Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de voorzitter van de Algemene

Commissie voor Europese Zaken van de

Tweede Kamer der Staten Generaal

Binnenhof 4

's-Gravenhage

Directie Integratie Europa

Afdeling Algemene Integratie

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 14 juni 1999
Kenmerk DIE/391/99
Blad /12
Bijlage(n) 2
Betreft Geannoteerde agenda

Interne Markt Raad d.d. 21 juni 1999

C.c.

Hierbij doe ik u de geannoteerde agenda van de Interne Markt Raad van
21 juni a.s. toekomen.

DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Geannoteerde agenda Interne Markt Raad d.d. 21 juni 1999

Follow-up van het actieprogramma voor de Interne Markt

De Commissie zal mondeling toelichten hoe zij invulling wil geven aan de follow-up van het actieprogramma voor de Interne Markt. Aansluitend daaraan zal een openbaar debat plaatsvinden.

De Commissie wil lange termijn strategische doelstellingen als het bevorderen van de mededinging, aandacht voor de belangen van burgers en bedrijven en aandacht voor de externe dimensie van de interne markt combineren met meer operationele, concrete doelstellingen. Voor laatstgenoemde doelstellingen zullen duidelijke deadlines worden geïdentificeerd. Een centrale plaats in de monitoring van het bereiken van de gestelde doelstellingen kent de Commissie toe aan instrumenten als het Scorebord en de Dialoog met Burgers en Bedrijven.

Nederland kan de door de Commissie gekozen benadering voor de follow-up van het actieprogramma ondersteunen. De Commissie zal deze benadering nader uitwerken in een schriftelijk document, dat aan de volgende Interne Markt Raad onder Fins voorzitterschap op 7 oktober a.s. ter discussie zal worden voorgelegd.

Gezamenlijk werkprogramma van de drie voorzitterschappen (Duitsland, Finland, Portugal) op het gebied van de Interne Markt

Doc. 8860/99 MI 59

Het Duitse voorzitterschap zal het gezamenlijke werkprogramma presenteren van de drie opeenvolgende voorzitterschappen. Daarna zal een openbaar debat plaatsvinden. Nederland zal er, naar aanleiding van het werkprogramma, bij het inkomende Finse voorzitterschap op aandringen vooral ook voldoende aandacht te besteden aan een goed voorbereide inhoudelijke behandeling van de landenrapporten over het functioneren van de goederen-en dienstenmarkten in het kader van het zgn. Cardiff-proces.

Vereenvoudiging van de regelgeving (SLIM)

De Commissie zal mondeling verslag uitbrengen over de stand van zaken met betrekking tot het onderwerp vereenvoudiging van wetgeving. Na het mondelinge verslag zal een gedachtewisseling plaatsvinden.

De Commissie zal aankondigen dat de aanbevelingen van het team Gevaarlijke Stoffen (SLIM IV) gereed zijn. De belangrijkste aanbevelingen van het team, te weten rationalisering en modernisering van de structuur van de richtlijn, verbetering en versnelling van administratieve processen en verduidelijking van de verantwoordelijkheden van de Commissie, de lidstaten en de kennisgever kunnendoor Nederland worden onderschreven.

Het rapport van het team Ondernemingsrecht wordt nog voor de Interne Markt Raad van 21 juni verwacht, maar is nu nog niet beschikbaar. De presentatie van de resultaten van het team Voorverpakkingen, waarvan de werkzaamheden vertraging hebben opgelopen, wordt pas verwacht tijdens de Interne Markt Raad van 7 oktober a.s.

De Commissie zal voorts aankondigen begonnen te zijn met de evaluatie van de SLIM-fases I t/m III. Aansluitend aan deze aankondiging zal Nederland aandacht vragen voor een door Denemarken, het VK en Nederland opgesteld "non-paper" (bijgevoegd), waarin kort wordt ingegaan op de werkwijze en resultaten van SLIM tot dusverre. Het document is opgesteld op basis van evaluaties die in genoemde landen recent plaats hebben gehad. Het document is bedoeld als startpunt voor een discussie in Raadskader over SLIM. Deze discussie zal in ieder geval worden vervolgd tijdens de Interne Markt Raad van 7 december a.s., na afronding van de door de Commissie uit te voeren evaluatie.

