tweede kamer der staten generaal

26735000.010 amendement rietkerk de bevoegdheid om de bestuurlijke oph ouding met twee maal maximaal zes uren te verlengen gemaakt: 1-3-2000 tijd: 13:40

tweede kamer der staten-generaal

vergaderjaar 1999-2000

wijziging van de gemeentewet ter verbetering van de mogelijkheden tot bestrijding van grootschalige verstoringen van de openbare orde

nr. 10

amendement van het lid rietkerk

ontvangen 9 februari 2000

de ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

in artikel i, onderdeel a, wordt in artikel 154a na het zevende lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:


7a. de ophouding kan in geval van acute dreiging van verstoring van de openbare orde als gevolg van de opheffing van de ophouding twee maal met maximaal zes uren worden verlengd.

toelichting

er kunnen zich omstandigheden voordoen waaronder de opheffing van de ophouding van een groep een acuut risico van nieuwe of verhevigde rellen met zich meebrengt. dit kan het geval zijn wanneer het evenement in verband waarmee de ophouding plaatsvindt nog gaande is of nog moet plaatsvinden. in een dergelijk dient de burgemeester over de mogelijkheid te beschikken de opheffing van de ophouding gedurende een beperkte tijd uit te stellen. met dit amendement wordt beoogd een verlenging van de ophouding met twee maal maximaal zes uren mogelijk te maken.

rietkerk

copyright tweede kamer der staten generaal

received: from (127.0.0.1) by utr.nieuwsbank.nl with smtp for ; wed, 01 mar 2000 14:54:02 +0100
mime-version: 1.0
from: razende robot reporter to: dienst
subject: tweede kamer recente (concept) stukken, index x-url: https://www.parlement.nl/doc/rec/docs/data/27030000.00a_oorsp._tekst_wijz._wet_belastingen_rechtsverkeer_en_natuurschoonwet_1928.html content-type: multipart/mixed; boundary="-951918841-0.63229456946-1285038768-" Date: Wed, 01 Mar 2000 14:54:01 +0100
Sender: Dick@nieuwsbank.nl
Message-Id: <2RLYRUCRQWMUG@nieuwsbank.nl>

content-type=text/plain; charset=iso-8859-1


27030000.00a oorsp. tekst wijz. wet belastingen rechtsverkeer en natuurschoonwet 1928 https://www.parlement.nl/doc/rec/docs/data/27030000.00a_oorsp._tekst_wijz._wet_belastingen_rechtsverkeer_en_natuurschoonwet_1928.html


27030000.00a oorsp. tekst wijz. wet belastingen rechtsverkeer en natuu rschoonwet 1928

Gemaakt: 1-3-2000 tijd: 13:23
RTF


9

TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL


2

Vergaderjaar 1999-2000


27 030

Wijziging van de Wet op belastingen van rechtsverkeer en de Natuurschoonwet 1928

A

OORSPRONKELIJKE TEKST VAN HET VOORSTEL VAN WET EN VAN DE MEMORIE VAN TOELICHTING ZOALS VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE EN VOORZOVER NADIEN GEWIJZIGD

De wijzigingen in het voorstel van wet en in de memorie van toelichting, die het gevolg zijn van vernummering van leden van artikelen, van mutaties in onderdeelaanduidingen en van correcties in de redactionele sfeer zijn in het onderstaande overzicht niet afzonderlijk opgenomen.

VOORSTEL VAN WET


1. Artikel I, onderdeel A

In artikel 4, eerste lid, waren de onderdelen a en b oorspronkelijk geletterd b onderscheidenlijk c.

Als onderdeel a van artikel 4, eerste lid, was oorspronkelijk opgenomen:

a. certificaatrechten en soortgelijke rechten ter zake van onroerende zaken;.

In artikel 4, vierde lid, werd oorspronkelijk gesproken over ``onmiddellijke en middellijke toerekening plaats van de bezittingen en schulden van het andere lichaam aan het lichaam'' in plaats van: naar evenredigheid van de onmiddellijke of middellijke deelneming in het andere lichaam, toerekening plaats van de bezittingen en schulden van het andere lichaam aan het lichaam.

In artikel 4, vijfde lid, onderdeel a, was het zinsdeel ``Deze rechten en de economische eigendom worden geacht een gerechtigdheid in het geplaatste kapitaal van het lichaam te vertegenwoordigen die overeenstemt met de gerechtigdheid die kan worden toegekend aan de aandelen waarop zij betrekking hebben;'' oorspronkelijk niet opgenomen.

In artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, werd oorspronkelijk gesproken over ``beperkte rechten op aandelen'' in plaats van: rechten waaraan aandelen zijn onderworpen.


2. Artikel I, onderdeel C.

De onderdelen 1, 2, 3, 4 en 5 waren oorspronkelijk genummerd 2 onderscheidenlijk 3, 4, 5 en 6.

Als onderdeel 1 was oorspronkelijk opgenomen:


1. In het eerste lid, onderdeel d, wordt «artikel 4, eerste lid, onderdeel a» vervangen door: artikel 4, eerste lid, onderdeel b.

Het eerste gedachtestreepje van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, onder 1°, luidde oorspronkelijk:


- ter zake van de inbreng de inbrenger gerechtigd wordt tot het vermogen van de vennootschap voor een bedrag dat ten minste gelijk is aan de waarde van het ingebrachte ondernemingsvermogen, dan wel, wanneer de inbrenger reeds gerechtigd is tot het vermogen van de vennootschap, zijn gerechtigdheid tot dat vermogen wordt uitgebreid met voormeld bedrag;.

In artikel 15, eerste lid, onderdeel e, onder 1°, was de slotalinea met de definitie van kapitaalrekening oorspronkelijk niet opgenomen.


3. Artikel II, onderdeel A

In onderdeel 4 is de aanpassing van onderdeel c toegevoegd.


4. Artikel II, onderdeel I

Artikel 8a, tweede lid, luidde oorspronkelijk:


2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder overdracht mede begrepen de overdracht van de economische eigendom. Onder economische eigendom wordt verstaan een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot een landgoed, dat een belang bij dat landgoed vertegenwoordigt. Het belang omvat ten minste enig risico van waardeverandering en tenietgaan en komt toe aan een ander dan de eigenaar.


5. Artikel III

Dit artikel luidde oorspronkelijk:

In artikel 17, vierde lid, van de Wet waardering onroerende zaken wordt «artikel 1, derde lid, onderdeel b» vervangen door: artikel 1, tweede lid, onderdeel b.


6. Artikel IV

Dit artikel luidde oorspronkelijk:

In artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet wordt «artikel 1, derde lid, onderdeel b» vervangen door: artikel 1, tweede lid, onderdeel b.


7. Artikel VI

In het negende lid, onderdeel b, is "het voorstel van wet houdende wijziging van belastingwetten c.a. (belastingplan 2000)" vervangen door: dit voorstel van wet.


8. Artikel VII

In het eerste lid werd oorspronkelijk gesproken over ``1 januari
2000'' in plaats van: de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

In het tweede lid werd oorspronkelijk gesproken over ``de datum van de koninklijke boodschap waarbij het voorstel van wet houdende wijziging van belastingwetten c.a. (belastingplan 2000) aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is gezonden'' in plaats van: 29 september 1999.

Het derde lid was oorspronkelijk niet opgenomen.

Het tot vijfde lid vernummerde vierde lid luidde oorspronkelijk:


4. In afwijking van het eerste lid treedt artikel II, onderdelen G, H, tweede volzin, I, J en L, in werking met ingang van 1 januari 2000, met dien verstande dat op verkrijgingen in de zin van de Successiewet
1956 die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2000, de Natuurschoonwet
1928 van toepassing is zoals die luidde op 31 december 1999.

MEMORIE VAN TOELICHTING

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE INLEIDING

In de eerste volzin van de eerste alinea waren de woorden ``de memorie van toelichting bij'' en de tussen ronde haken geplaatste woorden ``kamerstukken 1999/00, 26 820, nr. 3, blz. 30'' oorspronkelijk niet opgenomen.

In deze volzin werd oorspronkelijk gesproken over ``bestrijding van bepaalde vormen van belastingontwijking'' in plaats van: bestrijding van belastingontwijking.

De tweede alinea luidde oorspronkelijk:

De bedoelde maatregelen zijn opgenomen in het onderhavige voorstel van wet. Ook bevat het wetsvoorstel nog de correctie van enkele schoonheidsfoutjes in de Wet op belastingen van rechtsverkeer en technische aanpassingen in onder meer de Wet waardering onroerende zaken en de Gemeentewet die voortvloeien uit de wijzigingen in de Natuurschoonwet 1928. Daaraan zijn geen materiële gevolgen verbonden.

