Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de Vaste Commissie

voor Buitenlandse Zaken van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

DEN HAAG
Directie Verenigde Naties

Afdeling Politieke en Veiligheidszaken

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 23 februari 1999
Kenmerk 99/DVN-PZ/008
Blad /9
Bijlage(n) -
Betreft Veiligheidsraad / Algemeen Overleg met de

Vaste Kamer Commissie voor Buitenlandse

Zaken d.d. 11 februari jl.

Zeer geachte Voorzitter,

Gaarne beantwoord ik als toegezegd hierbij de vragen die tijdens het Algemeen Overleg op 11 februari jl. door leden van Uw Commissie werden gesteld en die wegens tijdgebrek door mij niet tijdens dat overleg konden worden beantwoord.

Primaat Veiligheidsraad

Sommige leden van de Commissie waren van oordeel dat het primaat van de Veiligheidsraad op het terrein van vrede en veiligheid was ondermijnd, omdat de belangrijkste vraagstukken buiten de Veiligheidsraad zouden worden besproken. Ook de rol van de Secretaris-Generaal van de VN zou aan betekenis hebben ingeboet.

Het lijkt zinvol om hier in herinnering te roepen dat de discussie over de rol van de Veiligheidsraad een lange geschiedenis heeft. Het is ook evident dat die rol geen absoluut gegeven is, maar onder invloed staat van de feitelijke verhoudingen in de wereld. Zowel de Koude Oorlog als het einde daarvan hebben het functioneren van de Veiligheidsraad sterk beïnvloed. Ook thans functioneert de Raad niet in een vacuùm.

De kwestie Irak is een voorbeeld van het dilemma dat zich voordoet als consensus tussen de (permanente) leden van de Raad ontbreekt. Daar doet zich dan een keus tussen twee kwaden voor: handelen - op basis van VR-resoluties - zonderinstemming van alle vijf permanente leden (dus buiten de Veiligheidsraad om), óf niet handelen terwijl daarvoor naar Nederlandse mening bestaande resoluties wel rechtsgrond bieden. Met andere woorden: óf constateren dat binnen de Veiligheidsraad geen akkoord mogelijk is over een bepaalde aangelegenheid en op andere manier aan VR-resoluties trachten te voldoen, óf ten koste van alles naar consensus streven wat zou kunnen inhouden dat de Veiligheidsraad geen actie neemt op basis van bestaande VR-resoluties.

Overigens is dit dilemma niet nieuw. Ook in het verleden bleek consensus binnen de Raad niet altijd haalbaar, hetgeen in bepaalde gevallen leidde tot blokkades in besluitvorming en/of handelen buiten de Veiligheidsraad om.

De gebeurtenissen in Irak hebben natuurlijk hun weerslag gehad op de rol van de Secretaris-Generaal, maar ik ben van mening dat deze daardoor niet is verzwakt. Er wordt veel en goed werk verricht door de Secretaris-Generaal; niet alleen op gebieden die dagelijks in de pers breed worden uitgemeten. Ik noem als voorbeeld zijn rol in Afrika - voor de Nederlandse Regering een beleidsprioriteit - die hij vaak vervult door middel van stille diplomatie. Ook zijn activiteiten met betrekking tot Oost-Timor zouden in dit verband kunnen worden genoemd.

De heer Van Middelkoop sprak de vrees uit dat het extensiever gebruik door de Veiligheidsraad van zijn bevoegdheden en de toenemende betrokkenheid bij intrastatelijke conflicten, het soevereiniteitsbeginsel zouden kunnen aantasten.

Ik deel die vrees niet. Het is juist dat de Veiligheidsraad meer en meer betrokken is bij intrastatelijke conflicten, hetgeen zijn oorzaak vindt in de toename van dergelijke conflicten ten opzichte van interstatelijke conflicten. Ik acht zo'n betrokkenheid onder bepaalde omstandigheden ook gerechtvaardigd.

Het soevereiniteitsprincipe, dat duidelijk is omschreven in het Handvest van de VN (artikel 2, lid 4), is ook geen absoluut beginsel. Ernstige humanitaire rampen en ingrijpende schendingen van de mensenrechten kunnen aanleiding zijn om, op basis van Hoofdstuk VII van het Handvest, aan soevereiniteitsoverwegingen voorbij te gaan.

