden. Bijkomend probleem is nog dat door het feit dat in het nieuwe raamwerk de committering onherroepelijk wordt aangegaan op het Decision Point, de retroactieve toepassing van het nieuwe raamwerk en het feit dat een groot aantal HIPC-landen zich volgens verwachting tussen nu en eind 2000 het Decision Point zullen bereiken, 85% van de totale committeringen tussen nu en eind 2000 zullen moeten worden aangegaan. Aangezien de IFIs dat niet kunnen doen zonder voldoende middelen toegezegd gekregen te hebben is haast dus geboden, bij het verkrijgen van de financiering. Uiteraard gelden voor Nederland t.a.v. de financiering van het aandeel van de Wereldbank, de IDB en de AfDB dezelfde principes als voor het IMF (zoals genoemd onder punt 3 van de IC-agenda), nl.: 1) dat geen toezeggingen kunnen worden gedaan zonder dat er financiering is, 2) de financieringslasten eerlijk verdeeld moeten zijn, 3) de financiering niet ten koste mag gaan van de kwaliteit en omvang van de reserves van de banken en 4) niet ten koste mag gaan van de ontwikkelingslanden.

Des te wranger is het dus dat de G-7, nadat zij met veel ophef de aanpassingen voor HIPC hadden aangekondigd nog steeds niet hun bijdrage binnen een rechtvaardig burdensharingsmechanisme hebben toegezegd. Nederland is na het VK nog steeds de grootste donor aan het HIPC Trust Fund van de Wereldbank (waaruit ook de bijdragen van de andere multilaterale banken moeten worden betaald) en een van de grotere donoren aan het ESAF/HIPC Trust van het IMF. IMF, Wereldbank, Nederland en een groot aantal andere donoren en lenende landen hebben steeds gezegd dat de aanpassingsvoorstellen pas kunnen worden aangenomen als parallel de financiering wordt geregeld met een bijbehorende eerlijke lastenverdeling.

De discussie over de financiering en de burdensharing daarbij wordt nog verder bemoeilijkt door een paar andere factoren waaronder het punt dat Japan en Frankrijk de meeste ODA-leningen hebben uitstaan op de HIPC-landen. Dit komt doordat beide landen nauwelijks ODA-giften verstrekken, maar vooral leningen. Zij stellen nu dat zij, doordat ze het grootse deel van de bilaterale ODA-kwijtschelding voor hun rekening moeten nemen, niet kunnen en hoeven bij te dragen aan de financiering van de multilaterale kosten. Anderen brengen hiertegen terecht in dat zij de afgelopen jaren alleen maar giften hebben verstrekt en dat de Franse en Japanse argumenten daarom onterecht zijn.
Verder hebben anderen gepleit voor het gebruik van bestaande IDA-middelen voor de financiering van de kosten van de Wereldbank. Dit brengt het probleem met zich mee dat geld dat bestemd was voor de ene groep arme landen nu ter beschikking wordt gesteld aan de andere groep arme landen. Daarnaast zal dit betekenen, doordat leningen worden omgezet in giften, dat de reflows voor IDA minder groot zullen zijn dan is geprojecteerd, waardoor voor toekomstige middelenaanvullingen grotere donorbijdragen nodig zijn en met name de VS in het verleden reglmatig heeft laten zien onbetrouwbaar te zijn met betrekking tot hun bijdrage aan IDA.

1b. Versterking van de relatie tussen schuldkwijtschelding en uitgaven voor sociale doelen.

Afgesproken is dat wordt bezien hoe HIPC-schuldverlichting in de nieuwe opzet beter kan worden gebruikt als instrument voor armoedebestrijding. Het gaat immers in belangrijke mate om het gebruik van ODA-middelen en ook de campagne voor uitbreiding van het HIPC-initiatief heeft duidelijk armoedebestrijding als achterliggende doelstelling. HIPC vormt het meest zichtbare en concrete initiatief op het gebied van de uitbreiding van de hulp aan de armste landen en kan alleen al door de mogelijke omvang van de extra middelen als breekijzer fungeren voor een aantal gewenste ontwikkelingen op hulpterrein.

Additionele middelen zijn een absolute voorwaarde. Deze nieuwe middelen zullen zo min mogelijk in de plaats moeten komen van andere vormen van hulp. Nieuwe middelenbronnen dienen te worden aangeboord. Een evenwichtige lastenverdeling vormt daarbij, zoals eerder vermeld, het uitgangspunt. De toezeggingen van de G-7 in Keulen zullen door de betrokken landen daadwerkelijk in deze zin dienen te worden opgevolgd.

De omvang en additionaliteit van die middelen bepalen uiteindelijk de mogelijkheden voor programma's gericht op armoedebestrijding. Per land zal moeten worden bezien hoe een optimale verdeling van die middelen in de tijd de programma-uitvoering ten goede kan komen.