HOOFDSTUK 2. OVERDRACHTSBELASTING (WET OP BELASTINGEN VAN RECHTSVERKEER)


1. Paragraaf 2.1. Inleiding

In de eerste alinea ontbraken de tweede, derde en vierde volzin oorspronkelijk.


2. Onderdeel 2.2.1. Algemeen

In dit onderdeel ontbraken de laatste en voorlaatste alinea oorspronkelijk.


3. Onderdeel 2.2.2. Voorbeelden van constructies met artikel 4

In de zesde alinea waren de tussen ronde haken geplaatste woorden ``mogelijk zelfs een aanmerkelijk belang'' oorspronkelijk niet opgenomen.

De zevende alinea was oorspronkelijk niet opgenomen.


4. Onderdeel 2.3.2. Voorbeelden van oneigenlijk gebruik van de inbrengfaciliteit

In de laatste volzin van de laatste alinea waren de tussen aandachtstreepjes geplaatste woorden ``maar nu met (een) andere aandeelhouder(s)'' oorspronkelijk niet opgenomen.


5. Onderdeel 2.3.3. Aanpak van inbrengconstructies

In de derde alinea, tweede gedachtepunt, zijn tussen ronde haken de woorden ``bijschrijving op kapitaalrekening'' ingevoegd.


6. Paragraaf 2.5. Inwerkingtreding constructiebestrijding overdrachtsbelasting

De tweede alinea luidde oorspronkelijk:

Het wetsvoorstel voorziet in inwerkingtreding met ingang van 1 januari
2000 en voorziet erin dat de bepalingen uit het onderdeel reparatie overdrachtsbelasting waarmee de CV-constructies worden bestreden, terugwerken tot en met de datum van indiening van het voorstel van wet houdende wijziging van belastingwetten c.a. (belastingplan 2000) bij de Tweede Kamer. Bij de besluitvorming ter zake heeft een rol gespeeld dat het gebruik van zulke CV-constructies toeneemt, dat zij relatief eenvoudig zijn op te zetten vanwege het voornamelijk vormvrije karakter van de handelingen die ervoor nodig zijn en dat het bij deze constructies om relatief grote bedragen gaat. Bovendien is reeds diverse malen in antwoord op vragen dienaangaande uit de Kamer aangegeven dat deze constructies zouden worden bestreden. Onder deze omstandigheden is het verlenen van terugwerkende kracht aan de maatregelen die zijn gericht op het bestrijden van bedoelde constructies gerechtvaardigd. Hoewel ik van mening ben dat het nieuwe regime voor de vrijstelling bij inbreng zou moeten gelden voor iedere inbreng die plaatsheeft na de inwerkingtreding van deze bepalingen, dus de datum van indiening van het voorstel van wet houdende wijziging van belastingwetten c.a. (belastingplan 2000) bij de Tweede Kamer, heb ik aanleiding gevonden een voorziening te treffen in de vorm van een overgangsmaatregel voor inbrengen die plaatsvinden op grond van voor dat tijdstip bestaande obligatoire contracten. Voor deze eerbiedigende bepaling gelden dezelfde voorwaarden als welke golden ter zake van de overgangsmaatregel die destijds is getroffen bij de invoering van de verkrijging van de economische eigendom als belastbaar feit voor de overdrachtsbelasting. Zo rust de bewijslast op belanghebbende dat op dat tijdstip een schriftelijke overeenkomst tot inbreng tot stand was gekomen. Daarnaast geldt de eis dat de inbreng daadwerkelijk geëffectueerd is voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.

HOOFDSTUK 3. NATUURSCHOONWET 1928

Paragraaf 3.1. Uitbreiding van het begrip landgoed


1. De paragraaf luidde oorspronkelijk:

Voorgesteld wordt het bergip landgoed in de Natuurschoonwet 1928 uit te breiden. Deze uitbreiding strekt ertoe dat landgoederen niet meer noodzakelijkerwijs voor een gedeelte uit bos moeten bestaan maar dat een landgoed ook kan bestaan uit `natuurterreinen'. Het ligt niet in de bedoeling de voorgestelde uitbreiding van het begrip landgoed te laten doorwerken naar de onroerende-zaakbelastingen en de waterschapsomslagen. De wijze waarop dat wetstechnisch het beste vorm kan worden gegeven wordt nog bezien.


