Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's-Gravenhage

Directie Veiligheidsbeleid

Afdeling Wapenbeheersing

en Wapenexportbeleid

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 22 juni 1999
Kenmerk DVB/WW-399/99
Blad /1
Bijlage(n) 1
Betreft Vragen van de leden Koenders en Hoekema over de levering van radarapparatuur aan Indonesië
C.c.

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer, d.d. 14 juni 1999, kenmerk 29899145570, waarbij gevoegd waren de door de leden Koenders en Hoekema overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U, mede namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking alsmede de Staatssecretaris van Economische Zaken, als bijlage dezes mijn antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Antwoord van de heer Van Aartsen, Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister voor Ontwikkelings-samenwerking en de Staatssecretaris van Economische Zaken, op vragen van de leden Koenders en Hoekema

Vraag 1.

Waarom is de positie van het Kabinet, dat het geven van macro-steun en het geven van een exportvergunning voor de levering van radarapparatuur aan Indonesië een verschillend signaal betekenen, verlaten?

Vraag 2.

Op welke analyse, gegevens en feiten is deze wijziging van beleid gebaseerd en hoe verhoudt zich dit tot de opvatting van het Kabinet dat pas na de verkiezingen helder kan worden of er sprake is van goed (economisch) bestuur?

Antwoord vragen 1 en 2

De financieel-economische situatie in Indonesië in april 1999 verschilde van de situatie in het najaar van 1998, toen er sprake was van een krimpende economie. De waarde van de Indonesische roepia daalde sterk. IMF en Wereldbank waren nog weinig te spreken over de beleidsinzet van de Indonesische regering. Tegen deze achtergrond zou het op dat moment tegelijkertijd verlenen van schuldverlichting en het verstrekken van een exportvergunning voor de levering van radarapparatuur een verschillend signaal hebben betekend.

Zoals in de brief van 7 juni uiteengezet legde de regring o.l.v. president Habibie een groeiende dynamiek aan de dag om de in mei 1998 aangekondigde politieke en economische hervormingen door te voeren. Hoewel de situatie in Indonesië natuurlijk nog immer zorgelijk iszijn op het politieke vlak de parlementsverkiezingen en de attitude van de Indonesische autoriteiten inzake de kwestie oost-Timor belangrijke mijlpalen. Op het economische vlak heeft de Indonesische regering sinds najaar 1998 verder uitvoering gegeven aan de met het IMF en de Wereldbank overeengekomen aanpassingsprogramma's. Dit werpt inmiddels volgens IMF en Wereldbank zijn eerste vruchten af. De achteruitgang van de economie werd door deze maatregelen -voorlopig- tot staan gebracht. De roepia lijkt stabieler. Ook is de afname van het BNP, in vergelijking met najaar 1998, goeddoels tot staan gebracht..

Deze ontwikkelingen leidden ertoe dat de omstandigheden in april 1999 waren gewijzigd vergeleken met die van najaar 1998, dat de regering daarmee rekeningwilde houden. Op basis van de toets van de acht criteria voor het wapenexportbeleid en mede betrekkend de voorzichtig gunstige signalen uit Indonesië achtte de regering het niet langer noodzakelijk de beslissing aan te houden.

Vraag 3.

Welk oordeel heeft de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking daarbij uitgesproken op basis van welke analyse? Hoe beoordeelt het Kabinet de situatie op dit moment met betrekking tot de prioriteit van de armoedebestrijding?

Antwoord vraag 3

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking deelt de in het antwoord op vraag 2 gegeven analyse, gegevens en feiten die aan de vergunningverlening in deze specifieke situatie ten grondslag hebben gelegen.

Waar het betreft de situatie met betrekking tot armoedebestrijding blijft de regering bezorgd over de effectiviteit van de armoedeprogramma's voor Indonesië, niet zozeer over mogelijke schaarste van beschikbare middelen, maar wel over de effectiviteit van de armoedeprogramma's, of het geld de armsten wel in voldoende mate bereikt.

Vraag 4.

Hoe verhoudt zich de opvatting dat de onrust in Indonesië aanleiding gaf tot een pas op de plaats met betrekking tot beslissingen over wapenexporten en de nog steeds vermeende betrokkenheid van het leger bij de bewapening van paramilitaire groepen op Oost Timor tot nog immer actieve discussies over de toekomstige rol van het leger?

Antwoord vraag 4

De vorige minister van Buitenlandse Zaken heeft het beleid wat betreft de levering van militaire goederen aan Indonesië aan de Kamer uiteengezet: de Nederlandse regering zal niet instemmen met levering van militaire goederen, die kunnen worden ingezet voor interne repressie. Gezien de aard van de te leveren goederen en de beoogde taken van de met behulp van de HSA-apparatuur uitgeruste patrouillebeton lag en ligt afwijzing van de vergunningaanvrag op grond van deze overweging niet voor de hand. Gelet op de zeer uitgestrekte kustwateren van Indonesië zullen genoemde taken zonder twijfel ook in de toekomst behoren tot de kerntaken van deIndonesische marine. De overweging om de beslissing over de vergunningaanvraag aan te houden lag in de gegevenheid dat Indonesië in mei 1998 en daarna politiek en economisch een onzeker tijdperk binnentrad.