Daartoe zal er binnen de grenzen van het mogelijke voor moeten worden gezorgd dat schuldverlichting daadwerkelijk tot armoedebestrijding leidt. Dit geldt voor de ex-ante conditionaliteit alsook voor de monitoring na het bereiken van decision en completion points. Het is van belang het begrip armoedebestrijding daarbij ruim te definiëren. Het gaat om meer dan uitgaven voor sociale sectoren als onderwijs en gezondheidszorg. Ook werkgelegenheidsbevordering, inkomensverdeling en sociale vangnetten behoren tot de kernelementen van een beleid gericht op armoedebestrijding. Economische groei is een noodzakelijke (zij het niet voldoende) voorwaarde. Het brede begrip pro poor growth kan als uitgangspunt fungeren. In het Human Development Report 99 worden twaalf elementen van een dergelijk op pro poor growth gericht beleid opgesomd.

Op het vlak van de relatie tussen hulp en sociale ontwikkeling kan veel worden ontleend aan de DAC-strategie. Die strategie is op zijn beurt weer gebaseerd op de conclusies van de grote VN-conferenties over de belangrijkste aspecten van een duurzaam ontwikkelingsbeleid. Er is in dat kader een set van core-indicators ontwikkeld voor de monitoring. Het is echter niet zo dat de output-doelstellingen van deze strategie al voor alle betrokken landen zijn vertaald in bruikbare benchmarks voor het begrotingsbeleid. Veel werk op dit terrein bevindt zich nog in de pilot-fase. De Wereldbank zal moeten bezien in hoeverre output-doelstellingen nu reeds kunnen worden gehanteerd in HIPC-programma's. Hier zal sprake zijn van werkelijke vernieuwing. Zoals het IMF terecht aangeeft: most HIPC's have not yet developed comprehensive strategies for poverty reduction and social development that include financing considerations.


2. Kapitaaltoereikendheid van de Wereldbankgroep

De risicodragende capaciteit van de Wereldbank (IBRD) is zwak. Enkele externe experts hebben gesteld dat deze capaciteit versterking zou behoeven, bijvoorbeeld door een kapitaalverhoging. Volgens Management heeft ook IFC behoefte aan nieuw kapitaal en tijdens het vorige DC is aangegeven dat dit zelfs prioriteit heeft.
Sinds de voorjaarsvergadering is er slechts beperkte voortgang geboekt bij de besprekingen over de versterking van de risico-dragende capaciteit van de IFC en de IBRD. Uitgewerkte voorstellen die eigenlijk vóór de Jaarvergadering zouden verschijnen, zijn nog niet ontvangen. Een reden hiervoor is dat er op dit moment wordt gewerkt aan een Private Sector Strategie voor de Wereldbankgroep, waarin de taakverdeling en samenwerking tussen de diverse onderdelen van de Bankgroep op dit terrein wordt beschreven. Uiteraard hangen deze strategie en kapitaalbehoefte van IFC nauw met elkaar samen. Ook worden nog andere opties voor versterking van de risico-dragende capaciteit van de Wereldbank geïnventariseerd.

3a. IMF/WB Samenwerking in de Financiële Sector

Bank en Fonds hebben in het verleden al meerdere malen over verbetering van de samenwerking gesproken en in 1989 heeft dit geresulteerd in een aantal afspraken, het zogenaamde Concordaat. In dit Concordaat worden de primaire verantwoordelijkheden van de beide instellingen vastgelegd; ruwweg heeft het Fonds de verantwoordelijkheid voor de macro-economische stabiliteit en is de Bank verantwoordelijk voor het bevorderen van economische groei via structurele aanpassingen en projectfinanciering.

Tijdens de Azië-crisis bleek echter dat het Concordaat onvoldoende rekening hield met de nieuw ontstane situatie, waarbij ook het belang van de praktische uitwerking van de samenwerking op het terrein van hervormingen van de financiële sector in emerging markets en ontwikkelingslanden nadrukkelijk voor het voetlicht kwam. Derhalve is in september 1998 een raamwerk opgesteld voor de samenwerking tussen de Wereldbank en het IMF op het gebied van de financiële sector. Dit raamwerk geeft aan wie (Wereldbank, IMF of een gespecialiseerde organisatie) waar de verantwoordelijkheid neemt. Het behelst onder meer zaken als monitoring van financiële systemen (IMF neemt de leiding), ontwikkeling van de financiële sector (Bank neemt de leiding) en ontwikkeling van standaarden en principes (m.n. in de bancaire sector).