Scorebord (nieuwe versie)

De Commissie zal de vierde versie van het Scorebord presenteren. Na de presentatie zal een gedachtewisseling plaatsvinden.

In het Scorebord wordt geconstateerd dat, hoewel de totale achterstand in het omzetten van richtlijnen afneemt, vooral de omzetting van recente richtlijnen traag verloopt. Nederland staat in het overzicht omzetting interne markt-richtlijnen met een percentage van 2,4 % nog niet omgezette richtlijnen op een vijfde plaats, na Finland, Denemarken, Spanje en Zweden.

Integratie van milieuoverwegingen en duurzame ontwikkeling in de Interne Markt

Doc. 8923/99 MI 60 ENV 197 en 8924/99 MI 61 ENV 198

De conclusies van de Europese Raad van Wenen geven o.a. de Interne Markt Raad de opdracht om na te denken over de integratie van milieu-aspecten in het Interne Markt beleid. De voortgang op dit terrein zal tijdens de Europese Raad van Helsinki worden bezien.

Beschikbaar is een discussiedocument van het Voorzitterschap waarover op Raadswerkgroep-niveau is gesproken, in afwachting van het document van de Commissie. Dit zal vóór de Raad beschikbaar komen. Het document zal een analyse behelzen van de terreinen waar de wisselwerking tussen interne marktbeleid en milieu verder verbeterd zou kunnen worden. Commissaris Monti zal het document tijdens deze Interne Markt Raad presenteren. De échte discussie moet dus nog gaanplaatsvinden. Dit zal gebeuren onder Fins voorzitterschap opdat de Interne Markt Raad van 7 oktober a.s. conclusies kan trekken.

Europese normalisatie

Doc. 8748/99 MI 56 ECO 204

De Interne Markt Raad zal kennis nemen van de stand van de werkzaamheden ten aanzien van Europese normalisatie zoals neergelegd in een verslag van het Voorzitterschap. Volgens het Actieplan voor de interne markt is Europese normalisatie één van de onderdelen van de interne markt die verbetering behoeven. Het gaat dan vooral om zogenaamde gemandateerde normalisatie in het kader van de Nieuwe Aanpak (regelgeving beperkt tot essentiële wettelijke eisen voor productgroepen, uitwerking daarvan ten behoeve van met name bedrijven via private geharmoniseerde normen), als onderdeel van het terrein van technische harmonisatie van nationale producteisen.

Als belangrijkste knelpunten noemt de Europese Commissie dat een groot aantal Europese normen ten behoeve van de Nieuwe Aanpak nog niet gereed is en dat de gemiddelde tijd om normen te ontwikkelen te lang is. Daardoor is het voor marktpartijen niet altijd gemakkelijk om de EU-richtlijnen op een efficiënte manier na te leven. Deze situatie hindert het vrije verkeer van industriële producten en dus het functioneren van de interne markt.

Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake voor menselijke voeding bestemde cacao- en chocoladeproducten

Doc. 8164/96 DENLEG 59 CODEC 385 en 6582/98 DENLEG 17 CODEC 119

De Raad wordt gevraagd een politiek akkoord vast te stellen over de herziening van de cacao-en chocoladerichtlijn. Rechtsbasis is art. 95 (oud art. 100 A). Besluitvorming geschiedt bij gekwalificeerde meerderheid. De codecisieprocedure (art. 251, oud 189B) is van toepassing. Het Europees Parlement heeft in eerste lezing zijn oordeel gegeven over het Commissievoorstel.

In 1995, toen bekend was dat de Commissie met een voorstel zou komen voor aanpassing van de richtlijn, is een Nederlands standpunt vastgesteld. Uitgangspunten waren:


1. duidelijkheid voor de consument;


2. een gelijke concurrentiepositie voor de Nederlandse chocolade-industrie en;


3. de belangen van de ontwikkelingslanden.