2. Paragraaf 3.2. Gezamenlijke rangschikking

De vierde alinea luidde oorspronkelijk:

Hoofdregel blijft dat een landgoed ten minste 5 hectare groot moet zijn. Het voorstel is om het rangschikken via een gezamenlijk verzoek slechts mogelijk te maken indien elk van de betrokken onroerende zaken ten minste 2,5 hectare groot is. De aanscherping van het regime bestaat er in dat voortaan elk van de onroerende zaken, onafhankelijk van elkaar, moet voldoen aan de voorwaarden die aan een landgoed worden gesteld. Een uitzondering wordt gemaakt voor de oppervlakte eis. Voorwaarde blijft dat de onroerende zaken aan elkaar grenzen. In tegenstelling tot het huidige recht worden beide onroerende zaken vervolgens niet aangemerkt als één landgoed, maar worden de onderscheidene onroerende zaken elk als een landgoed beschouwd. Het behoud van de status van landgoed blijft overigens wel afhankelijk van de kwalificatie van de onroerende zaak waarmee gezamenlijke rangschikking heeft plaatsgevonden.

In de vijfde alinea zijn de eerste en de laatste volzin toegevoegd.

HOOFDSTUK 4. BUDGETTAIRE EN PERSONELE EFFECTEN

De toelichting op dit hoofdstuk luidde oorspronkelijk:

De budgettaire effecten en de personele effecten van dit wetsvoorstel zijn meegenomen in het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het voorstel van wet houdende wijziging van belastingwetten c.a. (belastingplan 2000). Kortheidshalve verwijs ik daarnaar.

HOOFDSTUK 5. TOELICHTING OP DE ARTIKELEN

ARTIKEL I (WET OP BELASTINGEN VAN RECHTSVERKEER)


1. Artikel I, onderdeel A (artikel 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)

Overzicht artikel 4

Als tweede alinea was oorspronkelijk opgenomen:

Het eerste lid, onderdeel a, kwalificeert als onroerende zaken certificaatrechten en soortgelijke rechten ter zake van onroerende zaken.

Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (oorspronkelijke tekst)

Als toelichting op artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer was oorspronkelijk de volgende tekst opgenomen:

Dit artikel stelt certificaatrechten en soortgelijke rechten ter zake van onroerende zaken gelijk met onroerende zaken. De woorden `soortgelijke rechten' stellen buiten twijfel dat rechten die materieel met certificaatrechten zijn gelijk te stellen, maar niet als certificaatrechten worden aangeduid, onder de regeling voor certificaatrechten vallen.

Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer

De eerste alinea luidde oorspronkelijk:

Ten behoeve van de leesbaarheid is een nieuwe omschrijving opgenomen van de goederen die als onroerende zaken worden aangemerkt, mede geïnspireerd door overwegingen van wetgevingseconomie. Bovendien zijn voor de beoordeling van een onroerende-zaaklichaam vaste criteria in de WBR neergelegd; niet langer speelt de grootte van de verkrijging een rol bij die beoordeling.

De eerste volzin van de tweede alinea luidde oorspronkelijk:

De definitie van een onroerende-zaaklichaam houdt het volgende in.

In de tweede volzin van de tweede alinea was het woord ``mede'' oorspronkelijk niet opgenomen.

In de vijfde alinea werd oorspronkelijk gesproken over ``wordt het bestaande regime gehandhaafd'' in plaats van: is het oude regime gehandhaafd.

In de zevende alinea was de laatste volzin oorspronkelijk niet opgenomen.

Artikel 4, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer

Dit onderdeel van de toelichting luidde oorspronkelijk:

Met betrekking tot de met onroerende zaken gelijkgestelde aandelen in een onroerende-zaaklichaam trad in de tekst een «Droste-effect» Cacaobus met een afbeelding van een verpleegster die een dienblad draagt met daarop een cacaobus met een afbeelding van een verpleegster enz. op, omdat in de omschrijving de bezittingen van het lichaam van belang zijn en die bezittingen zelf ook weer uit dit soort aandelen kunnen bestaan. Dit effect is losgekoppeld uit de definitie van een onroerende-zaaklichaam en ondergebracht in het tweede lid van artikel
4 waarin wordt aangegeven dat voor de toepassing van artikel 4 onder onroerende zaken mede worden verstaan fictieve onroerende zaken (certificaatrechten, aandelen in onroerende-zaaklichamen en lidmaatschapsrechten), beperkte rechten op onroerende zaken of fictieve onroerende zaken, de economische eigendom van onroerende zaken of fictieve onroerende zaken, alsmede de economische eigendom van beperkte rechten op onroerende zaken of fictieve onroerende zaken.

