Ministerie van Financiën

Persbericht
PERS-2002-187
Den Haag, 24 juli 2002

Antwoorden van de staatssecretaris van Financiën op vragen van mw. Vroonhoven-Kok over BTW-heffing voor directeuren

Vragen


1. Kent u het arrest van de Hoge Raad van 26 april jl.inzake de positie van de directeur-grootaandeelhouder (DGA) voor de omzet belasting, waaruit dat een DGA in een veel groter aantal gevallen wordt geacht als ondernemer voor de omzetbelasting te handelen?


2. Heeft dit arrest tot gevolg dat de DGA BTW in rekening moet brengen aan zijn eigen BV over zijn salaris en andere vergoedingen die hij van de onderneming ontvangt, als beloning voor zijn arbeid?


3. Zal deze uitspraak voor de DGA's een enorme administratieve rompslomp met zich meebrengen die met name neerkomt bij het MKB, terwijl juist de administratieve lastenverlichting een belangrijk beleidsvoornemen is? Bent u bereid na te denken over een oplossing-zo ja-in welke richting?  

4. Komen de ondernemers die in een praktijkvennootschap vrijgestelde presentaties verrichten (bijvoorbeeld tandartsen en fysiotherapeuten), niet eens in aanmerking voor de teruggaaf van BTW, die door de DGA aan deze praktijkvennootschappen in rekening moet worden gebracht? Kan dit consequenties hebben voor het functioneren van bijvoorbeeld de zorgsector? Bent u bereid na te denken over een oplossing-zo ja-, in welke richting?

Antwoorden


1. Ja.



2. Uit het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2002, nr. 35 775, blijkt dat de directeur van een vennoot­schap waarvan hij meer dan de helft van de aandelen bezit voor de jegens de vennootschap verrichte werkzaamheden kwalificeert als ondernemer in de zin van de omzetbelasting. Over zijn salaris en andere vergoedingen die hij in dit kader ontvangt is de directeur-grootaandeelhouder, tenzij een vrijstelling van toe­passing is, in beginsel omzetbelasting verschuldigd.


3 en 4. Ingevolge artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 kunnen natuurlijke personen en lichamen die ondernemer zijn en in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verwe­ven dat zij een eenheid vormen bij beschikking van de inspecteur als één ondernemer worden aange­merkt. Deze bepaling ziet ook op de directeur-grootaandeelhouder en zijn vennootschap nu de directeur-grootaandeelhouder voor zijn jegens de vennootschap verrichte werkzaamheden tot ondernemer is be­stempeld. Na de vaststelling van een fiscale eenheid tussen de directeur-grootaandeelhouder en zijn vennootschap geldt voortaan alleen de fiscale eenheid als ondernemer voor de omzetbelasting. Dit heeft onder andere tot gevolg dat de prestaties van de directeur-grootaandeelhouder niet langer belastbare prestaties vormen en de directeur-grootaandeelhouder geen eigen administratieve verplichtingen krijgt opgelegd. De administratieve verplichtingen van de fiscale eenheid zelf betreffen feitelijk alleen de activi­teiten van de vennootschap, aan welke verplichtingen de vennootschap ook voor het bestaan van de fis­cale eenheid al moest voldoen. De vaststelling van een fiscale eenheid tussen de directeur-grootaan­deel­houder en zijn vennootschap leidt er naar mijn mening dan ook toe dat op het administratieve vlak nau­welijks een verandering zal optreden ten opzichte van de voor het arrest bestaande situatie.

Genoemde wetsbepaling biedt overigens niet de mogelijkheid om een fiscale eenheid aan te nemen tussen de directeur-grootaandeelhouder en zijn vennootschap wanneer de directeur-grootaandeelhouder door middel van zijn vennootschap deelneemt in een maatschap en de rol van de vennootschap zich louter daartoe beperkt. Evenmin kan een fiscale eenheid worden aangenomen in bepaalde gevallen waarin een directeur-grootaandeelhouder meer dan de helft van de aandelen bezit in meer dan één vennootschap. Om echter geen ongelijke behandeling te krijgen tussen deze (meer dan inci­denteel voorkomende) situaties en de situatie waarin de directeur-grootaandeelhouder met zijn vennoot­schap wel een fiscale eenheid vormt - in beide situaties zijn in de werkzaamheden van de directeur-groot­aandeelhouder geen wezenlijke verschillen te onderkennen - heb ik erin bewilligd dat in deze situaties wordt gehandeld als ware sprake van een fiscale eenheid. Voor zijn jegens de vennootschap verrichte werkzaamheden be­hoeft de directeur-grootaandeelhouder zich dan niet als ondernemer aan te melden. 

Het voorgaande wordt bij administratief besluit bekendgemaakt en betekent naar mijn oordeel dat er geen grond bestaat voor de vrees dat door het arrest van de Hoge Raad een enorme administratieve romp­slomp ontstaat of in de vrijgestelde sfeer extra belastingheffing optreedt. In het besluit zijn voorts aanwij­zingen gegeven om de registratie van de fiscale eenheden zo soepel mogelijk te laten verlopen.

Woordvoerder:  R.C. van Koperen

Deel: ' Antwoord kamervragen over BTW-heffing voor directeuren '




Lees ook