Dit Nederlandse standpunt stelde de noodzaak van harmonisatie van het percentage toegestane vetten voorop. Inzet is harmonisatie op een niveau van 0%. Het Nederlandse standpunt voor de inzet, harmonisatie op 0%, is tot op hedengehandhaafd.

Het Commissievoorstel, dat in juni 1996 aan Raad en Parlement werd voorgelegd, kent als essentie dat iedere lidstaat zelf regels mag stellen voor het gebruik van cacaobotervervangende vetten in producten die de naam chocolade dragen, tot een maximum van 5 % ("differentiatie"). Lidstaten moeten echter wel chocoladeproducten van andere lidstaten toelaten die binnen het maximum van 5 % cacaovervangende vetten blijven.

Het Commissievoorstel was, gelet op hogergenoemde eis van harmonisatie op 0 %, voor Nederland niet acceptabel. Samen met Frankrijk, Spanje, België en Luxemburg, landen die ook pleitten voor harmonisatie op 0 %, behoorde Nederland tot een blokkerende minderheid, die aanneming van het Commissievoorstel tegenhield.

Het Europees Parlement hechtte in najaar 1997 zijn goedkeuring aan een substantieel geamendeerde versie van het Commissievoorstel. De essentie van het Commissievoorstel (differentiatie) bleef overeind. Het Europees Parlement voegde echter een aantal amendementen toe, die er vooral op gericht zijn om de negatieve gevolgen voor de cacaoproducerende ontwikkelingslanden te beperken.

Over het voorstel van de Commissie en de amendementen van het EP is lang onderhandeld, zonder dat het tot een oplossing kwam.

Het Duitse voorzitterschap heeft nu een nieuw compromisvoorstel opgesteld. Dit voorstel komt niet tegemoet aan alle, maar wel aan een aantal essentiële EP-amendementen.

Het voorstel omvat:


- mogelijkheid tot maximaal 5 % cacaobotervervangende vetten te gebruiken, conform voorstel van de Commissie;


- naast vermelding in de ingrediëntendeclaratie extra etikettering van dit gebruik in de buurt van de verkoopbenaming;


- lijst van zes toegestane cacaobotervervangende vetten incl. definitie en uitsluiting enzymatische) en aanpassing van deze lijst via Raads-/EP-procedure (art. 100A oud);


- studie achteraf naar gevolgen van de richtlijn voor ontwikkelingslanden (exporteurs cacao en grondstoffen cacaobotervervangers), uiterlijk 2004;


- handhaving uitzondering VK en Ierland voor benaming milkchocolate.

Het voorzitterschapscompromis wordt binnen de EU breed gesteund. Er tekent zich een gekwalificeerde meerderheid voor het voorstel af. Ook de Commissie heeft zich bereid verklaard het compromis te ondersteunen, als er een duidelijke meerderheid voor het compromis is.

Het voorzitterschapscompromis stemt niet overeen met het tot dusverre ingenomen Nederlandse standpunt. Er is in het compromis immers geen sprake van harmonisatie op 0 %. De vraag doet zich nu voor of het oorspronkelijke standpuntmoet worden herzien.

Het voorstel moet daartoe worden beoordeeld op de drie bovengenoemde uitgangspunten. Op basis van deze uitgangspunten zal de Ministerraad op 18 juni a.s. zijn standpunt bepalen.

Verordening inzake weesgeneesmiddelen

Doc. 8881/99 ECO 214 SAN 83 CODEC 307

De Raad wordt gevraagd een politiek akkoord vast te stellen over het voorstel voor een verordening inzake weesgeneesmiddelen ('orphan drugs'). Rechtsbasis is artikel 95 (oude artikel 100A). Besluitvorming geschiedt met gekwalificeerde meerderheid, in codecisie met het Europees Parlement.