Nederlandse prioriteitstelling

De heer Hoekema vroeg om inzicht in de Nederlandse prioriteiten. Ik zou in dat verband willen verwijzen naar de brief aan de Kamer van 20 november 1998, waarin de Nederlandse prioriteiten voor het VR-lidmaatschap zijn vervat. In aanvulling daarop nog het volgende.

De agenda van de Veiligheidsraad wordt in sterke mate bepaald door de actualiteit. Hierbij wordt de Nederlandse bijdrage geleid door hogergenoemde prioriteiten,toegespitst op specifieke conflicthaarden en thema's. Daarnaast lenen de maandelijkse oriëntatiedebatten zich goed voor het uitdragen van de Nederlandse prioriteiten. In januari vond naar aanleiding van een briefing door de Emergency Relief Coordinator van het UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs een debat plaats over de rol van de Veiligheidsraad in humanitaire zaken. In februari organiseerde het Canadese VR-voorzitterschap een debat rond het thema bescherming van burgers in gewapend conflict.

Met de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking beraad ik mij op het thema dat Nederland tijdens zijn voorzitterschap van de Raad (september 1999) het meest vruchtbaar aan de orde zou kunnen stellen.

Overigens ben ik van oordeel dat het lidmaatschap van de Veiligheidsraad de verantwoordelijkheid met zich meebrengt om aan alle onderwerpen die op de agenda van de Veiligheidsraad zijn geplaatst, de nodige aandacht te besteden.

Rol VR-beleid bij discussie landenkeuze in OS-kader

De heer Verhagen vroeg welke rol het Nederlandse VR-beleid speelt bij de discussie over de landenkeuze in OS-kader.

Het Nederlandse VR-beleid behelst een aantal beleidsaccenten waarvan ik de Kamer bij brief van 20 november 1998 op de hoogte heb gesteld. Deze accenten leiden niet tot een selectie van landen waaraan Nederland wel of geen aandacht schenkt. Zoals hierboven vermeld, ben ik van oordeel dat het lidmaatschap van de Veiligheidsraad de verantwoordelijkheid met zich meebrengt om aan alle onderwerpen die op de agenda van de Veiligheidsraad zijn geplaatst, aandacht te besteden.

De discussie over de landenkeuze in OS-kader richt zich op het selecteren van landen voor het aangaan, c.q. bestendigen van structurele ontwikkelingssamenwerkingsrelaties op basis van sociaal-economische en bestuurlijke criteria. In die zin is het Nederlandse VR-beleid van een andere orde dan de discussie over de landenkeuze in OS-kader.

Gesteld kan worden dat indien landen, waarmee Nederland een structurele relatie onderhoudt, in de Veiligheidsraad aan de orde komen, de Nederlandse positionering mede vanuit die structurele relatie zal worden ingegeven.

Evenmin als het VR-beleid leent humanitaire hulp, inclusief eerste aanzetten tot rehabilitatie en vredesopbouw, zich voor concentratie op landen en moet wereldwijd kunnen worden ingezet. Met behulp van onder andere dat instrument kan Nederland in de Veiligheidsraad de voorgestane integrale benadering gestalte geven.

Brede integrale benadering

In antwoord op vragen van de leden Hoekema en Vos om binnen de door Nederland voorgestane brede, integrale benadering, specifieke aandacht aan mensenrechten te besteden, informeer ik u als volgt.

Voorop staat dat naleving en bescherming van de mensenrechten een zeer belangrijk onderdeel vormen van het Nederlands buitenlands beleid, hetgeen als zodanig wordt uitgedragen in bilaterale contacten en in multilaterale fora, waaronder de Veiligheidsraad.

Nederland zal dan ook in de Veiligheidsraad waar mogelijk het principale belang van naleving en bescherming van de mensenrechten onderstrepen. Daarbij moet tegelijkertijd worden gerealiseerd dat de Veiligheidsraad niet het primaire forum is waar mensenrechtenbeleid kan worden ontwikkeld. Daartegen bestaat in de praktijk vaak verzet van tenminste één Veiligheidsraadslid. De verwachtingen mogen terzake dan ook niet te hoog gespannen zijn.

