Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's-Gravenhage

Azië en Oceanië

Oost-Azië

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 26 februari 1999
Kenmerk DAO/OA-99-114
Blad /3
Bijlage(n) 1
Betreft Vragen van het lid de heer Verhagen over een campagne tegen religie in Tibet
C.c.

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer, d.d. 17 februari 1999, kenmerk 2989907730, waarbij gevoegd waren de door het lid de heer Verhagen overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U als bijlage dezes mijn antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken

Antwoord van de heer Van Aartsen, Minister van Buitenlandse Zaken, op vragen van het lid de heer Verhagen:

Vraag 1:

Is het waar dat het Chinese gezag in Tibet een pers- en tv-campagne begonnen is tegen religie?

Antwoord 1:

Ik heb kennis genomen van de berichtgeving in de Nederlandse media hieromtrent. Ook uit andere mediabronnen zoals de Tibet Information Network, Agence France Presse e.a. is dit bericht tot mij gekomen. De in deze mediabronnen genoemde "patriotic education campaign" dateert van 1995 en wordt geregeld nieuw leven in geblazen. Zo hield volgens de Lhasa Tibet Television Network op 8 januari jl. de directeur van het propaganda departement van de Chinese communistische partij een toespraak tot zo'n 100 personen, waarbij atheïsme werd gepropageerd. Aan deze gebeurtenis refereren de genoemde media. De campagne is in feite niet zozeer gericht tegen de vrijheid van godsdienst als zodanig, maar tegen de onafhankelijkheidsbeweging in Tibet, die zich in Chinese ogen binnen de uitoefening van de vrijheid van godsdienst in China manifesteert.

Vraag 2:

Op welke wijze meent de Nederlandse regering in het kader van de zesde mensenrechtendialoog EU-China een einde te kunnen maken aan het gedwongen opleggen van atheïsme nu Nederland voorgesteld heeft bijzondere aandacht te schenken aan de situatie in Tibet, waaronder de waarborging van politieke en religieuze vrijheden?

Vraag 3:

Zal Nederland zich in het kader van de EU inzetten om de Chinese regering op te roepen een einde temaken aan de campagne tegen religie in Tibet?

Antwoord 2 en 3:

Bij mijn brief van 10 februari jl., kenmerk DAO/OA-99-77, heb ik de Kamer geïnformeerd over de inzet van Nederland in de zesde ronde van de EU-China mensenrechtendialoog die plaats vond te Berlijn op 8 en 9 februari 1999. Als aanvulling daarop diene dat, overeenkomstig de Nederlandse inzet, tijdens deze dialoogronde de waarborging van politieke en religieuze vrijheden inderdaad aan de orde is gesteld, waarbij in het bijzonder is gerefereerd aan de atheïstische propaganda in Tibet. Ook in volgende ronden van de EU-China dialoog zal Nederland aandacht blijven vragen voor de situatie in Tibet, in het bijzonder voor de naleving van politieke en religieuze rechten aldaar. Daarnaast zal ik in bilaterale contacten aan de Nederlandse bezorgdheid over de situatie in Tibet uiting geven.

Deel: ' Antwoord kamervragen over campagne tegen religie in Tibet '




Lees ook