Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

De Voorzitter van de Vaste Commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
DL. 19994856
datum
05-10-1999

onderwerp
Beantwoording vragen over de quotumbeurs
(TRC 1999/3744) doorkiesnummer

bijlagen
1

Geachte Voorzitter,

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de vragen van de Vaste Commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangaande de brief van mijn ambtsvoorganger inzake het beleidsvoornemen over de overdracht van melkquota.

De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

mr. L.J. Brinkhorst

up

datum
05-10-1999

kenmerk
DL. 19994856

bijlage

Antwoorden op de vragen van de Vaste Commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij naar aanleiding van de brief van de minister van LNV inzake het beleidsvoornemen over de overdracht van melkquota

Vraag 1 en vraag 6
Welke gevolgen heeft het verhandelen van melkquota los van de grond voor:
a. de ruimtelijke verdeling van melkveebedrijven over Nederland, b. de hoeveelheid melkquotum die zal worden verhandeld en c. de grondprijzen voor grasland?

Wat is de te verwachten invloed van invoering van de quotumbeurs op de grondprijs?

Antwoord:
Via de quotumbeurs kunnen melkveehouders quotum verkopen zonder tegelijkertijd grond (tijdelijk) over te dragen. Aan kopers van melkquotum los van de grond zal de eis worden gesteld dat zij na de aankoop van melkquotum via de quotumbeurs niet over meer quotum beschikken dan 20.000 kg per ha. Dit zal betekenen dat er geen belemmeringen zijn voor quotumoverdracht van intensieve bedrijven naar minder intensieve bedrijven. De verwachting is dat de melkveehouderij, mede onder invloed van de integrale aanpak van de mestproblematiek, deels zal verschuiven van Zuid- en Oost-Nederland naar Noord-Nederland. De ontwikkeling naar een meer grondgebonden melkveehouderij kan door de quotumbeurs worden gefaciliteerd. Er wordt geen belangrijke invloed verwacht op de hoeveelheid quotum die zal worden verhandeld.
Het is niet de verwachting dat de grondprijzen substantieel beïnvloed worden door de mogelijkheid om via de beurs quotum los van de grond te verhandelen. Andere ontwikkelingen zoals schaalvergroting, mestbeleid, het streven naar sterkere grondgebondenheid en de onttrekking van landbouwgrond voor andere functies zullen daarvoor veel meer bepalend zijn.
Met het oog op de onzekerheden die kleven aan de invoering van een quotumbeurs heb ik besloten de in te stellen beurs na 2 jaren integraal te evalueren. Deze evaluatie kan aanleiding zijn tot bijstelling of zelfs beëindiging van de beurs.

Vraag 2, vraag 21, vraag 48
Om welke redenen verwacht de regering dat de prijsvorming na invoering van een quotumbeurs op een meer verantwoorde wijze zal plaatsvinden? Waarop is die veronderstelling gebaseerd?
Kan worden toegelicht waarom de quotumbeurs de transparantie van de markt vergroot?
In welke mate kan de transparantie van de quotummarkt worden vergroot, ten opzichte van de huidige situatie op de markt?

Antwoord:
In de huidige situatie wordt door melkveehouders het inzicht in de quotummarkt als onvoldoende ervaren. Melkveehouders beschikken niet over verifieerbare gegevens over de omvang van de vraag, de omvang van het aanbod en de exacte prijs waarvoor het quotum wordt overgedragen. De koper en verkoper zijn daarvoor afhankelijk van informatie van bemiddelaars. De gerealiseerde prijzen zijn bovendien lastig te vergelijken omdat er allerlei verschillen zijn tussen transacties (mate waarin het quotum al benut is, vetgehalte en het moment waarop de transactie financieel wordt afgewikkeld).
Bij een quotumbeurs is er maandelijks informatie beschikbaar over de vraag, het aanbod, het aantal en totale omvang van de tot stand gekomen transacties en de quotumprijs. Bij de quotumbeurs gaat het daarbij om quotumtransacties van melkquotum die direct nadat de transacties tot stand zijn gekomen, worden overgedragen en afgerekend. Daarnaast zijn de kosten voor het tot stand komen van transacties via de beurs bekend.
Deze informatie vergroot de transparantie van de quotummarkt en verschaft de veehouder relevante informatie als hij quotum wil kopen of verkopen.