Niettemin heeft Nederland reeds in de eerste maand van het lidmaatschap van de Veiligheidsraad bij diverse gelegenheden de aandacht kunnen vragen voor de noodzaak de rechten van de mens te respecteren. Voorbeelden zijn te vinden in de rapportage over de maand januari (brief van 1 februari jl.), maar ik noem er hier nog enkele. Onder andere met het oog op het volgen van de mensenrechtensituatie heeft Nederland handhaving van een minimale VN-presentie in Angola bepleit. Met betrekking tot Afghanistan werd de onder andere door Nederland gekoesterde bezorgdheid over discriminatie van meisjes en vrouwen en andere mensenrechtenschendingen overgenomen in een persverklaring van de Voorzitter van de Veiligheidsraad. Ook zijn mensenrechtenschendingen in Sierra Leone door Nederland scherp veroordeeld. Het streven blijft erop gericht deze zorg ook daadwerkelijk in het optreden van de Raad tot uiting te laten komen.

Ik merk ten slotte met betrekking tot dit onderwerp op dat de Mensenrechtencommissie het forum bij uitstek is voor de behandeling van mensenrechtenaangelegenheden in VN-verband. Tevens vormt het onderwerp een belangrijk deel van de agenda van de Derde Commissie van de AVVN. Het Nederlands beleid met betrekking tot de rechten van de mens wordt in beide fora krachtig uitgevoerd.

De heer Weisglas toonde zich bezorgd dat Nederland door een te zwaar accent op wat hij noemde de "zachte sector" de aandacht voor de harde veiligheid uit het oog zou verliezen. De heer Van Middelkoop voegde daaraan toe dat Nederland die harde veiligheid niet aan de P-5 moet overlaten.

Naar mijn mening is er geen sprake van een tegenstelling waarbij het één ten koste van het andere zou gaan.

Als met zachte sector worden bedoeld humanitaire aspecten verbonden aan vredeshandhaving en conflictoplossing, dan moet duidelijk zijn dat het één juist met het andere samengaat: vrede kan niet worden gehandhaafd en conflicten kunnen niet worden opgelost als het menselijk lijden voortduurt. Ik zal dan ook onverkort aandacht blijven schenken aan humanitaire aspecten van vredeshandhaving en conflictoplossing.

In dit verband geef ik ook antwoord op de vraag van de heer Verhagen hoe in de praktijk invulling kan worden gegeven aan de door Nederland bepleite speciale aandacht voor de sociaal-economische situatie in Georgië.

Nederland verleent macro-economische steun aan Georgië. In 1997 bedroeg deze steun fl. 8 miljoen; in 1998 fl. 16 miljoen (fl. 8 miljoen extra in verband met de effecten van de Russische crisis op de Georgische economie). Daarnaast wordt humanitaire hulp verleend, met name ten behoeve van ontheemden ten gevolge van het Abchazië-conflict, alsmede voor ontheemden uit Zuid-Ossetië. Ook wordt hulp geboden aan de bevolking die is achtergebleven, dan wel is teruggekeerd naar deze gebieden. Daar waar ontheemden worden opgevangen, wordt tevens aandacht geschonken aan de implicaties voor de lokale bevolking. Deze humanitaire hulp bestaat onder andere uit onderdakprogramma's voor ontheemden, basis gezondheidszorgvoorzieningen en micro-inkomen genererende projecten.

Daarnaast wordt een aantal andere projecten uitgevoerd, onder andere op het gebied van milieu, wetgeving (ondersteuning bij de implementatie van het nieuw Burgerlijk Wetboek) en volksgezondheid ('twinning' ziektekostenverzekeraars).

Dit bilaterale programma, en de Nederlandse betrokkenheid uit hoofde van zijn Wereldbank bewindvoerderschap, maakt dat Nederland in de Raad des te geloofwaardiger kan opkomen voor een benadering die rekening houdt met de sociaal-economische situatie in Georgië.

