Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken

van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's-Gravenhage
Directie Sub-Sahara Afrika

Afdeling Midden- en Oost-Afrika

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 10 februari 1999
Kenmerk 177/99
Blad 1/1
Bijlage(n) 2
Betreft Antwoord op vragen van de Vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken over de Amerikaanse militaire acties in Afghanistan en Soedan (26131, nr. 1)

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar het schrijven d.d. 18 januari 1999, kenmerk
26131, nr. 1, waarbij mij toegingen de door de Vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken bij u ingediende vragen, heb ik de eer u als bijlage dezes mijn antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken

Vraag 1

Is er in het internationale recht enigerlei legitimatie te vinden voor de Amerikaanse militaire acties in Afghanistan en Soedan? Kan de regering in haar antwoord het leerstuk van de benodigde waarschuwing voor een actie ter zelfverdediging betrekken?

Vraag 2

Wat is het oordeel van de regering met betrekking tot de internationale rechtsbasis in beide acties en welke lacunes bestaan er internationaalrechtelijk bij de effectieve bestrijding van terrorisme?

Antwoord:

Het Handvest van de Verenigde Naties erkent, naast het geweldverbod van artikel 2 lid 4, het inherente recht van individuele of collectieve zelfverdediging in geval van een gewapende aanval (artikel
51). De Amerikaanse regering heeft, zoals bleek uit de brief aan de Kamer van 21 augustus 1998, zich beroepen op dat recht op zelfverdediging, met name in het licht van concrete aanwijzingen voor nieuwe terroristische aanslagen, waar Amerikaanse onderdanen het slachtoffer van zouden kunnen worden. Gezien de omvang van de eerdere aanval en de reële dreiging van nieuwe aanvallen, is het beroep van de VS op het inherente recht op zelfverdediging onder het huidige internationale recht zeker verdedigbaar.

De internationaalrechtelijke lacunes in de effectieve bestrijding van terrorisme zijn gelegen in het feit dat er geen eenduidige alomvattende definitie van terrorisme bestaat. Er bestaan diverse verdragen die aspecten van terrorisme behandelen en er zijn nog steeds nieuwe instrumenten op dat terrein in ontwikkeling. In die verdragen is veelal het beginsel neergelegd, dat zodra een staat een verdachte van een dergelijk misdrijf binnen zijn jurisdictie aantreft, deze gehouden is de verdachte ofwel te berechten ofwel ter berechting uit te leveren aan een ander land. Dit mechanisme van universele jurisdictie blijkt in de praktijk echter gebrekkig te functioneren. Dergelijke personen zoeken veelal hun toevlucht in landen die sympathiek staan tegenover de doeleinden die door hen worden nagestreefd.

Vraag 3

Kan de regering aangeven waarom zij zonder nadere informatie toch direct overtuigd was dat de VS over voldoende reden en bewijs beschikten om tot de bedoelde acties over te gaan?

Antwoord

De bestrijding van internationaal terrorisme is een zaak waaraan de regering prioritaire aandacht geeft. Effectiviteit van het beleid dienaangaand vereist nauwe samenwerking, onderling vertrouwen en duidelijke wederzijdse politieke steun tussen de landen waarmee Nederland op dit terrein samenwerkt. Nederland werkt op dit gebied, als bekend, thans nauw samen met andere landen: in de Europese Unie met de Europese partners en voorts met de Verenigde Staten. Steun voor het optreden van zo'n partner is dan ook in belangrijke mate gebaseerd op dat onderlinge vertrouwen.

Vraag 4

Zijn de bewijzen over VX-produktie in Soedan als hard te kwalificeren? Zijn monsters beschikbaar? Hoe beoordeelt de regering de Soedanese claim dat de installatie medicijnen produceerde (voor Irak)?

Antwoord

De Verenigde Staten beschikt over een bodemmonster genomen op het terrein van de El Shifa fabriek. Verscheidene laboratoriumproeven met dit monster wijzen op de aanwezigheid van EMPTA. Deze stof is een directe voorloper van het zenuwgas VX en komt voor op de Stoffenlijst
2 van het Chemische Wapens Verdrag. De Soedanese claim dat de fabriek medicijnen produceerde, is op zich juist, maar sluit niet uit dat deze daarnaast werd gebruikt voor de produktie van VX.