De verordening beoogt de opzet van een communautaire procedure voor de aanwijzing van weesgeneesmiddelen (geneesmiddelen voor zeldzame ziekten en /of geneesmiddelen waarvoor de farmaceutische industrie niet spontaan investeert in R&D, registratie en marketing). De aanwijzing zal uitgevoerd worden door het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (EMEA). Het voorstel voorziet tevens in stimuleringsmaatregelen, waarvan toekenning van marktexclusiviteit gedurende 10 jaar de belangrijkste is. De EU komt hiermee in navolging van VS, Japan en een aantal andere landen waar dergelijk beleid reeds langere tijd gevoerd wordt.

Nederland is groot voorstander van het voorstel dat (schaal)voordelen biedt op het vlak van volksgezondheid en economie. Het voorstel sluit aan bij het communautaire actieprogramma inzake zeldzame ziekten. Het voorstel past tevens uitstekend bij het onlangs opgezette nationale actieplan voor starters op het gebied van 'life sciences'. Dit actieplan is gericht op het stimuleren van starters op het gebied van onder andere biotechnologie en geneesmiddelen. Met name op het terrein van weesgeneesmiddelen blijken goede mogelijkheden te liggen. De betrokken industrie is zeer positief over het voorstel voor de Europese verordening. De uit het voorstel voortvloeiende kosten voor de EU, te betalen aan het EMEA voor de beoordeling en registratie van weesgeneesmiddelen, zullen beperkt zijn.

Mededeling van de Commissie over het beginsel van wederzijdse erkenning

De Commissie zal een mondelinge toelichting geven op de Mededeling die waarschijnlijk enkele dagen vóór de Interne Markt Raad binnen de Commissie goedgekeurd gaat worden. De Mededeling wordt al enige tijd verwacht. Nederland heeft ook al diverse keren aangedrongen op een spoedige totstandkoming van deze Mededeling. Een correcte toepassing van het principe van wederzijdse erkenning is van groot belang voor het goed functioneren van de Interne Markt, zeker omdatwederzijdse erkenning in veel gevallen een goed alternatief kan vormen voor harmonisatie op Europees niveau.

De Commissie heeft eerder aangegeven dat het een lijvig document wordt waarin goederen en diensten worden behandeld. De Mededeling zal worden vergezeld van een eerste Verslag over de toepassing van het beginsel, aan de hand van de nodige statistieken en sectorale analyses. Het is de bedoeling dat het Verslag tweejaarlijks wordt. Er zullen (ook praktische) suggesties worden gedaan om de toepassing van het beginsel te verbeteren. Uit het document zal verder blijken dat er aparte studies over levensmiddelen en telecommunicatie op komst zijn.

Internationale uitputting van het merkenrecht

De Commissie zal tijdens deze Interne Markt Raad mondeling verslag doen van de bijeenkomsten van 26 en 28 april jl. met respectievelijk de delegaties van de Lid-Staten en vertegenwoordigers van belanghebbende organisaties over de uitkomsten van het in opdracht van de Commissie door het bureau Nera gehouden onderzoek naar de economische effecten van de systemen van uitputting bij het merkenrecht.

Een aantal Lid-Staten (waaronder Nederland en Zweden) heeft aangedrongen op een fundamentele discussie over uitputtingssystemen. Zweden heeft een eigen onderzoek laten uitvoeren en in het kader van het "Cardiff economic reform process" een thema-rapport opgesteld over parallelimport. In de Interne Marktraad van 25 februari jl. werd door de Commissie het rapport van onderzoeksbureau Nera naar de economische effecten van de systemen van uitputting bij het merkenrecht gepresenteerd.

Nederland is voorstander van internationale uitputting bij het merkenrecht. Een dergelijk systeem doet recht aan het belang van een zo ruim mogelijke concurrentie en van het opheffen van handelsbelemmeringen.

Dertiende richtlijn inzake het vennootschapsrecht betreffende overnamebiedingen

Doc. 8971/99 DRS 14 CODEC 321 en 8972/99 DRS 15 CODEC 322

De Raad wordt gevraagd een politiek akkoord over het richtlijnvoorstel inzake het vennootschapsrecht betreffende het overnamebod vast te stellen. Rechtsbasis is artikel 250 EG. Besluitvorming geschiedt met gekwalificeerde meerderheid, in codecisie met het EP.