Een gevolg van deze systematiek is dat fictieve onroerende zaken, beperkte rechten en economische eigendom meetellen bij de toetsing aan het bezits- en doelcriterium voor het bestaan van een onroerende-zaaklichaam. Een ander gevolg is dat certificaatrechten ook als fictieve onroerende zaken zijn te beschouwen wanneer de certificaatrechten betrekking hebben op andere fictieve onroerende zaken (bijvoorbeeld op andere certificaatrechten ter zake van onroerende zaken, op aandelen in onroerende-zaaklichamen of op lidmaatschapsrechten), op beperkte rechten dan wel op economische eigendom.

Artikel 4, derde lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer

Als vierde alinea was oorspronkelijk opgenomen:

Overigens is het zo dat deze bepaling ook betrekking heeft op de verkrijging van certificaten van aandelen, die voldoen aan de voorwaarden van BNB 1962/207, en op grond daarvan vereenzelvigd kunnen worden met de onderliggende aandelen.

De voorlaatste alinea was oorspronkelijk niet opgenomen.

Artikel 4, vijfde lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer

De tweede alinea was oorspronkelijk niet opgenomen.

Als eerste volzin van de tweede alinea was oorspronkelijk opgenomen:

Het vijfde lid, onderdeel a, bepaalt dat voor de toepassing van het derde en vierde lid, onder aandeelhouder mede wordt verstaan degene die, anders dan als pandhouder, rechthebbende is op rechten waaraan de in het derde lid bedoelde aandelen zijn onderworpen, alsmede degene die de economische eigendom van die aandelen heeft.

De voorlaatste en de laatste alinea waren oorspronkelijk niet opgenomen.

Als laatste alinea was oorspronkelijk opgenomen:

Een andere vorm van samenloop doet zich voor wanneer binnen de referentiegroep, de verkrijger daarbij meegerekend, de economische eigendom en de juridische eigendom van dezelfde aandelen bij verschillende personen berusten (alsook een beperkt recht zoals het vruchtgebruik en de blote eigendom van dezelfde aandelen). Alsdan is het redelijk om bij de bepaling van een aanmerkelijk belang slechts eenmaal met het belang in diezelfde aandelen rekening te houden. Onderdeel c bevat hiervoor een regeling.

Artikel 4, negende lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer

De toelichting op artikel 4, negende lid, was oorspronkelijk niet opgenomen.


2. Artikel I, onderdeel C.1 (artikel 15, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer) (oorspronkelijke versie)

Als toelichting op de wijziging in artikel 15, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer was oorspronkelijk de volgende tekst opgenomen:

Deze wijziging is een gevolg van de splitsing van onderdeel a van artikel 4, eerste lid, in een tweetal onderdelen a en b. De wijziging mist materiële betekenis.


3. Artikel I, onderdeel C.1 (artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)

In de tweede alinea waren de voorlaatste en de laatste volzin oorspronkelijk niet opgenomen.

Als eerste en tweede volzin van de tweede alinea waren oorspronkelijk opgenomen:

De tweede voorwaarde heeft betrekking op de oneigenlijke inbreng en op de deelgerechtigdheid in het vermogen van de vennootschap. De oneigenlijke inbreng wordt bestreden door de voorwaarde te stellen dat de inbrengende vennoot zijn gehele onderneming inbrengt en voor de volle waarde van zijn inbreng deelneemt in het vermogen van de vennootschap.


4. Artikel I, onderdelen C.2 en C.3 (artikel 15, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)

In de op twee na laatste alinea werd oorspronkelijk gesproken over ``verkrijger van ongebonden mede-eigendom'' in plaats van: verkrijger van rechten in vrije gemeenschap.

ARTIKEL II (NATUURSCHOONWET 1928)


1. Artikel II, onderdeel A.3 (artikel 1, tweede lid (oud), van de Natuurschoonwet 1928)

In de toelichting ontbrak de voorlaatste volzin.