De Nederlandse vertegenwoordiger ter plekke heeft de dag na de aanval geconstateerd dat er een groot aantal medicijnen in de fabriek aanwezig was. Ook kan worden bevestigd dat de VN in het kader van het "Food for Oil" programma een contract had afgesloten met El Shifa voor levering van medicijnen aan Irak.

Vraag 5

Kan de regering aangeven over welke concrete aanwijzingen zij beschikt op grond waarvan zij van mening is dat de VS overtuigende bewijzen heeft van de betrokkenheid van Bin-Laden's netwerk bij recente en voorgenomen terroristische aanslagen?

Antwoord

In zijn televisie-toespraak zei President Clinton, zoals in mijn brief van 21 augustus vermeld, te beschikken over overtuigend bewijs van voornemens van Bin- Laden's netwerk meer terroristische acties uit te voeren. Dit kwam ook naar voren uit de boodschap die de regering in de avond van de actie ontving van de VS. Voorts is door vertegenwoordigers van de Amerikaanse regering, in briefings en anderszins, nadere informatie verschaft. (Ter illustratie is de uitgebreidepersbriefing van het State Departement van 21 augustus 1998 bijgevoegd.) Deze informatie sterkte de regering in de visie dat de Verenigde Staten over voldoende reden en bewijs beschikte om tot de bedoelde acties over te gaan.

Vraag 6

Hoe beoordeelt de regering het feit dat slechts enkele bondgenoten tevoren door de VS zijn ingelicht?

Antwoord

De effectiviteit en veiligheid van een militaire operatie als die welke door de Verenigde Staten tegen Bin Laden's netwerk werd uitgevoerd, is direct afhankelijk van de vertrouwelijkheid van de planning en uitvoering ervan. Het tevoren delen van informatie over een dergelijke operatie moet daarom beperkt worden tot de kring van diegenen die voor het welslagen van de operatie en daarmee samenhangende stappen onmisbaar zijn. Tegen die achtergrond heeft de regering er begrip voor dat de Verenigde Staten slechts enkele bondgenoten vooraf over de voorgenomen operatie heeft ingelicht. De regering stelt het evenwel op prijs dat de Verenigde Staten haar in de avond van de actie heeft geïnformeerd en na de operatie ruime informatie over de achtergrond van de operatie openbaar heeft gemaakt.

Vraag 7

Hoe taxeert de regering de internationale reactie op de Amerikaanse acties, met name in de VN-Veiligheidsraad?

Antwoord

De Amerikaanse acties zijn kort aan de orde gekomen binnen de Veiligheidsraad. Door Bahrein werd een ontwerpresolutie voorgesteld inzake een VR-onderzoek naar de gebombardeerde fabriek El Shifa. Het voorstel werd uiteindelijk niet in stemming gebracht.

Verder bracht de Soedanese PV verschillende malen studies onder de aandacht van de VR, waarin geconcludeerd zou worden dat de Amerikaanse raketaanval gebaseerd was op onvoldoende bewijs dat er daadwerkelijk chemische wapens geproduceerd werden in de El Shifa fabriek.

Vanuit de regio is tamelijk lauw gereageerd, waarbij met name de rechtsbasis voor de aanval werd bekritiseerd. Uitzonderingen hierop vormden Libië en Irak.

Vraag 8

Wat is het oordeel van de regering over de effectiviteit van (eenzijdige) militaire acties en precedentwerking in de "oorlog tegen terrorisme"?

Antwoord

Een eenduidig oordeel over de effectiviteit van militaire acties tegen terroristische organisaties en de precedentswerking daarvan is niet goed te geven. Wanneer langs diplomatieke of andere vreedzame weg geen halt kan worden toegeroepen aan een groep of individu door wie aanslagen worden beraamd, kan een militaire actie bijdragen aan het feitelijk vertragen of voorkomen van zulke aanslagen. Niets doen, ook in gevallen waarin over informatie wordt beschikt dat mogelijk levens worden bedreigd maar diplomatieke of andere vreedzame middelen geen soelaas bieden, is in elk geval niet verdedigbaar.

Vraag 9

Wat is het beleid van Nederland en de EU (en de resultaten daarvan) ten aanzien van landen waarvan vermoed wordt dat ze als thuisbasis van terroristische groepen fungeren?

