Persbericht Algemene Rekenkamer


Kwaliteitszorg hoger onderwijs

17 februari 2000

Het stelsel dat de kwaliteit van het universitair en hoger beroepsonderwijs moet bewaken, werkt goed. Alle onderwijsinstellingen worden periodiek gevisiteerd, aanbevelingen werken door in het onderwijskundig proces en de Inspectie van het onderwijs ziet goed toe op de werking van het stelsel. Hierdoor kan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen verantwoordelijkheid dragen voor een voldoende kwaliteit van het hoger onderwijs en voor de besteding van de rijksgelden die naar het hoger onderwijs gaan. De Rekenkamer plaatst twee kanttekeningen die de werking van het kwaliteitszorgstelsel nog verder kunnen versterken. Dat staat in het rapport Kwaliteitszorg hoger onderwijs dat vandaag verschijnt.

De Rekenkamer vindt het een gemis dat de minister geen beeld heeft van de ontwikkelingen in de kwaliteit van het hoger onderwijs door de jaren heen. Dat komt omdat de visitatierapporten in het wetenschappelijk onderwijs onderling slecht vergelijkbaar zijn. Daarnaast blijkt dat instellingen waar het kwaliteitszorgsysteem al goed ontwikkeld is, te weinig prikkels krijgen om nog verder te verbeteren. Om deze problemen op te lossen, hebben de Vereniging van Nederlandse Universiteiten (VSNU) en de HBO-raad hun richtlijnen voor de beoordelingssystemen verder uitgewerkt.

De Rekenkamer meent dat de Inspectie van het onderwijs haar werkwijze nog kan verbeteren door meer inzicht te bieden in de totstandkoming van haar oordelen en door binnen de behandeltermijnen te blijven.

De minister, de VSNU en de HBO-raad konden zich op hoofdlijnen vinden in de conclusies van de Rekenkamer.

Deel: ' Algemene rekenkamer over kwaliteitszorg hoger onderwijs '




Lees ook