2. Artikel II, onderdeel A.4 (artikel 1, tweede lid (nieuw), van de Natuurschoonwet 1928)

De toelichting luidde oorspronkelijk:

In het tot tweede lid vernummerde derde lid van artikel 1 is aangegeven dat een onroerende zaak moet voldoen aan een aantal voorwaarden om aangemerkt te kunnen worden als een landgoed. Doordat het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid (oud), zullen vervallen, gelden deze voorwaarden voortaan onverkort voor elk van de onroerende zaken waarvoor in samenhang om rangschikking als landgoed wordt verzocht. Tot nog toe werden de voorwaarden toegepast op het geheel van de gezamenlijk te rangschikken onroerende zaken. Eén van de voorwaarden waaraan een onroerende zaak moet voldoen om aangemerkt te kunnen worden als een landgoed is de oppervlakte van die zaak. In artikel 2 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 is aangegeven dat een onroerende zaak hiertoe in beginsel ten minste 5 hectare groot moet zijn. Thans kan ingeval van gezamenlijke rangschikking, waarbij beide onroerende zaken als geheel aan de voorwaarden worden getoetst, aan genoemd oppervlakte-vereiste veelal worden voldaan. Omdat voortaan elke onroerende zaak, ingeval van een gezamenlijk verzoek tot rangschikking, zelf aan de voorwaarden moet voldoen, zou dit voor onroerende zaken kleiner dan 5 hectare betekenen dat deze niet meer zouden kunnen kwalificeren als een landgoed via gezamenlijke rangschikking. Om dit effect te voorkomen is aan artikel
1, tweede lid (nieuw), onderdeel a, toegevoegd, dat voor wat betreft het voldoen aan de eisen die gesteld worden aan de oppervlakte, de onroerende zaak bezien mag worden in samenhang met de oppervlakte van één aangrenzende onroerende zaak. Wel zal voortaan iedere onroerende zaak, anders dan tot op heden het geval was, een bepaalde minimum oppervlakte moeten hebben. Dit zal nader worden uitgewerkt in het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928. Gedacht wordt aan een minimum oppervlakte van 2,5 hectare.

De aanpassing van onderdeel b houdt verband met de uitbreiding van het begrip landgoed met natuurterreinen, zoals is toegelicht in het algemene deel van deze memorie.

ARTIKEL III (WET WAARDERING ONROERENDE ZAKEN)

De laatste alinea is toegevoegd.

ARTIKEL IV (GEMEENTEWET)

De toelichting luidde oorspronkelijk:

De wijziging houdt verband met de vernummering van artikel 1, derde lid, van de Natuurschoonwet 1928 tot artikel 1, tweede lid, van de Natuurschoonwet 1928 per 1 januari 2000.

ARTIKEL VI (NATUURSCHOONWET, OVERGANGSRECHT GEZAMENLIJKE RANGSCHIKKING)

De tweede volzin van de tweede alinea luidde oorspronkelijk:

Tot dat tijdstip zijn, op grond van het tweede lid, in beginsel de artikelen 1, 3 en 4 van de Natuurschoonwet 1928 op deze landgoederen van toepassing zoals deze bepalingen luidden op 31 december 1999.

In de zevende volzin van de voorlaatste alinea stond oorspronkelijk "vóór 1 januari 2000" in plaats van: vóór de inwerkingtreding van deze wet.

De laatste alinea luidde oorspronkelijk:

Voorgesteld wordt daarom bij het afzien van de fiscale claims een uitzondering te maken voor het recht dat is geheven ter zake van schenkingen (waaronder het recht van overgang) van landgoederen die hebben plaatsgevonden na de datum waarop de voorgestelde maatregelen openbaar zijn geworden.

ARTIKEL VII (INWERKINGTREDING)

De tweede volzin van de eerste alinea luidde oorspronkelijk ``De wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2000.'' in plaats van: De wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

In de derde volzin van de eerste alinea werd oorspronkelijk gesproken over ``de datum waarop het voorstel van wet houdende wijziging van belastingwetten c.a. (belastingplan 2000) bij koninklijke boodschap aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aangeboden'' in plaats van:
29 september 1999.

In de eerste volzin van de tweede alinea werd oorspronkelijk gesproken over ``hoofdstuk 5'' in plaats van: paragraaf 2.5.

De derde alinea was oorspronkelijk niet opgenomen.

In de tweede volzin van de vierde alinea werd oorspronkelijk gesproken over ``de datum van indiening bij de Tweede Kamer van het voorstel van wet houdende wijziging van belastingwetten c.a. (belastingplan 2000)'' in plaats van: 29 september 1999.


1

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Amendement Rietkerk bevoegdheid bestuurlijke ophouding '




Lees ook