Antwoord

Naast de diplomatieke druk die door de EU landen wordt uitgeoefend op landen waarvan gegrond het vermoeden bestaat dat deze op enigerlei wijze steun verlenen aan terroristische groeperingen, kunnen in EU kader concrete maatregelen getroffen worden. Zo is binnen de EU een inlichtingennetwerk opgezet om visumaanvragen van onderdanen van bepaalde landen af te wijzen indien er aanwijzingen zijn dat de aanvrager inlichtingen- of veiligheidsactiviteiten t.b.v. de betreffende regering verricht. Ook kunnen lijsten van uitgewezen personen uit bepaalde landen uitgewisseld worden. Deze maatregelen zijn effectief gebleken. Voorts heeft de EU in 1997 een programma opgezet om de Palestijnse Autoriteit via trainingen en materiaal te ondersteunen in de strijd tegen het terrorisme. De uitvoering van dit programma verloopt naar tevredenheid.

Vraag 10

Zijn er terreur-organisaties die Nederland gebruiken als uitvalsbasis voor terroristische activiteiten? Zo ja, welke maatregelen neemt de regering tegen deze terreurorganisaties?

Antwoord

Voor een overzicht van groeperingen die in Nederland terroristische of andere politiek gewelddadige activiteiten ontplooien, wordt verwezen naar het BVD jaarverslag over 1997. De Kamercommissie voor Inlichtingen en Veiligheidsdiensten wordt voorts regelmatig ingelicht over operationele aspecten en de in dit opzicht getroffenmaatregelen.

Vraag 11

In hoeverre en op welke wijze werkt de Nederlandse regering samen met de Amerikaanse regering bij de bestrijding van deze terreurorganisaties?

Antwoord

De bilaterale samenwerking tussen Nederland en de VS op het gebied van de terrorismebestrijding concentreert zich op praktische samenwerking en informatie- uitwisseling tussen de veiligheidsdiensten. Deze samenwerking verloopt naar wederzijdse tevredenheid. De beleidsmatige samenwerking vindt voornamelijk plaats in multilateraal kader (zie antwoord op vraag 12). Uiteraard deelt de regering met de VS alle informatie die bij kan dragen aan het voorkomen van terroristische aanslagen.

Vraag 12

Kan de regering aangeven waaruit de samenwerking van de EU met de Verenigde Staten in de strijd tegen het terrorisme, waarvan sprake is in de brief, precies bestaat?

Antwoord

Eens per half jaar vindt afstemming plaats tussen de EU en de VS in het kader van de EU Werkgroep Terrorisme. Tijdens die bijeenkomst wordt informatie uitgewisseld over ontwikkelingen en trends in het internationaal terrorisme. Tevens worden eventuele knelpunten geïdentificeerd in de onderlinge samenwerking. Daarnaast worden regelmatig seminars over specifieke onderwerpen gehouden (zoals financiering van terrorisme) waaraan de VS deelneemt. Dankzij constructieve samenwerking tussen EU-VS kon in 1997 in recordtempo het VN-Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen tot stand komen. Thans worden onderhandelingen gevoerd over een ontwerp VN-verdrag inzake nucleair terrorisme. Voorts worden door de EU en de VS voorbereidingen getroffen voor het spoedig tot standkomen van een VN verdrag inzake de bestrijding van de financiering van terrorisme. De VS en de EU zetten zich gezamenlijk in voor universele ondertekening van de 11 VN-terrorismeverdragen als belangrijkste instrumenten voor terrorismebestrijding en voor verbetering van het internationaal juridisch instrumentarium.

Vraag 13

Bestaat het voornemen bij de EU om met de VS in het kader van de transatlantische dialoog over een sluitende aanpak van internationaal terrorisme te overleggen?

Antwoord

In het kader van de transatlantische dialoog vormt de bestrijding van het internationaal terrorisme reeds geruime tijd een centraal onderwerp.

De bestrijding van terrorisme komt overigens ook in andere fora, zoals de G-8, aan de orde. De inzet daarbij is vooral een zo effectief mogelijke aanpak; een "sluitende" aanpak is, gegeven de aard van dit fenomeen, waarschijnlijk een illusie.

Vraag 14

Welke rol is bij de bestrijding van internationaal terrorisme weggelegd voor de Veiligheidsraad?