Sancties

Naar aanleiding van de vraag van de leden Koenders, Hoekema en Verhagen naar de mogelijkheden van zogenaamde "smart" sancties, kan het volgende worden opgemerkt .

Zoals in de brief van 20 november 1998 is aangegeven, is Nederland voorstander van sanctieregimes die meer zijn toegesneden op de specifieke situatie. Negatieve humanitaire neveneffecten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. In dit verband is het verheugend dat de Veiligheidsraad in januari jl. een "Note by thePresident of the Security Council on the Work of the Sanctions Committees" heeft vastgesteld, waarin o.a. een aantal praktische voorstellen wordt gedaan ter beperking van humanitaire neveneffecten.

Overigens vindt al enige jaren binnen en buiten de VN een discussie plaats over de mogelijkheden van meer doelgerichte sancties, die vooral de machthebbers wier beleid men wil beïnvloeden, zouden moeten treffen en die de burgerbevolking sparen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan reisbeperkingen voor de betrokken leiders en hun naaste familieleden, maar vooral aan financiële sancties, als alternatief voor een alomvattend handelsembargo. In dit verband zij vermeld dat vorig jaar op initiatief van de Zwitserse regering een seminar plaatsvond over mogelijkheden tot gerichte financiële sancties : voorlopige conclusie is dat deze sancties in theorie een goed alternatief zou kunnen bieden aan een totaal handelsembargo maar in de praktijk de nodige problemen oproepen. Dit jaar zal een vervolgseminar plaatsvinden. Evenals vorig jaar zullen ook Nederlandse deskundigen hieraan deelnemen.

Afrika

De heer Koenders toonde zich bezorgd over de afnemende betrokkenheid van de VN bij Afrika en vroeg een verklaring voor de daling in het aantal militaire waarnemers in Sierra Leone. Wat betreft de conflicthaarden in Afrika, bepleitte hij voorts een rol voor de betrokken internationale bedrijven. Daarover het volgende.

De agenda van de Veiligheidsraad bestaat voor circa 60% uit onderwerpen die Afrika betreffen. Afrika krijgt dus zeer veel aandacht van de Raad.

De daling van het aantal militaire waarnemers in Sierra Leone heeft te maken met het feit dat door het oplaaien van geweld de veiligheid van de UNOMSIL-waarnemers te zeer in gevaar kwam. Zoals ook vermeld in mijn brief van 1 februari jl. verblijft overigens een aantal waarnemers thans in Conakry (Guinee). Zodra de omstandigheden dat toelaten zullen deze waarnemers terugkeren naar Sierra Leone.

Naar aanleiding van de suggestie van de heer Koenders ook internationale bedrijven te betrekken bij de Afrika-agenda van de Raad, zou ik willen opmerken dat, gelet op de spelregels waaraan de Raad gebonden is, en in aanmerking nemende dat zelfs niet-gouvernementele organisaties niet bij de werkzaamheden van de Raad worden betrokken, de suggestie van de heer Koenders "een brug te ver" is.

Koerdenvraagstuk

De heer Koenders heeft bepleit het Koerdische vraagstuk in de EU en de VN aan de orde te stellen. Ik laat de al langer bestaande betrokkenheid van de EU met dit vraagstuk in de betrekkingen met Turkije in dit verband buiten beschouwing, ook omdat de recente gebeurtenissen rond de arrestatie van Òcalan aan dit vraagstuk een aparte Europese dimensie geven, waarover de Kamer reeds is ingelicht.

Het aan de orde stellen van de Koerdenkwestie als zodanig in de Veiligheidsraad, zoals de heer Koenders oppert, is naar mijn mening weinig kansrijk. Om te beginnen is de Koerden-kwestie een veelsoortig begrip, met politieke, sociale en culturele aspecten. Groeperingen van Koerden leven in meerdere landen en streven uiteenlopende doelstellingen na.

