Ministerie van Defensie


Brieven van de minister/staatssecretaris van Defensie aan de Eerste/Tweede Kamer der Staten-Generaal

Kamervragen en Antwoorden

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Ons nummer D 99000823

Datum 12 maart 1999

Onderwerp Vragen van het Tweede-Kamerlid Van der Steenhoven over burgermedegebruik van Defensievliegvelden

Onder verwijzing naar de bovengenoemde brief bied ik u hierbij aan, mede namens de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat, de antwoorden op de schriftelijke vragen van het Tweede-Kamerlid der Staten-Generaal, de heer Van der Steenhoven.

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE,

H.A.L. van Hoof

Bijlage behorende bij de brief van de Staatssecretaris van Defensie, mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat nr. D 99000823, d.d. 12 maart 1999

Antwoorden op de vragen van het Tweede-Kamerlid Van der Steenhoven (Groen Links) (2989902700)

Vraag 1: Kent u het artikel "Defensie gaat in hoger beroep"? 1) Klopt het dat er beroep zal worden aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank van Den Bosch inzake de beschikking over uitbreiding van burgerluchtvaarttuigen?

Antwoord: Ja. De Arrondissementsrechtbank in Den Bosch heeft het besluit van 12 juni 1998, waarmee het voor het jaar 1998 toegestane aantal "zware" civiele vliegtuigbewegingen werd verhoogd van 264 naar 936, vernietigd. Na overleg met de directie van Eindhoven Airport N.V. heb ik gezien deze rechterlijke uitspraak besloten met onmiddellijke ingang in het jaar 1998 geen "zware" civiele vliegbewegingen meer toe te staan. Tegen de uitspraak van de rechtbank heb ik hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Vraag 2: In welke hoedanigheid meent de staatssecretaris in beroep te kunnen gaan: als beheerder of als belanghebbende eigenaar van het terrein? Is er een defensiebelang in het geding door de uitspraak van de rechter over de begrenzing van het aantal burgervluchten tot 264? Zo ja, welk?

Antwoord: Het ontheffingsbesluit van 12 juni 1998 heb ik na overleg met de Minister van Verkeer en Waterstaat genomen. Aan het geven van medegebruik is geen direct defensiebelang verbonden. Wel is er sprake van een Rijksbetrokkenheid. Ik mag daarvoor verwijzen naar de nota Regionale luchthavenstrategie (RELUS) en de Uitgangspunten beleidsvisie regionale luchtvaartinfrastructuur (TNLI/RELI).

Vraag 3: Erkent u het risico van belangenverstrengeling doordat Defensie zowel de rol heeft van bevoegd gezag dat onder andere de beschikking afgeeft voor burgermedegebruik als die van eigenaar van het terrein en financieel belanghebbende bij het burgermedegebruik?

Antwoord: Defensie heeft onder andere in het Structuurschema Militaire Terreinen (SMT) de algemene beoordelingscriteria voor het toestaan van civiel medegebruik van militaire objecten omschreven. Voor de beoordeling van verzoeken tot (wijziging van) burgermedegebruik van militaire luchtvaartterreinen hanteert Defensie zes randvoorwaarden (zie RELUS pagina 15). Defensie heeft geen financieel voordeel van burgermedegebruik.

Vraag 4: In hoeverre is het beleid van de minister van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot ontvlechting van belangen bij Schiphol, ook van toepassing op Defensievliegvelden?

Antwoord: Het beleid ten aanzien van de ontvlechting moet nog worden geformuleerd. Het is op dit moment niet duidelijk in hoeverre dit beleid ook het burgermedegebruik van militaire luchtvaartterreinen zal gaan raken.

Vraag 5: Klopt het dat de staatssecretaris vasthoudt aan de ontwerp-beschikking 1999 waarin het plafond voor het totale aantal starts en landingen wordt losgelaten? Welke beperking geldt er dan voor de geluidsoverlast zolang er nog geen geluidszone is vastgesteld?

Antwoord: Te allen tijde zullen de civiele vliegtuigbewegingen tezamen met de geplande militaire vliegtuigbewegingen moeten worden geaccommodeerd binnen de geluidszone. Voor de vliegbasis Eindhoven is dit als voorwaarde opgenomen in het aanwijzingsbesluit van 1979. Dit is tevens de indicatieve geluidszone volgens het SMT totdat de geluidszone op basis van de Luchtvaartwet is vastgesteld. De indicatieve geluidszone is ingebracht in de procedure op basis van de Luchtvaartwet (LVW) voor het vaststellen van de geluidszone. Deze procedure is zover doorlopen dat het advies van de bezwaarschriftencommissie ex artikel 21 LVW is uitgebracht.

In dit verband is de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 8 december 1998 inzake het zoneringsbesluit op grond van de Luchtvaartwet van de vliegbasis Volkel van belang. Daarin heeft de Voorzitter als zijn voorlopig oordeel uitgesproken dat de vaststelling van de geluidszone uitsluitend door middel van een aanwijzingsbesluit, danwel een besluit tot wijziging daarvan kan plaatshebben en niet, zoals bij militaire luchtvaartterreinen gebruikelijk is geweest, door middel van een zoneringsbesluit sec. Welke gevolgen deze uitspraak heeft voor de zoneringsprocedure van de vliegbasis Eindhoven wordt op dit ogenblik onderzocht. De kans dat deze gevolgen leiden tot vertraging in de zoneringsprocedure is aanwezig. Onlangs heb ik aan de Commissie van Overleg en Voorlichting Milieuhygiëne Vliegbasis Eindhoven (commissie ex artikel 28 van de Luchtvaartwet) meegedeeld dat ten aanzien van het jaar 1999 naast de toets aan de geluidsbelasting tevens een maximum aantal civiele vliegtuigbewegingen als criterium zal worden opgenomen.

Vraag 6: Deelt u de mening dat het loslaten van de grens van 18.050 starts en landingen in strijd is met de PKB Structuurschema Militaire Terreinen?

Antwoord: In het SMT is bij het civiel medegebruik van de vliegbasis Eindhoven het aantal van 18.050 vliegtuigbewegingen per jaar vermeld. Dit betreft overigens geen essentiële beslissing in de zin van de planologische kernbeslissing. Indien ik voornemens ben dit aantal te verhogen of te laten vervallen, zal ik daarover, na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Tweede Kamer der Staten-Generaal informeren.

Vraag 7: Bent u bereid binnen een week de op 13 oktober jongstleden toegezegde brief aan de Kamer te zenden? 2)

Antwoord: De brief zoals toegezegd tijdens het vragenuurtje op 13 oktober 1998 is u op 6 januari 1999 toegezonden.

Vraag 8: Bent u bereid van hoger beroep af te zien totdat de Kamer zich heeft kunnen uitspreken over de gang van zaken rondom Welschap?

Antwoord: De termijn voor het indienen van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in Den Bosch bedraagt zes weken en liep op 23 november 1998 af. Ik heb het hoger beroep reeds ingesteld.

1) Eindhovens Dagblad van vrijdag 23 oktober jl. 2) Handelingen II nr. 13, Vergaderjaar 1998-1999, blz. 721 en 722.

Deel: ' Antwoord kamervragen burgergebruik Defensievliegvelden '




Lees ook