De richtlijn introduceert een verplicht bod op aandelen als bescherming van minderheidsaandeelhouders. Dit verplichte bod houdt in dat een aandeelhouder na het verkrijgen van de controlerende zeggenschap in een onderneming, wordt verplicht om de overige aandeelhouders door middel van een bod op hun aandelen uit te kopen. Verder heeft de richtlijn ten doel om tot harmonisatie vanvennootschapsrechtelijke regelgeving op het terrein van internationale overnames te komen.

Nederland steunt het doel om minderheidsaandeelhouders te beschermen, maar stelt zich gereserveerd op ten opzichte van het voorstel zoals dat er nu ligt. In Nederland is de bescherming reeds afdoende geregeld, en aangezien deze problematiek in Nederland geheel anders geregeld is vereist introductie van de richtlijn een zware aanpassing van het Nederlandse recht. Vandaar dat Nederland een langere implementatietermijn wenst, te weten vijf jaar. Dat zou het Nederlandse bedrijfsleven ook beter in staat stellen zich voor te bereiden op de inwerkingtreding van de richtlijn.

Richtlijn betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk

Doc. 8834/99 PI 30 CULTURE 37 CODEC 304 en 8851/99 PI 31 CULTURE 38 CODEC 306

De Raad wordt gevraagd een politiek akkoord vast te stellen over het richtlijnvoorstel betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk werk. Het voorstel is gebaseerd op art. 95 EG (oud art. 100A), zodat besluitvorming plaatsvindt met gekwalificeerde meerderheid, in codecisie met het Europees Parlement.

Het volgrecht houdt in dat een beeldende kunstenaar die het origineel van zijn werk -een schilderij, een beeldhouwwerk, een litho, enz.- verkocht heeft bij latere verkoop van het werk een percentage van de verkoopprijs ontvangt. Het volgrecht bestaat in 11 van de 15 lidstaten (niet in Ierland, Nederland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk), zij het dat het in verschillende landen een dode letter is gebleven.

Nederland twijfelt nog altijd aan de noodzaak van een richtlijn op dit gebied. Nederland vreest voorts dat noch de incasso van de gelden, noch de verdeling van de geïncasseerde gelden eenvoudig zal zijn.

De belangrijkste tegenstander van het voorstel is het Verenigd Koninkrijk. Het voorziet dat het na invoering van het volgrecht zijn belangrijke kunsthandel in Londen voor een groot deel zal verliezen aan vooral de Verenigde Staten en Zwitserland, dat geen volgrecht kent. Deze vrees is gerechtvaardigd. Uiteraard gaat het hier primair om een Brits belang. Maar het is eigenaardig als de invoering van een richtlijn tot gevolg zou hebben dat een EU-land -en daarmee toch de EU- een deel van zijn handel zou kwijtraken aan niet EU-landen.

Voorafgaand aan de Interne Marktraad van 25 februari 1999 is een oplossing gezocht in:


1. De tarieven (een heel laag tarief, 0,5% voor de duurste werken (meer dan 500.000 euro).


2. De implementatietermijn: vier jaar. Dit was een oplossing die beoogde het VK tegemoet te komen. Het vond die oplossing echter onvoldoende.

Het VK stelt voor om de onderhandelingen over het richtlijnvoorstel op te schorten tot met de VS is overeengekomen dat ook daar een volgrecht ingevoerd wordt. Het onderwerp is ingebracht in het Action Plan for the Transatlantic Economic Partnership. De Commissie is van mening dat de juiste volgorde is om eerst de richtlijn tot stand te brengen en daarna te onderhandelen met de VS over de invoering van een volgrecht in de VS. Gevaar is echter dat, als er pas na invoering van de richtlijn in de EU met de VS onderhandeld gaat worden, het mogelijk te laat is: dan is de handel mogelijk al uit Europa verdwenen. Nederland zal het Britse voorstel om de onderhandelingen over het richtlijnvoorstel op te schorten tot met de VS is overeengekomen dat ook daar een volgrecht wordt ingevoerd dan ook kunnen steunen.