Uitgangspunt van enige discussie over de Koerdische kwestie, is dat het hierbij om de positie van en het respect voor de rechten en de identiteit van nationale minderheden gaat, binnen de bestaande grenzen in de regio. De VR acht zich in de regel in dit soort kwesties slechts competent, voorzover er sprake is van een humanitaire noodsituatie van een minderheid in een staat. Zo heeft de Raad, zoals bekend, naar aanleiding van het brute optreden van Saddam Hoessein tegen de Koerdische bevolkingsgroep in Noord-Irak, onderdrukking van de burgerbevolking veroordeeld en op grond van de humanitaire noodsituatie de internationale gemeenschap opgeroepen bij te dragen aan humanitaire hulpinspanningen (resolutie 688). Dat is een welkome ontwikkeling die Nederland ten volle steunt.

Voor de bredere mensenrechtendimensie van dit vraagstuk zijn, zoals ook hierboven al aangegeven, andere fora binnen de VN (de Mensenrechtencommissie of de Derde Commissie van de Algemene Vergadering) of buiten de VN (zoals de Raad van Europa) echter meer geëigend.

EU-coòrdinatie

Met betrekking tot de door de leden Hoekema, Weisglas en Verhagen bepleite nauwe samenwerking met EU-partners, merk ik het volgende op.

Nederland is uiteraard voorstander van samenwerking met EU-partners op GBVB-gebied. Gedurende het Nederlandse lidmaatschap van de Veiligheidsraad zullen partners op de hoogte worden gehouden van Veiligheidsraad-activiteiten, conform de verplichtingen die in het Verdrag van Amsterdam aan de lidstaten worden opgelegd, alsmede in het kader van de transparantie. Dit geschiedt in New York tijdens het wekelijkse overleg op Ambassadeurs-niveau, alsmede in Den Haagtijdens maandelijkse briefings voor de EU-partners. Ook op minder formele manier wordt regelmatig contact onderhouden met de lidstaten.

Er is echter een beperking. Nederland wil eigen standpunten in de Veiligheidsraad innemen die enerzijds wel passen binnen de brede beleidskaders van het GBVB, doch die anderzijds de Nederlandse invalshoek en wijze van opereren gestand doen.

Nederland moet zich niet te zeer laten opsluiten in gemeenschappelijke zienswijzen.

Regionale organisaties

In antwoord op de vraag van de heer Koenders wat de visie van de Nederlandse Regering is op de relatie van de Veiligheidsraad met regionale organisaties, kan ik U laten weten dat de Nederlandse Regering zich op het standpunt stelt dat waar mogelijk (sub-) regionale organisaties betrokken dienen te worden bij vredeshandhaving en conflictpreventie, mede vanuit de gedachte "Afrikaanse oplossingen voor Afrikaanse problemen". Dat ontslaat evenwel de Veiligheidsraad niet van haar verantwoordelijkheden op dat gebied.

Een duidelijk voorbeeld van het bovenstaande is de rol die de "ECOWAS Monitoring Group" (ECOMOG) speelt in Sierra Leone. Het mandaat van ECOMOG is geliëerd aan dat van de VN Vredesoperatie UNOMSIL. Ook worden ECOMOG-troepen via een VN-Trustfund gefinancierd.

Hervormingen VR

Op de vraag van de heer Hoekema of binnen de Veiligheidsraad ook wordt gesproken over hervormingen van de VR, kan ik vermelden dat voor discussies terzake een speciale werkgroep van de Algemene Vergadering in het leven is geroepen, te weten de "Open-ended working group on the question of equitable representation on and increase in the membership of the Security Council and other matters related to the Security Council". Er is nog geen zicht op consensus. Voor de huidige patstelling zal naar verwachting de komende jaren geen oplossing kunnen worden gevonden.

Nederland is op zich voorstander van een meer representatieve Veiligheidsraad die recht doet aan de gewijzigde internationale context. Dit mag uiteraard niet ten koste gaan van de effectiviteit. Nederland steunt daarom uitbreiding van de Veiligheidsraad met nieuwe permanente leden, waaronder Duitsland en Japan, en - al dan niet roulerend - een aantal ontwikkelingslanden. Voorts zou de Raad met een aantal niet-permanente leden kunnen worden uitgebreid. Het aantal leden van deVeiligheidsraad zou echter naar mijn mening de "lower twenties" niet mogen overschrijden.

De Minister van Buitenlandse Zaken

Deel: ' Antwoord commissievragen primaat Veiligheidsraad '




Lees ook