Vraag 3, vraag 12, vraag 13, vraag 20
Kloppen de berichten (o.a. Agrarisch Dagblad, 25 juni 1999) dat uit onderzoek is gebleken dat een quotumbeurs niet bijdraagt tot verlaging van de quotumprijs?
Wat zijn de gevolgen van de quotumbeurs voor de prijs van het melkquotum?
Waarop is de stelling gebaseerd dat door invoering van een quotumbeurs de kosten van quota zullen dalen?
Kan nader worden aangegeven welke gegevens de veronderstelling rechtvaardigen dat de voorgenomen maatregelen leiden tot een verlaging van de prijs van het melkquotum?

Antwoord:
De prijs van melkquota komt op de beurs tot stand op grond van vraag en aanbod. De instelling van een quotumbeurs waarvan bedrijven met meer dan 20.000 kg quotum per hectare zijn uitgesloten in combinatie met het beperken van het verleasen zullen naar verwachting een - zij het beperkte - verlaging van de quotumprijs bewerkstelligen. Dit wordt veroorzaakt door een grotere transparantie van de quotummarkt, het beperken van de vraag doordat de bedrijven met meer dan 20.000 kg quotum per ha niet tot de beurs worden toegelaten en door een groter aanbod omdat bedrijven die het volledige quotum verleasen na maximaal twee jaar het quotum moeten verkopen of weer zelf moeten gaan melken.

Vraag 4 en vraag 5
Klopt het dat er sprake zal zijn van een bovengrens van 20.000 kg per ha in de plannen van de regering? En zo ja, wat is de motivering van deze bovengrens en waarom is niet gekozen voor een koppeling aan de vetreferentie?
Wat is het gevolg van het instellen van een eventuele bovengrens van 20.000 kg per ha voor de concurrentiepositie van melkveehouderijbedrijven die het opfokken van hun jongvee aan derden uitbesteden?

Antwoord:
In de brief van 27 april is aangekondigd dat aan de kopers en verkopers van quotum via de beurs nader te bepalen voorwaarden worden gesteld. De bedoeling is om aan de kopers de voorwaarde te stellen dat zij na de aankoop van het quotum niet over meer quotum beschikken dan 20.000 kg per ha.
Met deze voorwaarde wordt mede invulling gegeven aan de ontwikkeling naar een meer grondgebonden melkveehouderij. Hiermee wordt voorkomen dat intensieve melkveebedrijven nog verder intensiveren of dat er nieuwe zeer intensieve melkveebedrijven ontstaan. De grens van 20.000 kg per ha komt voor een gemiddeld bedrijf dat de afgelopen jaren quotum heeft gekocht overeen met ruim 3 GVE (inclusief jongvee) per hectare. Voor een bedrijf dat geen jongvee aanhoudt komt het overeen met een veebezetting van ruim 2,5 GVE. De grens van 20.000 kg per ha is in alle gevallen een redelijke grens vanuit het streven naar grondgebondenheid.
De Europese Verordening staat loskoppeling van quotum en grond alleen toe in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld om de melkproductie op het niveau van het bedrijf te verbeteren of bij te dragen tot de extensivering van de productie. Om gebruik te kunnen maken van de in de Verordening gecreëerde mogelijkheid van overdracht van quotum los van de grond kies ik voor een criterium dat gericht is op extensivering.
Er is niet gekozen voor een koppeling aan de vetreferentie omdat dit niet strookt met de Europese Verordening.

Vraag 7
Welk deel van het melkquotum mag wel en welk deel mag niet via de quotumbeurs worden verhandeld? Welke criteria gelden daarbij? In hoeverre worden GVE-normen als grens voor het verhandelen gebruikt?

Antwoord:
Een veehouder die melkquotum wil verkopen (en daartoe gerechtigd is) kan zijn volledige quotum dat nog niet is benut via de quotumbeurs verkopen. Er gelden voor de verkopers geen nadere criteria. Voor kopers geldt de eis dat zij na aankoop van melkquotum via de quotumbeurs niet over meer quotum beschikken dan 20.000 kg per ha.

Vraag 8
Kan grond met quotum (niet zijnde een geheel bedrijf) ook nog buiten de quotumbeurs om worden verhandeld?

