Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Overzicht van de correspondentie met het parlement / Dossier Dioxine Actueel

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
VVM/99.3091
datum
20-08-1999

onderwerp
Beantwoording Kamervragen inzake een dioxine-onderzoek, nr. 2989917090 doorkiesnummer

bijlagen
1

Geachte Voorzitter,

1. Ja

2. Ja

3. en 4. De gang van zaken is weergegeven in het chronologisch overzicht wat op 8 juni is toegestuurd aan de Tweede Kamer. In dit verband wil ik u wijzen op het persbericht dat de heer Bogers naar aanleiding van het artikel in Trouw heeft doen uitgaan op donderdag 12 augustus. Daarin bevestigt hij de weergave van dit chronologisch overzicht en dat omvang en oorsprong van de dioxineverontreiniging ook bij het RIKILT niet bekend waren.

De staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

G.H. Faber

up

datum
20-08-1999

kenmerk
VVM/99.3091

bijlage

Naar aanleiding van het artikel in Trouw van 11 augustus jl. - geschreven door Meindert van der Kaaij - meld ik u het volgende:

Het RIKILT heeft op 26 april jl. de Belgische opdrachtgever firma De Brabander schriftelijk op de hoogte gesteld van het feit dat in monsters kippenvoer en kippenvet die bij deze firma waren genomen hoge gehalten aan dioxine waren aangetroffen. Het RIKILT heeft De Brabander daarbij verzocht dit feit te melden aan het Belgische ministerie van Middenstand en Landbouw. Gezien de ernst van de verontreiniging heeft het RIKILT drie dagen later - dus op 29 april - het Nederlandse ministerie van LNV gemeld dat in monsters kippenvoer en kippenvet die door een Belgisch bedrijf waren aangeleverd, hoge concentraties dioxine waren aangetroffen. Dit gebeurde zonder voorafgaand overleg met de Belgische opdrachtgever. De naam van het bedrijf is daarbij niet genoemd.

Nadrukkelijk wijs ik er op dat het RIKILT op dat moment niet wist wat de omvang van het probleem zou kunnen zijn. Ook de oorsprong van de verontreiniging was bij het RIKILT niet bekend. Het (Nederlandse) ministerie van LNV kon daarover dan ook niet door het RIKILT worden geïnformeerd.

Het RIKILT heeft dus niet meer kunnen en willen zeggen dan staatssecretaris Faber destijds aan de Tweede Kamer heeft laten weten. Het chronologisch overzicht dat de staatssecretaris op datum aan de Tweede Kamer heeft gestuurd, is op dit punt dan ook conform de werkelijkheid.

Wat betreft het genoemde artikel in Trouw betekent dit dan ook dat (onder meer) de zinsnede 'Staatssecretaris Faber (landbouw, PvdA) had veel eerder op de hoogte kunnen zijn van de feiten rond het Belgische dioxineschandaal' onjuist is.

Dr. R.J. Bogers
Directeur RIKILT-DLO.

up

datum

kenmerk

bijlage

Den Haag, 12 augustus 1999

Vragen van het lid Van der Steenhoven (GroenLinks) aan de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over uitlatingen van de staatssecretaris inzake een dioxineonderzoek.

1. Hebt u kennisgenomen van de opmerkingen van de heer Bogers, directeur van het onderzoeksbureau Rikilt, en van de heer De Brabander, opdrachtgever van het dioxineonderzoek, waaruit blijkt dat de onderzoeksgegevens niet geheim waren en ook de naam van de opdrachtgever niet?'

2. Blijft u bij de in het Kamerdebat van 9 juni gedane bewering: "Wat moet je namelijk met een dergelijk signaal van een onderzoeksinstituut? Dat was: "wij laten u iets weten, maar het is geheim. Wij mogen u de opdrachtgever niet vermelden. Wij mogen u niet vermelden wat er precies in zat". Sterker nog: de opdrachtgever wil de resultaten geheim houden"?

3. Zo ja, hoe verklaart u dan dat zowel de opmerkingen van de directeur van Rikilt als van de opdrachtgever de heer De Brabander niet stroken met de door u in het des gedane uitlatingen? betreffende debat

4. Zo neen, hoe is dan volgens u de gang van zaken wel geweest?


Deel: ' Antwoord Kamervragen inzake dioxine-onderzoek '




Lees ook