Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's-GRAVENHAGE

Directie Europa

Afdeling Uitvoering Midden- en Oost-Europahulp (DEU/UM)

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 28 april 1999
Kenmerk DEU/216/99
Blad /1
Bijlage(n) 1
Betreft Beantwoording schriftelijke vragen van het lid M.B. Vos over energiebesparing in Midden- en Oost-Europa
C.c.

Zeer Geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer, d.d. 19 maart 1999,

kenmerk 2989909760, waarbij gevoegd waren de door het lid M.B. Vos overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U, mede namens de Minister en de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, als bijlage dezes ons antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken

Kamervraag 2989909760

Antwoord van de heer Van Aartsen, Minister van Buitenlandse Zaken op vragen van het lid M. B. Vos aan de ministers van Buitenlandse Zaken, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken over energiebesparing in Midden- en Oost-Europa

Vraag 1:

Zijn er naar aanleiding van workshops over samenwerking op het gebied van Joint lmplementation die eind 1998 op initiatief van de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken zijn georganiseerd in Roemenië en Bulgarije afspraken gemaakt tussen Nederland en respectievelijk Roemenië en Bulgarije over samenwerking tussen genoemde landen om te komen tot structurele aandacht voor energiebesparing en reductie van broeikasgasemissies?

Antwoord:

Ja. Er zijn afspraken gemaakt om een studie te ondersteunen op het gebied van

Joint implementation en er zijn aanbevelingen gedaan op het gebied van energiebesparing bij eindgebruikers.

Vraag 2:

Hebben beide landen, na het uitblijven van respons uit Nederland, concrete schriftelijke verzoeken ingediend bij de ministeries van Buitenlandse Zaken, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken om beide afspraken verder in te vullen?

Antwoord:

Ja. De genoemde landen hebben naar aanleiding van de workshops en kennismaking met Nederlandse activiteiten op het gebied van energiebesparing bij de eindgebruiker in andere landen, schriftelijke verzoeken ingediend ter bevestiging van hun wens tot samenwerking. De minister van EZ heeft medenamens haar ambtgenoten van BuZa en VROM de Roemeense brief begin maart jl. beantwoord. Er wordt een brief met dezelfde strekking naar Bulgarije en Kroatië gestuurd.

Vraag 3:

Is uit Kroatië eveneens een soortgelijk verzoek ontvangen door het ministerie van Buitenlandse Zaken?

Antwoord:

Ja.

Vraag 4:

Op welke wijze zal invulling worden gegeven aan genoemde verzoeken, zulks mede in het licht van het verzoek van de Kamer als verwoord in de motie op Kamerstuk 25 600 XII, nr. 16 die aandringt op intensivering van de structurele ondersteuning op het gebied van energiebesparing aan Centraal en Oost Europa in de vorm van 10 mln/jaar voor het SCORE-programma?

Antwoord:

Zoals ik in mijn brief van 27 mei 1998 (23125, nr. 17) aan de Kamer heb meegedeeld gaat het bij SCORE om een project en niet om een programma. Het SCORE project wordt in het kader van het Matra programma uitgevoerd in Polen, Letland en Hongarije, en loopt af in december 1999. Ik wil graag herhalen dat de motie zodanig wordt geïnterpreteerd dat de regering wordt gevraagd om een bijdrage van NLG
10 miljoen gulden per jaar voor energiebesparing in Midden en Oost-Europa conform de SCORE benadering. Invulling van vraaggestuurde subsidieprogramma's met specifieke Nederlandse wensen tot op het niveau van individuele projecten acht ik niet opportuun.

Voor 1999 committeert het Ministerie van EZ binnen het Programma Samenwerking

Oost-Europa (PSO) NLG 7 miljoen voor projecten op het terrein van energiebesparing bij de eindgebruiker in Bulgarije, Kroatië, Letland, Oekraïne en Roemenië. Hiernaast wordtbinnen het PSO NLG 12 miljoen gecommitteerd voor Joint Implementation projecten in Midden en Oost-Europa die zich veelal eveneens richten op energiebesparing in de vorm van CO-2 reductie aan de vraagzijde. Binnen Matra wordt verwacht dat in 1999 ca. NLG 6 miljoen op het terrein van milieu (incl. energie) wordt besteed. Er is derhalve sprake van een zeer aanzienlijke inspanning op deze terreinen in Midden en Oost-Europa.

Het PSO richt zich niet op aanpassing van de institutionele infrastructuur van de Midden en Oost-Europese landen. Er wordt wel op projectniveau aandacht gegeven aan structurele problemen en mogelijke institutionele aanpassingen. Ondersteuning van de institutionele hervormingen bij milieu-overheden waarbij tevens de maatschappelijke transitie wordt gediend, is een deelterrein van het Matra-programma. Binnen Matra bestaat de mogelijkheid projectvoorstellen in te dienen gericht op energiebesparing bij de eindgebruiker, die vervolgens volgens de normale procedures zullen worden beoordeeld. Overigens is dit vanwege uitputting van de middelen pas eind 1999 weer mogelijk.

De middelen voor Joint Implementation zullen worden ingezet voor het bereiken van concrete CO-2 reducties en daaraan gerelateerde institutionele versterkingen. In dat kader is Nederland momenteel in overleg over de invulling van een studie in Bulgarije, gezamenlijk uit te voeren door een Nederlandse en Bulgaarse consultant. Onderzocht wordt of deze studie in samenwerking met een Roemeense partij ook geschikt kan worden gemaakt voor gebruik in Roemenië.


--------------------

Deel: ' Antwoord kamervragen energiebesparing in Oost-Europa '




Lees ook