Richtlijn betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij

Het voorzitterschap zal verslag uitbrengen van de stand van zaken in dit dossier.

Nadat het Europees Parlement in februari jl. heeft geadviseerd, is op
21 mei jl. een gewijzigd voorstel inzake de harmonisatie van bepaalde aspecten auteursrechten en naburige rechten in de informatiemaatschappij aanvaard. Het voorstel is bedoeld om het auteursrecht op de digitale omgeving van toepassing te verklaren. Ook moeten de EG en de lidstaten toetreden tot de WIPO-verdragen van december 1996 (die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp).

Nederland is zeer kritisch over zowel het oorspronkelijke als het gewijzigde voorstel, dat eenzijdig in het voordeel is van rechthebbenden (muziek-en filmproducenten) en onvoldoende recht doet aan andere betrokken belangen (zoals die van bibliotheken, onderwijsinstellingen, consumenten, persvrijheid, Internet service providers, omroepen, e.d.). De Commissie wil in feite dat rechthebbenden het met behulp van een verstrekkend auteursrecht, met eenzijdige technische bescherming en via contractuele afspraken voor het zeggen krijgen op Internet en bij gebruik van cd's en cd-roms. Nederland is voorstander van spoedige toetreding tot de verdragen maar dan slechts met een evenwichtige regeling.

Op 10 mei jl. hebben de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van OCW een uitgebreide brief aan de Kamer gestuurd waarin is ingegaan op het richtlijnvoorstel en het advies van het EP. Daarin zijn beleidsuitgangspunten geformuleerd die mogelijk in een gedachtewisseling tijdens de Raad kunnen worden ingebracht.

Richtlijn betreffende bepaalde juridische aspecten van elektronische handel in de interne markt

Doc. 5123/99 ECO 2 CODEC 6 en 8891/99 ECO 215 CONSOM 42 CODEC 310

Het voorzitterschap zal verslag uitbrengen van de stand van zaken in dit dossier.

Een inhoudelijk debat in dit stadium lijkt niet zinvol, nu in de Raadswerkgroep de tweede lezing nog niet is afgerond. Het voortgangsverslag van het voorzitterschap zal om die reden zonder commentaar aangehoord worden. Nederland heeft nog steeds twijfels over een aantal aspecten van het onderwerp, welke twijfels consequent in de Raadswerkgroepen aan de orde zijn gesteld.

Beschikking tot wijziging van de beschikking van 19 december 1996 houdende goedkeuring van een actie-programma voor de douane in de Gemeenschap ("Douane 2000")

Doc. 8956/99 UD 62 CODEC 319

De Raad wordt gevraagd een politiek akkoord vast te stellen over een beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de beschikking houdende goedkeuring van een actieprogramma voor de douane in de Gemeenschap (Douane 2000). Het voorstel is gebaseerd op art. 95 (oud art. 100 A), zodat besluitvorming plaatsvindt met gekwalificeerde meerderheid, in codecisie met het Europees Parlement. Het voorstel beoogt om diverse acties met betrekking tot informatisering, de beroepsopleiding en technische assistentie aan bepaalde derde landen binnen één instrument en binnen één budgettaire lijn te integreren. Nederland kan akkoord gaan met document 8956/99 als gemeenschappelijke positie.

Hervorming van de regeling inzake douanevervoer

Het voorzitterschap zal verslag doen van de voortgang inzake de hervorming van de regeling inzake douanevervoer. Voorts zal een ontwerp-resolutie aan de Raad voorgelegd worden. Nederland kan zowel met het voortgangsrapport als met de ontwerpresolutie akkoord gaan.

Het voortgangsrapport benoemt de acties die Raad en Commissie hebben ondernomen sinds het Europees Parlement in februari 1997 haar rapport uitbracht van de parlementaire enquête inzake het communautair douanevervoer. Het rapport wordt gevolgd door een concept-resolutie. De resolutie refereert aan het belang dat het EP hecht aan een goed functionerend douanevervoerssysteem. Vervolgens roept de Raad de Commissie op de toekomstige verdere herziening van de transit systemen voort te zetten met prioriteit voor uniforme toepassing en tijdige invoering van regelgeving. De Lidstaten worden opgeroepen om actief mee te werken aan de systeemherziening en automatisering. De Commissie wordt tenslotte uitgenodigd te bewerkstelligen dat het Gemeenschappelijk Comité EG/EVA een soortgelijk besluit neemt.

