Tweede Kamer der Staten Generaal

aanh9900.407 exploitatiekosten van scholen in voortgezet onderwijs
Gemaakt: 24-12-1999 tijd: 11:38


3

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


20 december 1999

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het lid Mosterd van uw Kamer inzake de exploitatiekosten van de scholen in het voortgezet onderwijs.

De vragen werden mij toegezonden bij uw bovenaangehaalde brief met als kenmerk 2990003480.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

(drs. K.Y.I.J. Adelmund)

Onderstaand de antwoorden op de schriftelijke vragen gesteld door het lid Mosterd van de Tweede Kamer der Staten-Generaal aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (ingezonden d.d. 29 november 1999, kenmerk 2990003480).


1. Antwoord

De exploitatiekostenvergoeding in het voortgezet onderwijs is geregeld in de BSM-wet van 3 april 1999 (Stb. 172). Daarin is vastgelegd dat elke school een vast bedrag ontvangt (voor elke school gelijk) en een bedrag per leerling. Dat bedrag per leerling is verschillend voor de onder- en bovenbouw en is ook afhankelijk van de vbo-afdeling waarbinnen een leerling het onderwijs volgt.


2. Antwoord

Voorafgaand aan de ingrijpende stelselwijziging van de bekostigingssystematiek van de materiële exploitatiekosten (ingangsdatum 1/1/1993) is er door een adviescommissie (genoemd naar haar voorzitter de commissie Kolthoff) onderzoek gedaan naar de gewenste hoogte van de vergoeding waarbij, net als bij het londo-systeem voor het primair onderwijs, een groot aantal indicatoren werd gehanteerd. De uitkomsten van dit onderzoek zijn, zoals aangegeven in de brief van 20 juni 1990 (kamerstukken 20616, nr. 10), vertaald in een eenvoudiger systeem, dat naast een vaste vergoeding per school slechts een vergoeding per leerling en per vierkante meter kent. De vergoeding per leerling varieert, in samenhang met de opbouw in het onderzoek van Kolthoff, per schoolsoort c.q. per vbo-afdeling en voor onder- en bovenbouw. Op die basis heeft de invoering van BSM per 1 januari 1993 plaatsgevonden; het huidige stelsel grijpt hierop dan ook nog steeds terug.

Vervolgens heeft een uitgebreide evaluatie plaatsgevonden van het per
1 januari 1993 ingevoerde stelsel. Het evaluatierapport en verschillende andere rapportages zijn op 10 december 1996 met de Kamer besproken (kamerstukken 24806, nr. 3).

Uit deze evaluatie van BSM bleek niet zo zeer dat bepaalde afdelingen of schoolsoorten qua vergoeding uit de pas liepen, maar werd de indruk bevestigd dat het niveau van de vergoeding, over de gehele linie, (te) laag was. Naar aanleiding van die evaluatie en mede op basis van het Regeerakkoord zijn dan ook extra middelen beschikbaar gekomen voor de exploitatiekosten.

De volgende financiële impulsen zijn gegeven:

een structurele verhoging van ca. f. 52 mln. naar aanleiding van de evaluatie uitkomsten en f. 28,8 mln. uit het Regeerakkoord voor Administratie, Beheer en Bestuur (beide met ingang van 1 augustus 1999 opgenomen in de exploitatiekostenvergoeding), en

een incidentele verhoging uit het Regeerakkoord van f. 192 mln. voor achterstallig onderhoud over de periode 1999 t/m 2002.

Voorts zij vermeld dat de systematiek van BSM als gevolg van de decentralisatie huisvesting enigszins is aangepast. De decentralisatie heeft ertoe geleid dat de vergoeding per feitelijke vierkante meter is omgezet in een vergoeding per normatieve vierkante meter (en dus eigenlijk per leerlingcategorie). Dit laatste is wel een ingreep geweest in de systematiek maar deze wijziging staat los van een eventuele gewenste andere verdeling van het budget over de schoolsoorten c.q. vbo-afdelingen.


3. Antwoord

De regeling exploitatiekostenvergoeding voortgezet onderwijs voor het schooljaar 2000/2001 zal uiterlijk 1 februari 2000, conform het gestelde in de BSM-wet, worden voorgehangen bij de Tweede Kamer.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel BSM in de Tweede Kamer en in de regeling exploitatiekostenvergoeding voortgezet onderwijs voor het schooljaar 1999/2000 is, met instemming van de besturenorganisaties, het aantal verschillende vergoedingscategorieën meer dan gehalveerd.

De systematiek is overigens, mede op basis van evaluatie uitkomsten, in die regeling niet veranderd.

De verschillende vergoedingscategorieën en de bekostigingssystematiek voor komend schooljaar zullen in tact blijven. Wel zullen de vergoedingsbedragen per categorie worden verhoogd. De systematiek van de verhoging van de exploitatiekostenvergoeding zal voor alle verschillende categorieën gelijk zijn. De exacte wijzigingen zullen in de regeling voor het schooljaar 2000/2001 worden opgenomen die, zoals eerder vermeld, uiterlijk 1 februari 2000 aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd.


4. Antwoord

In principe ontvangen de categoriale vo-scholen dezelfde vergoeding als een vergelijkbare afdeling aan een vo-scholengemeenschap.

In eerste instantie lijkt het alsof er met betrekking tot het landbouwonderwijs hiervan afgeweken wordt. Maar in feite is het verschil in de vergoeding voor de categoriale landbouwschool en de afdeling landbouw aan een vo-scholengemeenschap te verwaarlozen. Dit laat zich als volgt verklaren.

Voor de leerlingen aan de categoriale landbouwschool is de vergoeding gelijk voor alle leerjaren.

Voor de leerlingen aan een vo-scholengemeenschap geldt de eerste twee schooljaren de onderbouwvergoeding (die lager is dan de vergoeding voor de categoriale landbouwschool) en voor de laatste twee schooljaren de bovenbouwvergoeding (die weer hoger is dan de vergoeding voor de categoriale landbouwschool).

Aangezien de categoriale landbouwschool alleen landbouwonderwijs geeft, is het onderscheid naar onder- en bovenbouw van minder belang. Bij een vo-scholengemeenschap is dat onderscheid, gezien het brede scala aan afdelingen in de bovenbouw, veel meer noodzakelijk.

Zoetermeer, 20 december 1999

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

(drs. K.Y.I.J. Adelmund)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Antwoord kamervragen exploitatiekosten voortgezet onderwijs '




Lees ook