MINISTERIE FIN

https://www.minfin.nl

MIN FIN: BELASTING OP ONKOSTENVERGOEDING

PERSBERICHTNR. 00/47 Den Haag 29 februari 2000

ANTWOORDEN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN OP VRAGEN VAN HET

TWEEDEKAMERLID VAN DER HOEVEN OVER BELASTING OP ONKOSTENVERGOEDING

VAN LEDEN VAN GEMEENTERADEN EN PROVINCIALE STATEN

VRAGEN:


1.

Is het waar dat de vaste onkostenvergoeding van gemeenteraadsleden, wethouders, burgemeester en leden van de Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten in de toekomst belast zal gaan worden?


2.

Zo ja, waarom is hiertoe besloten? Welk overleg heeft hierover plaatsgevonden? Wanneer zal deze regel ingaan?


3.

Wat zijn de financiële consequenties van deze maatregel voor de betrokken politici? Bent u op de hoogte van eerder onderzoek waaruit blijkt dat de huidige onkostenvergoeding van lokale en regionale politici reeds onvoldoende is om de feitelijk gemaakte onkosten te dekken?


4.

Deelt u de mening dat van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten dat .de rechtspositie van gemeenteraadsleden toch al niet erg best is en het steeds moeilijker wordt om burgers te bewegen tijd en geld in te leveren voor de lokale democratie.?


5.

Is het waar dat er gewerkt wordt aan een nieuw vergoedingsstelsel? Zo ja, wanneer zal dat ingaan? Kunt u garanderen dat de maatregel ten aanzien van het belasten van de onkostenvergoeding niet zal ingaan voor een nieuw vergoedingsstelsel van kracht is?


6.

Wordt bij een nieuw vergoedingsstelsel het uitgangspunt gehanteerd dat er geen financiële achteruitgang mag plaatsvinden?

ANTWOORDEN:

1 en 2.
Inleiding
In antwoord op eerdere kamervragen heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties reeds een uiteenzetting gegeven over het onderzoek naar de vaste kostenvergoedingen en de fiscale beoordeling van de uitkomsten daarvan.
Voor de fiscale behandeling van vaste kostenvergoedingen is van belang of de genieters van die vergoedingen onder de werking van de wet op de loonbelasting 1964 vallen, dan wel inkomsten genieten als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Wel onder de loonbelasting
Voor zover gemeenteraadsleden, wethouders, burgemeesters, leden van provinciale staten en gedeputeerde staten (van rechtswege of door daarvoor te opteren) onder de loonbelasting vallen, geldt met betrekking tot hun vaste kostenvergoeding het volgende. Op grond van het bepaalde in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de Wet op de loonbelasting 1964 juncto artikel 5a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, zoals die met ingang van 1 januari 1997 luiden, behoren vaste vergoedingen niet tot het loon voor zover deze naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd en daaraan voorts - op verzoek van de inspecteur - een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten tot verwerving van het loon ten grondslag ligt.
Op verzoek van de Belastingdienst is over de maanden oktober en november 1998 een steekproefsgewijs onderzoek ingesteld naar de werkelijk gemaakte kosten waarvoor de vaste vergoeding is toegekend. Het onderzoek is in opdracht van vertegenwoordigers van de betrokken bestuurders uitgevoerd door SGBO (het onderzoeksbureau van de VNG). Voor het onderzoek is een begeleidingscommissie samengesteld uit vertegenwoordigers van de burgemeesters, de Commissarissen der Koningin, de VNG, het IPO, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Belastingdienst en het ministerie van Financiën. Deze groep heeft in de maanden voorafgaand aan het onderzoek frequent overleg gevoerd. De uitkomsten van het onderzoek en de daaraan te verbinden gevolgen zijn op 18 november 1999 besproken in een bestuurlijk overleg van vertegenwoordigers van de betrokken functionarissen, de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties en mij. Tijdens dat overleg heb ik een toelichting gegeven op de consequenties van de onderzoeksresultaten.