Vraag 5.

Welke contacten, gesprekken en demarches hebben plaatsgevonden tussen de Nederlandse regering, de Ambassade en de Indonesische autoriteiten met betrekking tot de exportorders? Welke contacten hebben wanneer met HSA plaatsgevonden?

Vraag 6.

Is na een bezoek van de HSA-directie aan President Habibie tot het hoogste niveau druk uitgeoefend op de Nederlandse regering om akkoord te gaan met de exportvergunning? Zo ja waaruit bestond deze druk en wanneer is deze uitgeoefend ?

Antwoord vraag 5 en 6

De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op 11 november 1998 de directie van HSA in een gesprek op de hoogte gebracht van het besluit de vergunningaanvraag voor de levering van de radarapparatuur voorlopig aan te houden in verband met de toen geldende situatie in Indonesië.

In officiële contacten met de Indonesische regering is geen sprake geweest van de opbouw van druk. op 25 maart 1999 heeft de Minister van Economische Zaken in een gesprek met de Indonesiche Minister voor Industrie en Handel, Ramelan, aangegeven dat de gewraakte exportvergunning pas na de verkiezingen zou kunnen worden verleend. Minister Ramelan toonde begrip voor deze opvatting. Op 29 maart jl. vond een gesprek plaats tussen de Minister van Buitenlandse Zaken en zijn Indonesische collega Alatas. In dit gesprek is op geen enkele wijze gebleken van gevoeligheden bij de Indonesische autoriteiten omtrent genoemde kwestie.

In de eerste maanden van 1999 heeft HSA in contacten en correspondentie het ministerie van Economische Zaken in toenemende graad van urgentie op de hoogte gehouden van de gang van zaken en de problemen die voor het bedrijf zouden kunnen ontstaan indien door het niet verlenen van een vergunning de levering niet door zou kunnen gaan. Het bedrijf gaf tevens aan de schade bij het niet doorgaan van de levering op de overheid te zullen verhalen.

Op 30 maart 1999 bracht de directie van HSA een bezoek aan president Habibie. HSA informeerde de ambassade dat de president zijn zorg had geuit over de situatie. Kort daarna werd een brief van de werf PAL Indonesia (de opdrachtgever), gedateerd 12 april 1999 en gericht aan HSA, aan de regering ter hand gesteld. In deze brief werd de situatie wat betreft HSA op scherp gesteld: met een termijn van 2 weken zou bij niet levering het contract het HSA worden ontbonden. De bewuste brief maakte tevens melding van een mogelijke beleidslijn van de Indonesische autoriteiten de deelname van Nederlandse bedrijven aan strategische projecten in Indonesië uit te sluiten. Via contacten met minister Alatas, op intitiatief van de minister van Buitenlandse Zaken, bleek op 26 april - voor het eerst in een direct contact met de Indonesische autoriteiten - dat de kans op ontbinding van het contract reëel was.

In het licht van de aldus ontstane situatie zou een beslissing over de verlening van de vergunning na de verkiezingen te laat zijn omdat het contract dan immers ontbonden zou zijn door de opdrachtgever. Het werd dus relevant de timing van de beslissing naar voren te halen. Gelukkig voor HSA gaf, zoals de regering in de brief van 7 juni heeft aangegeven, de situatie in Indonesië en de toets van de levering op de
8 criteria in dit geval voldoende grondslag om reeds voor de verkiezingen een vergunning voor de leverantie te kunnen afgeven.

Vraag 7.

Wat waren de omstandigheden waarin de exporterende onderneming zou trachten verhaal te zoeken bij de Nederlandse Overheid?

Antwoord vraag 7

De onderneming en zijn Indonesische afnemer hadden voor deze omvangrijke order een exportkrediet afgesloten. Voor dit krediet was door de NCM een financieringspolis afgegeven ter afdekking van de kredietrisico's. Bij het weigeren van de aangevraagde exportvergunning zou exporteur HSA niet langer hebben kunnen leveren. Onder deze omstandigheden zou zich naar verwachting een gedekte schadeoorzaak onder de polis voordoen, die kon oplopen tot fl. 122 mln.. In geval van uitkering zou de NCM verhaal hebben gezocht op exporteur HSA, aangezien deze niet over de vereiste exportvergunning beschikte. Naar verwachting zou deze vervolgens de overheid aansprakelijk stellen voor de geleden schade.

Vraag 8.

Kan de regering zo spoedig mogelijk het Rapport van de waarnemersmissie tijdens de belangrijke Indonesische verkiezingen aan de Tweede Kamer versturen en daarbij eerste conclusies vermelden?

Antwoord vraag 8

Ja, afhankelijk van de rapportage van de leden van waarnemersmissie in week 25.

Vraag 9.

Kan het Kabinet deze vragen i.v.m. de actualiteit op zeer korte termijn beantwoorden?

Antwoord vraag 9

Ja.

Deel: ' Antwoord kamervragen levering radarapparatuur aan Indonesië '




Lees ook