Antwoord:
Ja, bilaterale quotumoverdracht met grond blijft in alle gevallen mogelijk. De voorwaarden die aan quotumoverdracht met grond worden gesteld, zullen worden aangepast.

Vraag 9, vraag 49, vraag 50
Wat zijn naar verwachting de exploitatiekosten van de quotumbeurs en wat zijn de transactiekosten voor de handelende partijen? Wat zijn gemiddeld de huidige transactiekosten voor partijen als zij gebruik maken van een makelaar?
Het opzetten van de quotumbeurs zal worden verricht door een publiekrechtelijke instantie. Kan een inschatting worden gegeven van de kosten voor het opzetten van een dergelijke beurs? Kan een inschatting worden gegeven van de quotumtransactiekosten voor de belanghebbenden?

Antwoord:
Het Productschap Zuivel verwacht dat de eenmalige kosten van het opzetten van een quotumbeurs ca. fl. 350.000,- zullen bedragen. Het Productschap verwacht dat, ervan uitgaande dat tenminste 50% van de transacties van quotum via de quotumbeurs gaat lopen, een transactietarief van fl. 100,- kan worden gehanteerd voor zowel koper als verkoper. Daarnaast wordt gedacht aan een inschrijfgeld van fl. 25,- per aangeboden of gevraagde partij. De kosten voor een transactie bedragen dan totaal fl. 250,-. De genoemde bedragen moeten gezien worden als indicatie voor de kosten.
De bemiddelaars die momenteel hun diensten verlenen bij de handel in melkquotum, hanteren daarbij verschillende formules. Enerzijds zijn er bemiddelaars, die met een verkoper van melkquotum een opbrengstprijs afspreken en daarna een koper zoeken. Het verschil tussen de aan- en verkoopprijs is de marge voor de bemiddelaar. Transactiekosten worden hierbij vaak niet in rekening gebracht. Anderzijds zijn er bemiddelaars die verkoper en koper in contact brengen, zonder dat er sprake is van een marge. Hierbij worden wel transactiekosten in rekening gebracht. Hierin bestaat nauwelijks inzicht, maar in een aantal gevallen wordt een minimumtarief van fl. 700,- gehanteerd.

Vraag 10
In hoeverre nemen de administratieve lasten met de invoering van de quotumbeurs toe?

Antwoord
Voor de partijen die aan de quotumbeurs deelnemen is sprake van een afname van de administratieve lasten. Verkopers en kopers van quotum behoeven bij overdracht geen grond (tijdelijk) over te dragen. Voor de uitvoerende organisatie zal de administratieve last van de beoordeling van aanvragen enigszins toenemen ten opzichte van het huidige overdrachtssysteem.
De uitvoering van de beurs zelf kan vérgaand geautomatiseerd worden en zal beperkte administratieve lasten met zich brengen, met name afhankelijk van de voor de uitvoering van de financiële afwikkeling van transacties gemaakte keuzen.

Vraag 11
In welke mate dient de quotumbeurs financieel zelfvoorzienend te zijn? Hoeveel mensen (fte's) zullen betrokken zijn bij de quotumbeurs?

Antwoord
De quotumbeurs zal financieel zelfvoorzienend moeten zijn, dat wil zeggen dat de gebruikers van de beurs de kosten moeten dragen. De kosten betreffen met name het matchen van vraag en aanbod, alsmede de financiële afhandeling. De extra inzet van fte's ten behoeve van de quotumbeurs zal waarschijnlijk beperkt blijven tot enkele fte's aangezien vergaande automatisering mogelijk is.

Vraag 14
Zijn hoge prijzen van het melkquotum niet het gevolg van de concurrentiekracht van de Nederlandse melkveehouderij en in die zin als positief te beoordelen?

Antwoord:
De hoge quotumprijs in Nederland duidt op vertrouwen in de toekomst van de melkveehouderij. Het geeft ook aan dat er een grote behoefte is om de bedrijfsomvang uit te breiden. Uit het onderzoek dat LNV in het voorjaar van 1998 heeft uitgevoerd blijkt dat de concurrentiepositie van de Nederlandse melkveehouderij in Europa nog goed is, maar dat enkele andere regio's in Europa inmiddels een sterkere concurrentiepositie hebben ontwikkeld. Met name het grote aandeel van de vaste kosten (quotum, grond, gebouwen) in de kostprijs maakt de Nederlandse melkveehouderij kwetsbaar.