Voor het treffen van een groepsregeling geldt niet als criterium dat de tot een groep behorende belastingplichtigen gemiddeld kosten maken tot ten minste het bedrag van de vergoeding, doch primair dat de groep bestaat uit personen die vanuit kostenoogpunt vergelijkbaar zijn. Dit betekent dat zij dezelfde kostensoorten moeten hebben en binnen die kostensoorten ongeveer dezelfde bedragen uitgeven. Alsdan kan de groep worden aangemerkt als homogene groep.
De uitkomsten van het onderzoek leveren een dermate grote spreiding van gemaakte kosten - zowel naar soort als in bedragen binnen één soort - op dat geen van de categorieën bestuurders aan te merken valt als een homogene groep. Daarmee is de basis die ten grondslag lag aan de onbelaste vaste kostenvergoeding ontvallen.

In het besluit van 28 december 1999, nr. DB99/3910M, is gezien de uitkomsten van het onderzoek voor de jaren 1999 en 2000 een regeling getroffen. Gebleken is dat deze regeling in de praktijk tot problemen leidt op het vlak van de uitvoering. Daarnaast mochten de individuele lokale en provinciale bestuurders, gezien de fiscale begeleiding tot dat moment, verwachten dat de vergoedingen over het jaar 1999 fiscaal niet getoetst hoefden te worden. Om aan deze bezwaren tegemoet te komen zal het besluit van 28 december 1999 op korte termijn worden aangepast.
Daarbij wordt tevens rekening gehouden met het feit dat met ingang van 2001 als uitvloeisel van de beoogde belastingherziening in 2001 een gewijzigd fiscaal regime van toepassing zal worden. Voor het jaar 2000 zal daarom een overgangsregeling worden getroffen waarmee recht zal worden gedaan aan de belastbaarheid maar waarbij de betrokkenen geen financieel nadeel zullen ondervinden.

Niet onder de loonbelasting
Voor functionarissen die niet onder de loonbelasting vallen (wethouders, gemeenteraadsleden, leden van Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten, die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting) kan een vaste kostenvergoeding niet meer onbelast worden verstrekt als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 28 april 1999, nr. 32.727 (BNB 1999/281), waarin is geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 23 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een kostenvergoeding, wil zij onbelast blijven, betrekking dient te hebben op bepaalde werkelijk gemaakte en - met declaraties of anderszins - overtuigend aantoonbare kosten. Daarmee is de basis aan de belastingvrije vaste kostenvergoeding voor gekozen bestuurders (wethouders, gemeenteraadsleden, leden van gedeputeerde staten en leden van provinciale staten), voor zover zij niet hebben geopteerd voor de loonbelasting, reeds komen te ontvallen.
Ik acht het gewenst de fiscale gevolgen voor de vaste vergoeding van bestuurders die niet onder de loonbelasting vallen gelijktijdig te laten ingaan met de fiscale gevolgen voor bestuurders die wel onder de loonbelasting vallen (zie hiervóór).


3.

Het vorenstaande impliceert dat er voor het jaar 1999 geen financiële consequenties voor de betrokken bestuurders en vertegenwoordigers zijn en als gevolg van de overgangsregeling evenmin voor het jaar 2000. Ander onderzoek naar de huidige kostenvergoeding van lokale en regionale politici is mij overigens niet bekend.

4 tot en met 6.
De rechtspositionele aangelegenheden behoren tot het beleidsterrein van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In het bestuurlijk overleg van 18 november 1999 is afgesproken dat een werkgroep wordt ingesteld die aanbevelingen moet doen voor een nieuwe kostenvergoedingsregeling. Die regeling zal transparant moeten zijn, controleerbaar, passen binnen de fiscale mogelijkheden en niet mogen leiden tot onevenredige uitvoeringslasten. De beoogde ingangsdatum van de nieuwe regeling is 1 januari 2001.
Als gevolg van de belastingherziening 2001 zal met ingang van 1 januari 2001 een nieuw fiscaal regime van toepassing worden. Een regime dat afwijkt van het huidige regime. In verband hiermee is het departement van Financiën vertegenwoordigd in de vorenbedoelde werkgroep.

Woordvoerder: drs. P.A.W. Lamers
Tel.nr.: 070 - 342 8403

Deel: ' Antwoord kamervragen belasting op onkostenvergoeding '




Lees ook