Tweede Kamer der Staten Generaal

aanh9900.646 meerjarennota emancipatiebeleid

Gemaakt: 22-2-2000 tijd: 12:16


2

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 18 februari 2000

Onderwerp

Kamervragen Meerjarennota

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van de leden Bussemaker (PvdA), Weekers (VVD), Schimmel (D66), Van Gent (GroenLinks) en Visser-van Doorn (CDA) over de Meerjarennota Emancipatiebeleid.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

(mr. A.E. Verstand-Bogaert)

Kamervragen, Tweede Kamer, Datum: 31-1-00, 2990006030

(DBO/CDS: DCE/6959, 31/1)

Vragen van de leden Bussemaker (PvdA), Weekers (VVD), Schimmel (D66), Van Gent (GroenLinks) en Visser-van Doorn (CDA) aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw Verstand-Bogaert, over de Meerjarennota Emancipatiebeleid. (Ingezonden
28 januari 2000)

Vraag 1

Wat is uw reactie op het bericht in Opzij als zou de vertraging van de Meerjarennota Emancipatiebeleid zijn ontstaan op uw Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en niet, zoals u eerder liet weten, door afstemmingsproblemen met andere departementen?

Antwoord 1

Een vrij lange voorbereidingstijd voor een nota als deze is niet ongebruikelijk. Wel kan gezegd worden dat de aanvankelijke planning te optimistisch is geweest. Zeker waar beperkte capaciteit beschikbaar is en overleg dient te worden gevoerd met een breed veld van betrokkenen, waaronder 5 departementen.

De feitelijke gang van zaken is als volgt geweest:


- in de eerste helft van 1999 zijn verkenningen gemaakt door wetenschappers

op 5 terreinen,


- tevens zijn er 3 conferenties belegd met experts van binnen

én buiten de vrouwenbeweging om de maatschappelijke ontwikkelingen en trends voor het emancipatiebeleid in kaart te brengen.

De resultaten hiervan zijn verwerkt in een eerste concept van de Meerjarennota dat in de zomer van 1999 is voorgelegd aan de ICE (Interdepartementale Commissie Emancipatiebeleid). De commentaren hierop zijn verwerkt in een tweede concept, dat met aanvullende commentaren geleid heeft tot de versie die inmiddels besproken is in de ICE en nu voorgelegd is aan de CSCB (Commissie voor Sociaal en Cultureel Beleid).

Conform de wens van uw Kamer (motie Orgü c.s.) is de nota nader uitgewerkt in beleidsrichtingen. Daarvoor is eveneens zorgvuldige afstemming nodig met de vakdepartementen die het beleid moeten concretiseren en uitvoeren.

Vraag 2

Hoe is het overleg met andere departementen tot nu toe verlopen? Hebben zij zich thans gecommitteerd aan de nota?

Vraag 4

Zal de Meerjarennota, conform de motie Orgü c.s. , met inbegrip van een kabinetsstandpunt in het eerste kwartaal 2000 verschijnen?

Antwoord op de vragen 2 en 4

Zoals hierboven reeds uiteengezet, verkeert de nota thans in een afrondend stadium. De nota zal via de RSCB (Raad voor Sociaal Cultureel Beleid) aan de Ministerraad ter besluitvorming worden voorgelegd. Daarna ontvangt uw Kamer de kabinetsnota met beleidsrichtingen. Ook wordt de kabinetsnota voorgelegd aan verschillende adviesraden en maatschappelijke organisaties.

Vraag 3

Op welke versie van de nota zijn de artikelen in een recent nummer van Op Gelijke Voet waarna al uitgebreid wordt ingegaan op de meerjarennota , gebaseerd?

Antwoord 3

De artikelen in Op Gelijke Voet zijn gebaseerd op de eerder genoemde verkenningen en de resultaten van de voorbereidende conferenties, zoals vermeld in het antwoord op vraag 1.

Vraag 5

Is er over de inhoud van de nota overleg geweest met vrouwenorganisaties, i.h.b. de Vrouwenalliantie, en met sociale partners? Is er in het algemeen sprake van een regelmatig overleg tussen vrouwenorganisaties en de staatssecretaris?

Antwoord 5

Bij de voorbereidende conferenties zijn experts uit diverse groeperingen betrokken geweest waaronder vrouwenorganisaties.

Tot de deelnemers behoorden onder andere vertegenwoordigers van IIAV, E-quality, Opportunity in Bedrijf, Toplink en de Vrouwenalliantie.

Ook sociale partners worden betrokken in het adviestraject aangezien de Meerjarennota onder meer ter advisering aan de SER zal worden voorgelegd.

Ik voer regelmatig gesprekken met vrouwenorganisaties. Ik verwijs U daarbij naar overleg met het PVO (Politiek Vrouwenoverleg), de Vrouwenalliantie en het IIAV, naar de betrokkenheid van de Nederlandse Vrouwenraad bij de Conferentie Water en Gender, de rol van E-quality ter voorbereiding van Beijing +5, en naar de betrokkenheid van Toplink, Opportunity in Bedrijf en Vrouwelijke Ondernemers bij het project Glazen plafond.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Antwoord kamervragen meerjarennota emancipatiebeleid '




Lees ook