Antwoord

De Veiligheidsraad is bevoegd, op grond van Hoofdstuk VII van het VN Handvest, op te treden indien er sprake is van een bedreiging van de vrede, inbreuk op de vrede of daad van agressie.

Terrorisme, daarentegen, is een term die in het Handvest niet is gedefinieerd.

Mocht de Veiligheidsraad vaststellen dat een bepaalde (terroristische) actie of situatie een bedreiging of schending van de vrede betekent, dan is de Veiligheidsraad op die grond bevoegd op te treden conform Hoofdstuk VII.

Vraag 15

Hoe beoordeelt de regering de verantwoordelijkheid van de regeringen van Soedan en Afghanistan bij de bevordering van terrorisme en welke gevolgen heeft dit oordeel voor de verhoudingen van Nederland met deze landen?

Antwoord

De beschuldiging dat de Soedanese regering terrorisme "tolereert" is feitelijk de basis van de VN-resoluties 1054 en 1070. Het blijkt ook dat door middel van verstrekking van paspoorten en andere faciliteiten leden van terroristische organisaties bewegingsvrijheid in Soedan wordt geboden. Soedan heeft geen gevolg gegeven aan de genoemde VN-resoluties. Sedert 1994 behoort Soedan tot de zgn. conflictlanden, waarmee Nederland geen reguliere samenwerkingsrelatie onderhoudt. Als gevolg hiervan is de omvang van de Ambassade in Khartoum teruggebracht en wordt Nederland in Khartoum vertegenwoordigd op het niveau van Tijdelijk Zaakgelastigde.

Sedert de Sovjet-inval in Afghanistan op 27 december 1979 werden de diplomatieke betrekkingen met Afghanistan niet gecontinueerd.

De zetel van Afghanistan in de Algemene Vergadering van deVerenigde Naties is nog in handen van de in 1996 door de Taliban verdreven president Rabbani. De Taliban, die slechts door Pakistan, de Verenigde Arabische Emiraten en Saudi-Arabië als legitieme regering van Afghanistan worden erkend, beheersen thans het grootste gedeelte van het land, waaronder het deel waarop de Amerikaanse acties waren gericht.

Nederland heeft laatstelijk in het Gemeenschappelijk Standpunt met betrekking tot Afghanistan in EU-verband terrorisme in alle vormen mede veroordeeld, de Afghaanse autoriteiten opgeroepen af te zien van iedere vorm van steun aan terroristische activiteiten en hen dringend verzocht opleidingskampen voor buitenlandse terroristen te sluiten en noodzakelijke stappen te nemen ter berechting van de voor terroristische daden verantwoordelijke personen.

Vraag 16

Wat kan de rol van het Chemische Wapens Verdrag zijn in de strijd tegen de produktie en het gebruik van chemische/farmaceutische wapens en welke maatregelen zijn in dat kader met betrekking tot de chemische/farmaceutische fabriek in Khartoem genomen? Kan de regering de Kamer in kennis stellen van de nadere informatie die de minister van Buitenlandse Zaken nog van Amerikaanse zijde ontvangt?

Antwoord

Het Chemische Wapens Verdrag verbiedt naast de produktie en het gebruik van chemische wapens ook de ontwikkeling, de verwerving en de opslag van dergelijke wapens. Het is thans niet mogelijk eventuele maatregelen te nemen tegen de betreffende faciliteit omdat Soedan geen partij is bij het Chemische Wapens Verdrag.

Van de Amerikaanse autoriteiten is tot op heden geen nadere relevante informatie terzake ontvangen.

Vraag 17

Welke argumenten geven Soedan en Afghanistan om geen partij te worden bij het Chemische Wapens Verdrag (CWV) en hoe schat de regering de mogelijkheden in dat deze landen alsnog partij worden?

Antwoord

De Soedanese autoriteiten hebben een technische commissie ingesteld die alle aspecten van de ondertekening nog bestudeerd. Thans is geen verdere informatie beschikbaar.

Over de Afghaanse beweegreden om geen partij te worden bij het Verdrag bestaat geen duidelijkheid. De situatie in Afghanistan, toegelicht in het antwoord op vraag 15, is hieraan debet.

Deel: ' Antwoord kamervragen acties VS in Afghanistan en Soedan '




Lees ook