expostbus51


MINISTERIE FIN

https://www.minfin.nl

MIN FIN: BENZINE-ACCIJNS EN GRENSPOMPHOUDERS

PERSBERICHTNR. 99/200 Den Haag 15 september 1999

ANTWOORDEN VAN DE MINISTER VAN FINANCI.N OP VRAGEN VAN HET LID VAN DE

TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL STROEKEN OVER BENZINE-ACCIJNS EN

GRENSPOMPHOUDERS

VRAGEN:


1.

Op welke wijze wilt u tegemoetkomen aan de voorwaarde van de Tweede Kamer gesteld aan de goedkeuring van de accijnsverhoging per 1 juli 1997, namelijk dat compensatie aan de grenspomphouders zou plaatsvinden?


2.

Bent u bereid, met het ook op de bedrijfsvoering van pomphouders, de eventuele terugvordering van de subsidiemiddelen pas dan te laten plaatsvinden nadat alternatieve compensatiemogelijkheden zijn verkregen?


3.

Bent u van mening dat als compensatie voor een groot deel van de grenspomphouders uiteindelijk onmogelijk blijkt te zijn, daarmee niet is voldaan aan de door de Kamer gestelde voorwaarde rond de accijnsverhoging van 1 juli 1997 en deze verhoging derhalve ongedaan dient te worden gemaakt?


4.

Kan de Kamer zo spoedig mogelijk een afschrift van de beschikking uit Brussel toegezonden krijgen? Gaat u beroep aantekenen tegen de beschikking? Zo neen, waarom niet?


5.

Bent u bereid met de Eurocommissaris Interne Markt, de heer Bolkestein, overleg te voeren over de Europese afstemming van deze en andere accijnsaanpassingen in de toekomst?

6.

Het accijnsverschil van Euro loodvrije benzine tussen Nederland en Duitsland bedraagt per heden 31 cent per liter (Duitsland DM 1.779 Nederland f 2,31). Bent u bereid bij toekomstige accijnsverhogingen in het aangrenzende buitenland, naast Brusselse afstemming, tevens een Nederlandse afweging te maken waarbij rekening wordt gehouden met de grenspomphouders?


7.

MKB Nederland en de Bovag hebben berekend dat de accijnsverhoging van 1 juli 1997 een accijnsverlies voor Nederland betekende van 200 miljoen gulden en een omzetverlies voor de Nederlandse middenstand van 750 miljoen gulden. Voorts is er milieuschade ontstaan door de vele honderden miljoenen omgereden kilometers om in het buitenland te tanken. Wegen al deze nadelen op tegen de door de minister veronderstelde voordelen ten gevolge van die accijnsverhoging?

ANTWOORDEN:

1, 3 en 7.
Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van de Wet van 20 december 1996 tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1997) is zowel door de Staatssecretaris van Financiën als door mijzelf benadrukt dat de in die wet opgenomen accijnsverhoging niet afhankelijk was of zou worden gesteld van de vraag of een maatregel ter mitigering van de negatieve effecten voor de pomphouders in de grensstreek door de Europese Commissie (of de Raad) zou worden goedgekeurd (zie onder meer Kamerstukken II, 1996-1997, 25 052, nr. 24, blz 25, middelste kolom en de handelingen van 21 november 1997, blz. 29-2433, linkerkolom). Daarnaast is benadrukt dat de mobiliteitsproblematiek een bredere politieke afweging vergt. De accijnsverhoging moet in samenhang worden gezien met aan de ene kant een pakket maatregelen dat beoogt de capaciteit van openbaar vervoer en wegvervoer uit te breiden en aan de andere kant een pakket maatregelen dat het gebruik afremt.
In het algemeen overleg van 1 oktober 1997 - waarnaar de heer Stroeken verwijst - heb ik aangegeven dat ook het achteraf terug draaien van de accijnsverhoging, indien bijvoorbeeld de weglekeffecten zouden optreden, niet aan de orde is (Kamerstukken 1997-1998, 25 600 IXB, nr. 8, blz. 8).


2.

In mijn reactie op de eerdere vragen van de heer Stroeken (Kamerstukken II, 1998-1999, 26 100 IXB, nr. 23) heb ik aangegeven dat ik geen mogelijkheden zie de pomphouders op andere wijze te compenseren. De eventuele terugvordering van de verleende subsidie kan daar niet van afhankelijk worden gesteld.


4.

Bij brief van 13 augustus 1999, kenmerk AFP/1999/337M, heb ik de Tweede Kamer - vertrouwelijk - een afschrift van de beschikking van de Commissie doen toekomen. De regering beraadt zich nog over het instellen van beroep.


5.

De in EU-verband geharmoniseerde accijnstarieven zijn minimumtarieven. Dit betekent dat iedere lidstaat vrij is in het aanpassen van zijn tarieven, mits deze boven het minimumniveau blijven. Dit neemt niet weg dat Nederland er een groot voorstander van is om aanpassingen te doen in Europees kader. Nederland zal er voor blijven pleiten dat de in Europees verband vastgestelde minimumtarieven voor de accijns zullen worden verhoogd. Nederland is om die reden een krachtig voorstander van de totstandkoming van een door de Commissie ingediend richtlijnvoorstel dat - in zekere mate - voorziet in een dergelijke verhoging en zal alles ondernemen om op dit dossier resultaat te bereiken.


6.

Het accijnsverschil tussen Nederland en Duitsland bedraagt op dit moment 8,5 cent per liter , en niet 31 cent per liter zoals in de vragen staat vermeld. De Duitse regering heeft in zijn belastingplan een verdere verhoging van de benzineaccijns in 2000 en 2001 aangekondigd met 6 pfenning per liter. Met betrekking tot accijnsverhogingen is in het Regeerakkoord vastgelegd dat dit instrument, onder gelijktijdige verlaging van de houderschapsbelasting, wordt ingezet afhankelijk

Woordvoerder: drs. P.A.W. Lamers
Telefoonnummer: 070 - 342 8403

15 sep 99 17:45

Deel: ' Antwoord kamervragen benzine-accijns en grenspomphouders '




Lees ook