De aanpassingen van het communautair douanevervoer zijn gebaseerd op verordening (EG) nr. 2913/92 van de Raad van 12-10-1992, waarin het EP medebeslissingsrecht heeft. De resolutie is echter een besluit van de Raad alleen.

Voortgangsrapport en resolutie zullen na besluitvorming in de Raad aan het EP worden aangeboden.

Groenboek over de bestrijding van namaak en piraterij in de interne markt

De Commissie zal tijdens de Interne Marktraad mondeling verslag doen van de hoorzitting die op 2 en 3 maart jl. gehouden is te Mùnchen over het Groenboek inzake bestrijding van namaak en piraterij in de interne markt. In dit Groenboek vraagt de Commissie aandacht voor de groeiende internationale omvang en de vele negatieve gevolgen van namaak en piraterij op het gebied van goederen en diensten, die beschermd worden door rechten van intellectuele eigendom (IE). Zij wil onderzoeken of het noodzakelijk is dat op communautair niveau maatregelen worden genomen om namaak en piraterij in de Interne Markt te bestrijden en welke mogelijkheden daartoe bestaan. De Commissie heeft alle belanghebbenden naast de beantwoording van de vragen uit het Groenboek tijdens de hoorzitting de gelegenheid gegeven hun standpunt nogmaals over het voetlicht te brengen. De belangstelling uit het bedrijfsleven en andere belanghebbende kringen was overweldigend. De Commissie zal zich gesteund voelen om de ideeën uit het Groenboek verder uit te werken. De Commissie zal hiertoe met een follow-up Mededeling komen. Het wachten is nog afronding van de opinievorming in het EP ten aanzien van het Groenboek.

Nederland steunt het initiatief van de Commissie om d.m.v. het Groenboek zicht te krijgen op de omvang van het probleem en van de behoefte aan maatregelen en de mogelijkheden daartoe.

Slechts indien blijkt dat duidelijke gebreken bestaan in de bestrijding van namaak en piraterij waardoor de werking van de Interne Markt wordt belemmerd, zijn naar de mening van Nederland communautaire maatregelen te overwegen. Indien mocht blijken dat communautair optreden noodzakelijk is, bepleit Nederland dat wordt gekeken naar de diverse nationale bepalingen en maatregelen die reeds bestaan en hun doeltreffendheid hebben bewezen.

Toerisme en werkgelegenheid

Doc. 8633/99 TOUR 3 SOC 205

In de voorliggende ontwerp-Raadsconclusies worden het rapport van deGroep op hoog niveau inzake toerisme en werkgelegenheid en de Mededeling 'Het werkgelegenheidsscheppend potentieel van het toerisme versterken' van de Commissie verwelkomd en het belang van de sector voor de economie en werkgelegenheid onderstreept. Tevens worden de Commissie en Lid-Staten opgeroepen samen te werken aan de follow up en wordt de Commissie gevraagd om over één jaar te rapporteren over die follow up. Nederland zal de Raadsconclusies ondersteunen.

Gebaseerd op een rapport van de Groep op hoog niveau inzake toerisme en werkgelegenheid heeft de Commissie op 28 april 1999 bovengenoemde mededeling gepubliceerd. De mededeling erkent het belang van de toeristische sector voor de economie en stelt maatregelen voor om deze sector te versterken. Hierbij kan worden gedacht aan (het mogelijk maken en bevorderen van) uitwisseling van informatie, bij voorkeur met gebruikmaking van moderne technologie; het verbeteren van opleidingsmogelijkheden; het verbeteren van de kwaliteit van toeristische producten; en het stimuleren van milieu-bescherming en duurzame ontwikkeling in toerisme.

Deel: ' Agenda van de Interne Markt Raad EU '




Lees ook