expostbus51


Ministerie van Financien


https://www.minfin.nl

FINANCIEN: NUMMERREKENINGEN

PERSBERICHTNR. 99/023 Den Haag 29 januari 1999

ANTWOORDEN VAN DE MINISTERS VAN FINANCI.N EN JUSTITIE OP VRAGEN VAN

HET LID VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL VO.TE-DROSTE OVER HET

GEBRUIK VAN NUMMERREKENINGEN DOOR NIET-INGEZETENEN

VRAGEN:


1.

Is het waar dat Nederlandse ingezetenen via een machtiging gebruik hebben gemaakt van een door niet-ingezetenen geopende rekening? Is het waar dat de gemachtigden met behulp van die nummerrekening zwart geld aan het oog van de fiscus hebben onttrokken?1

2.

Worden de medewerkers van de bank vervolgd voor hun aandeel in de transacties met nummerrekeningen? Worden de gemachtigden en de houders van de nummerrekeningen eveneens vervolgd wegens fraude c.q. witwaspraktijken? Zo niet, wat is hiervan dan de reden?

3.

Welke zijn de richtlijnen met betrekking tot identificatie bij het openen van een nummerrekening door een niet-ingezetene? Wijken deze richtlijnen af van de richtlijnen die gelden voor ingezetenen? Zo ja, welke zijn de verschillen en wat is de reden hiervan?

4.

Welke mogelijkheden biedt een zogeheten contante dollarkas met betrekking tot transacties? Voor wie of welke instanties mogen deze transacties verricht worden en welke zijn de regels met betrekking tot identificatie bij het opdracht geven van een transactie?

5.

Gelden er afwijkende regels voor de financiële dienstverlening voor de diamanthandel met betrekking tot de wet MOT? Zijn er afwijkende regels voor andere sectoren of specifieke dienstverlening met betrekking tot de wet MOT?

6.

Acht u de huidige regelgeving voldoende om deze problemen rond nummerrekeningen, gemachtigden van nummerrekeningen, fraude en witwaspraktijken te voorkomen? Zo ja, hoe hadden deze problemen voorkomen kunnen worden? Zo neen, welke maatregelen is de regering bereid te treffen om deze problemen te voorkomen?

ANTWOORDEN:


1 en 2.
Voorop gesteld wordt dat de vragen, gelet op de aangehaalde bron, zouden kunnen suggereren dat er een onderzoek loopt naar het witwassen van gelden via nummerrekeningen bij de ABN AMRO bank. Zo.n onderzoek loopt er echter niet. Wel is er een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar aanleiding van de aangifte in februari 1997 van de ABN AMRO Bank van fraude met niet-ingezetenen-rekeningen die zou zijn gepleegd door vier medewerkers van de bank. Dit onderzoek richt zich op de mogelijk frauduleuze handelingen van de vier medewerkers. Onder meer zouden deze medewerkers op eigen initiatief transacties op en met niet-ingezetenen-rekeningen hebben verricht. De verdenking betreft valsheid in geschrifte, verduistering in dienstbetrekking en oplichting. De systematiek van de niet-ingezetenen-rekeningen is op zichzelf geen onderwerp van onderzoek. Er is in het kader van dit strafrechtelijk onderzoek door de rechter-commissaris een gerechtelijk vooronderzoek geopend, dat nu nog in volle gang is. Nadat het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, wordt een beslissing genomen over (verdere) vervolging. Overigens heeft dit onderzoek tot dusverre geen aanwijzingen opgeleverd dat deze rekeningen gebruikt zijn om geld aan het zicht van de fiscus te onttrekken, dan wel crimineel vermogen wit te wassen of weg te sluizen.
Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat het op grond van de bepalingen inzake volmacht in het Burgerlijk Wetboek mogelijk is dat personen gemachtigd zijn om gebruik te maken van rekeningen van anderen. Dit geldt zowel voor ingezetenen als voor niet-ingezetenen.

3.

Bij het openen van een rekening gelden voor een ieder, derhalve zowel voor ingezetenen als voor niet-ingezetenen, de voorschriften van de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993. Dit betekent dat de financiële instelling de identiteit van de cliënt moet vaststellen aan de hand van een officieel document. De financiële instelling is verplicht op toegankelijke wijze vast te leggen: de aard van de financiële dienst, de naam, het adres en de woonplaats van de cliënt, alsmede de aard, het nummer en datum van afgifte van het identiteitsbewijs met behulp waarvan de identificatie heeft plaatsgevonden. Voor de volledigheid wordt hierbij opgemerkt dat mij verzekerd is dat op grond van interne richtlijnen het personeel van ABN AMRO Bank reeds sedert 1990 een identiteitsvaststelling diende te verrichten, die vergelijkbaar is met de identiteitsvaststellingsplicht welke bij de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993 werd ingevoerd.

4.

Voor een contante dollarkas gelden dezelfde regels als voor andere kasvoorraden in buitenlandse valuta. Een financiële instelling kan diensten met dergelijke kassen aan iedere cliënt aanbieden, mits maar wordt voldaan aan wettelijke voorschriften zoals die van de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993. Voorts geldt dat indien een transactie voldoet aan de indicatoren op grond van de Wet melding ongebruikelijke transacties deze transactie aan het Meldpunt moet worden gemeld. Na de vaststelling dat transacties niet waren gemeld, heeft ABN AMRO de betrokken transacties alsnog gemeld.

5.

In de Wet melding ongebruikelijke transacties is vastgesteld voor welke diensten een meldingsplicht geldt, indien één der indicatoren van toepassing is. Aangezien het aanknopingspunt voor de meldingsplicht de financiële transactie als zodanig is, gelden noch voor financiële transacties die verband houden met de diamanthandel noch voor andere sectoren afwijkende regels.

6.

De huidige regelgeving is voldoende, aangezien een financiële instelling moet zorgdragen voor adequate identificatie, vastleggen van de gegevens en, in voorkomend geval, melding van een ongebruikelijke transactie. Daarnaast is in het kader van de Nota Integriteit Financiële Sector (Kamerstukken II 1997/1998, 25 830, nr. 1) met betrekking tot nummer- en coderekeningen de Nederlandsche Bank in overleg getreden met de Nederlandse Vereniging van Banken over de opstelling van een algemene richtlijn met betrekking tot de toegankelijkheid van rekeningen waarbij de identiteit van de cliënt bij transactieverwerking niet zichtbaar is, maar wel bekend is bij de financiële instelling. Indien de rechter bij vervolging tot het oordeel zou komen dat in de onderhavige casus medewerkers van een financiële instelling de wettelijke voorschriften niet hebben nageleefd, is wel de vraag aan de orde op welke wijze dergelijke praktijken voorkomen kunnen worden. Dit vraagstuk zal thans reeds worden meegenomen in de gesprekken met de toezichthouders op de financiële sector, alsmede met de financiële sector zelf. In de voortgangsrapportage zal hiervan verslag worden gedaan.

Woordvoerder: drs. F.F.M. Kemperman
Tel.nr.: 070 - 342 8236

29 jan 99 15:37

Deel: ' Antwoord kamervragen nummerrekeningen niet-ingezetenen '




Lees ook