Tweede Kamer der Staten Generaal

aanh9900.246 pleidooi voor een grotere handelsvoorraad
Gemaakt: 10-1-2000 tijd: 11:2

2

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

4 januari 2000

In antwoord op uw brief van 12 november 1999, deel ik u, mede namens mijn ambtgenoot van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mee dat de vragen van het lid van uw Kamer Van de Camp inzake een pleidooi voor een grotere handelsvoorraad softdrugs, worden beantwoord zoals aangegeven in de bijlage bij deze brief.

Bijgesloten zijn voldoende kopieën van het antwoord ten behoeve van de vragensteller en de afdeling Voorlichting van uw Kamer

De Staatssecretaris Justitie,

Antwoorden van de Staatssecretaris van Justitie op de Kamervragen van het lid Van de Camp inzake een pleidooi voor een grotere handelsvoorraad softdrugs, (ingezonden 11 november 1999,

nr. 2990002630)

1.

Ja.

2.

Zoals ook vermeld in het persbericht uitgegeven door het openbaar

ministerie Arnhem, de politie en de gemeente Nijmegen, staat de

normstelling in de richtlijn van het College van procureurs-generaal (500 gram handelsvoorraad) niet ter discussie, maar willen de fungerend hoofdofficier van justitie te Arnhem en de burgemeester van Nijmegen in januari 2000 nader overleggen over de problemen die zich in de praktijk voordoen met betrekking tot de handhaving van deze norm. De fungerend hoofdofficier van justitie heeft zich in dit kader bereid verklaard om, indien zou blijken dat in Nijmegen een onaanvaardbaar en onevenredig groter veiligheidsrisico zou bestaan bij het meermalen per dag transporteren van softdrugs naar de coffeeshops dan elders in Nederland, een voorstel tot wijziging van dit beleid voor te leggen aan het College van procureurs-generaal. Indien het College van mening is dat wijziging van het bestaande beleid geïndiceerd is, zal het College dit aan mij voorleggen.

3.

Zoals eveneens blijkt uit het antwoord op vraag 2, is er geen sprake van het niet naleven van de bestaande gedoogcriteria door de (hoofd)officier van justitie te Arnhem.

4 en 5.

Er is in casu geen sprake van oprekking van het gedoogbeleid. Het nadenken over wat er mogelijkerwijs zou kunnen gebeuren indien er sprake zou zijn van een oprekking van het gedoogbeleid en waar dit toe zou kunnen leiden is naar mijn mening op dit moment een minder zinvolle theoretische exercitie. Zoals bekend verondersteld mag worden, wordt er op mijn ministerie momenteel gewerkt aan een nota waarin de problematiek van de achterdeur van de coffeeshop en daar aan verwante onderwerpen aan de orde zullen komen. Deze nota zal duidelijkheid geven over het kabinetsbeleid inzake deze problematiek.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Antwoord Justitie op vragen over handelsvoorraad softdrugs '




Lees ook