3b. Sociale dimensie van economische crises

Voor Nederland is bij de uitwerking van dit agendapunt de integrale benadering van economische groei van de Wereldbank van belang: bij het bevorderen daarvan dient sociale ontwikkeling een expliciete doelstelling te zijn. E.e.a. houdt in dat verder gegaan dient te worden dan "bescherming in tijden van crisis", en dat sociaal kwetsbare groepen in staat moeten worden gesteld tot pro-actief deelnemen aan het economisch ontwikkelingsproces. De rol van de Wereldbank is daarbij het implementeerbaar maken van de normen die op dit terrein zijn ontwikkeld door de relevante VN-instellingen. De Wereldbank beschikt daartoe over een aantal specifieke instrumenten zoals de doorgaande beleidsdialoog met landen.

3c. Corporate Governance

Een belangrijke oorzaak van de Azië-crisis was ondermeer het ontbreken van goed toezicht op het bestuur van veel bedrijven in Aziatische landen. Er was te weinig transparantie en te weinig verantwoording richting belanghebbenden bij ondernemingen, zoals aandeelhouders, werknemers,etc. Dit wordt mede veroorzaakt door allerlei kruiselingse verbanden tussen en in ondernemingen. Naar aanleiding hiervan heeft de OESO op 27 mei (niet bindende) aanbevelingen gepubliceerd over corporate governance. Corporate governance heeft nu extra actualiteitswaarde in verband met de problemen rond Deawoo (deze Koreaanse chaebol vormt 5% van het BNP van Zuid-Korea).

De aanbevelingen van de OESO handelen over de rechten van aandeelhouders, de gelijkwaardige behandeling van aandeelhouders, de rol van de stakeholders, openheid en transparantie en de verantwoordelijkheden van het bestuur. De OESO-ministers hebben afgesproken om de aanbevelingen zoveel mogelijk in eigen land te implementeren, maar moedigen ook aan dat niet-OESO-landen de aanbevelingen overnemen.

Op dit moment is nog niet geheel duidelijk welke rol de Wereldbank voor zich zelf ziet weggelegd ten aanzien van dit onderwerp. Wel is al duidelijk dat er over dit onderwerp intensief contact is geweest met de OESO.

3d. Versterking internationale fora; opties voor het Interim en Development Committee

Zie IC-conclusie 2f. Internationaal Monetair Systeem: de fora


4. Rapport van de Small States Task Force

"Small states" zijn volgens de door de Task Force gebruikte omschrijving kleine landen met minder dan 1,5 miljoen inwoners. Van deze 49 zo geidentificeerde kleine staten zijn er door het Commonwealth Secretariat 25 als "meest kwetsbaar" aangeduid. De Nederlandse Antillen en Aruba maken als onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden geen deel uit van deze groep.

Het concept rapport van de Task Force, "Making small states less vulnerable: supporting development during globalization", overtuigt niet waar het gaat om het instellen van een aparte ontwikkelingscategorie gebaseerd op kleine omvang. Naast nadelen, die in het rappport meer nadrukkelijk aan de orde worden gesteld, zijn er ook duidelijke voordelen verbonden aan kleine omvang. Zo krijgen kleine landen veelal een groter bedrag per capita aan hulp dan op basis van hun relatieve inkomenshoogte verwachtbaar zou zijn.

Daarnaast is het moeilijk om de nadelen die kleine landen ondervinden onder één noemer te vangen.


5. Ontwikkelingslanden en de internationale handelsagenda

Met betrekking tot dit agendapunt is Nederland van mening dat een volgende onderhandelingsronde binnen het kader van de WTO een zogenaamde "ontwikkelingsronde" zou moeten worden. Naast versterking van de WTO, verdere mondiale handelsliberalisering en erkenning en uitwerking van nieuwe beleidsterreinen voor de WTO is betrokkenheid van ontwikkelingslanden één van de vier Nederlandse hoofddoelstellingen in deze volgende ronde.

Een van de concrete acties waarvoor Nederland zich inzet is de oprichting van een onafhankelijk adviescentrum ter ondersteuning van ontwikkelingslanden bij geschillenbeslechting, om zo gelijkwaardige deelname van ontwikkelingslanden aan het WTO-proces te bevorderen. De Wereldbank zou een rol kunnen spelen bij versterking van de institutionele structuur van ontwikkelingslanden op het gebied van handelsaangelegenheden. Voorts zou de Wereldbank actie kunnen nemen op basis van de aanbevelingen van de WTO-"high level"-bijeenkomst over minst ontwikkelde landen (1997). Inzicht zou kunnen worden gegeven in de mate waarin deze aanbevelingen door de Wereldbank zijn opgepakt en uitgevoerd. De Wereldbank is reeds gestart met een mede door Nederland gefinancierd technische assistentie-project, dat landen helpt bij de voorbereiding van de in 2000 voorziene WTO-onderhandelingen. Bij dit alles blijft coördinatie, b.v. in het kader van Consultatieve Groepen, een sleutelwoord.

Deel: ' Agenda najaarsvergadering Interim Committee '




Lees ook