Tweede Kamer der Staten Generaal

Antwoord Kamervragen over besnijdenis van meisjes in nederland
Gemaakt: 12-4-2000 tijd: 12:

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 april 2000

Onderwerp:

Kamervragen

Hierbij zend ik u, mede namens de ministers van Justitie en Grote Steden- en Integratiebeleid, de antwoorden op de vragen, gesteld door het lid van uw Kamer Dittrich (D66) over besnijdenis van meisjes in Nederland (2990008260).

De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,

dr. E. Borst-Eilers


5

Antwoorden op kamervragen van het lid Dittrich over besnijdenis van meisjes in Nederland.

(2990008260)


1.

Hoe komt het dat uw toezegging Antwoord op vraag 3 Dittrich van 30 september 1999, aanhangsel Handelingen nr. 284,

Vergaderjaar 1999-2000 om een onderzoek in te laten stellen naar het voorkomen van besnijdenis van jonge meisjes in Nederland, meest van Somalische afkomst, nog steeds niet geleid heeft tot een concrete onderzoeksopdracht?


1.

In antwoord op eerdere vragen over dit onderwerp is door mijn ambtgenoot van Justitie een onderzoek in het vooruitzicht gesteld dat ten doel heeft informatie te verschaffen over het aantal gevallen dat in Nederland woonachtige meisjes van Somalische afkomst in het buitenland worden besneden, en inzicht te verkrijgen in de effecten van het gevoerde beleid op dit terrein. Om aan deze toezegging te voldoen is in overleg tussen de betrokken departementen besloten in mei een expertmeeting te organiseren waarvoor diverse deskundigen, inclusief vertegenwoordigers van de Somalische gemeenschap, zullen worden uitgenodigd. Uw Kamer zal over de uitkomsten van deze expertmeeting op de hoogte worden gesteld. Op basis van de resultaten van deze bijeenkomst zal worden bezien of een onderzoek noodzakelijk is.


2.

Deelt u de mening dat het, naast een dergelijk onderzoek, uitermate relevant is dat de Somalische gemeenschap in Nederland overtuigd wordt dat vrouwenbesnijdenis in Nederland niet is toegestaan en strafbaar is en dat dergelijke preventieve maatregelen in nauw overleg met de Somalische gemeenschap c.q. vertrouwenspersonen uit die gemeenschap moeten plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?


2.

Ik deel deze mening. In het regeringsstandpunt inzake vrouwenbesnijdenis uit 1993 is reeds geformuleerd dat het beleid inzake vrouwenbesnijdenis in Nederland gebaseerd is op preventie (met name voorlichting aan vluchtelingen en asielzoekers, mannen en vrouwen), met de nadruk op de Somalische gemeenschap omdat dit de grootste groep vluchtelingen in Nederland is waarvoor de problematiek van vrouwenbesnijdenis actueel is. Justitieel ingrijpen na vaststelling van een recent uitgevoerde besnijdenis op een minderjarig kind vormt het sluitstuk van genoemd beleid.

Omdat het belang van de participatie van de Somalische gemeenschap wordt onderschreven zijn in het verleden voorlichtingsprojecten in nauwe samenwerking met de Somalische gemeenschap in Nederland ontwikkeld en uitgevoerd Vragen van het kamerlid Dittrich van 30 september 1999 aanhangsel Handelingen nr. 284,

Vergaderjaar 1999-2000

. Voorts zullen ook vertrouwenspersonen uit deze gemeenschap voor de eerdergenoemde expertmeeting worden uitgenodigd.


3.

Zo ja, waarom hebt u dan een subsidieaanvraag van de Stichting Pharos voor een bedrag van hf 250.000,- om gedurende een periode van anderhalf jaar in samenwerking met Somalische contactpersonen aan voorlichting en overtuiging van de Somalische gemeenschap te werken, in 1999 afgewezen?


3.

Het ministerie van VWS verleent jaarlijks subsidie aan de Stichting Pharos. Het subsidiebedrag dat aan de Stichting Pharos voor het jaar
2000 is verleend, bedraagt maximaal hf. 5.785.387,-.
Ik ben van mening dat het bestrijden van vrouwenbesnijdenis onderdeel uit moet maken van het reguliere takenpakket van de Stichting Pharos. Om deze reden heb ik ook met Pharos besproken dat het gevraagde subsidiebedrag voor het project vrouwenbesnijdenis gegenereerd kan worden uit haar begroting voor het jaar 2000. Dit betekent dat de Stichting Pharos hiervoor in beginsel prioriteiten had dienen te stellen binnen haar begroting voor het jaar 2000.


4.

Welk gevolg geeft u aan de uitspraken van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Toespraak staatssecratris Verstand op internationale vrouwendag in de Balie op 8 maart 2000 dat nieuwkomers in de Nederlandse samenleving ervan doordrongen moeten worden dat besnijdenis als strafwaardig wordt ervaren? Bent u bereid als nog de gevraagde subsidie toe te kennen? Zo neen, waarom niet?


4a.

In antwoord op eerdere vragen over dit onderwerp heeft mijn ambtgenoot van Justitie gemeld dat in voorgaande jaren verschillende voorlichtingsprogramma's zijn uitgevoerd om de Somalische gemeenschap in Nederland ervan te doordringen dat vrouwenbesnijdenis hier een strafbaar feit oplevert. Het strafbare karakter van vrouwenbesnijdenis in Nederland is daarmee wel bekend binnen dat deel van de Somalische gemeenschap dat hier reeds langer verblijft.

De ervaring leert dat op het onderwerp vrouwenbesnijdenis nog een dusdanig cultureel taboe rust dat het zich eerder leent voor behandeling in een sfeer van vertrouwelijkheid dan dat het onderdeel zou moeten zijn van een algemeen introductieprogramma voor nieuwkomers. Gezondheidsvoorlichters in de landelijke asielzoekerscentra casu quo instanties die de inburgering op lokaal niveau uitvoeren, kunnen de voorlichting op de eerstgenoemde wijze optimaal afstemmen op de betreffende doelgroep.

Eén van de thema's van de hierboven genoemde expertmeeting zal zijn op welke wijze effectieve voorlichting kan worden gegeven, niet alleen over de strafwaardigheid van vrouwenbesnijdenis, maar ook over de gezondheidsrisico's en het groeiende besef in de landen van herkomst dat de traditie van vrouwenbesnijdenis moet worden uitgebannen.


4b en 4c.

Ik stel mij nog steeds op het standpunt dat het jaarlijkse subsidiebedrag dat aan de Stichting Pharos wordt verleend, voldoende mogelijkheden biedt om actiever uitvoering te geven aan het beleid inzake het bestrijden van vrouwenbesnijdenis (zie antwoord op vraag
3). Niettemin ben ik bereid om, mede gelet op de wens van de Kamer en de grote bereidheid van vertegenwoordigers van de Somalische gemeenschap en hulpverleners in de zorg om een bijdrage te leveren aan het uitbannen van vrouwenbesnijdenis, het beleid tijdelijk een extra financiële impuls te geven. Ik zal hiervoor de Stichting Pharos aanvullend financieel ondersteunen voor een periode van twee jaar.
Deze extra middelen kunnen worden ingezet ten behoeve van een intensivering van voorlichting aan hulpverleners in de zorg en voorlichting aan Somaliërs met behulp van sleutelfiguren uit de Somalische gemeenschap.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Antwoord Kamervragen over besnijdenis meisjes in Nederland '




Lees ook