Vraag 15
Hoe breed wordt de uitdrukkelijke wens om tot verandering van beleid te komen, gedragen?

Antwoord:
De voorstellen worden gesteund door LTO-Nederland. De Stichting "Handen af van Melkleasen" wijst de voorstellen af. Het NAJK heeft begin juni schriftelijk laten weten het beleidsvoornemen te steunen, maar tevens voorstander te zijn van het afromen bij quotumoverdracht. Uit de pers heb ik begrepen dat het NAJK inmiddels de quotumbeurs minder positief beoordeelt.
Uit een enquête uitgevoerd in opdracht van het Agrarisch Dagblad (Agrarisch Dagblad 10-7-1999) bleek een meerderheid van de melkveehouders voorstander te zijn van de voorgenomen aanpassingen van het beleid.
Mede met het oog op de uiteenlopende opvattingen acht ik evaluatie na 2 jaren zinvol en wenselijk.

Vraag 16
Extern deskundige prof. Dr. E.J. Bomhoff verwacht geen kostenverlaging als gevolg van de beleidsvoornemens. Worden de maatregelen in dat geval overbodig?

Antwoord:
De heer Bomhoff is gevraagd om te reageren op de studie naar het systeem van overdracht van melkquotum van voorjaar 1998, waarin een aantal afzonderlijke varianten voor aanpassing van het quotumbeleid zijn beoordeeld. Hij is niet gevraagd het beleidsvoornemen in samenhang te analyseren. De heer Bomhoff heeft geconcludeerd dat het beperken van het leasen niet tot prijsdaling leidt. Mijn verwachting is dat een beperkte prijsdaling zal optreden. De heer Bomhoff heeft overigens de aanbeveling gedaan om quotum en grond los te koppelen. Met de instelling van de beurs wordt deze aanbeveling vorm gegeven. Daarnaast wordt met het beleidsvoornemen tevens beoogd de grondgebondenheid van de melkveehouderij te stimuleren.

Vraag 17 en vraag 40:
Een makelaar bemiddelt en een handelaar mag kopen en speculeren. Is het juist dat de bemiddelaar door de quotumbeurs wordt uitgeschakeld en de handelaar niet? Heeft dat geen prijsopdrijvend effect? In hoeverre wordt het effect van speculatie teruggedrongen en in hoeverre wordt het indammen van de handelsvrijheid teruggedrongen?

Antwoord:
Kopers en verkopers van quotum kunnen bij de huidige grondgebonden transacties bijstand inroepen van een bemiddelaar/makelaar. Ook bij transacties via de beurs kunnen veehouders zich laten bijstaan door een bemiddelaar/makelaar.
De quotumbeurs staat alleen open voor melkveehouders. De mogelijkheid van speculatie wordt daarnaast tegengegaan door niet toe te staan dat één en dezelfde partij binnen één heffingsperiode koop- en verkooptransacties via de beurs kan verrichten. Meerdere koop- of meerdere verkooptransacties binnen één en dezelfde heffingsperiode door dezelfde koper of verkoper zijn vanzelfsprekend wel mogelijk. Voorts is de verwachting dat door de invoering van de melkquotumbeurs quotumtransacties transparanter worden waardoor eveneens speculatie wordt tegengegaan.
De mogelijkheid om straks via de beurs quotum losgekoppeld van de grond te verhandelen is een mogelijkheid die thans niet bestaat. In zoverre is eerder sprake van een uitbreiding van de handelsvrijheid dan van een belemmering.

Vraag 18 en vraag 19
Is de quotumbeurs het enige middel om tot een verantwoorde prijsvorming te komen voor de overdracht van melkquotum? Zijn andere vormen voor inzichtelijke prijsvorming denkbaar?

Antwoord:
Voor inzichtelijke prijsvorming is informatie over de prijsontwikkeling en vraag en aanbod noodzakelijk. Het is in principe mogelijk om een databank te organiseren waar melkveehouders vrijwillig de prijs, die zij betaald hebben of ontvangen hebben voor gekocht en verkocht quotum, melden. De verwachting is dat zo'n vrijwillige databank niet zal functioneren omdat veehouders deze informatie niet zullen verstrekken.
Een beurs is geschikt om de handel in een uniform product te organiseren. Melkquotum losgekoppeld van grond is zo'n product.

Vraag 22
Zijn andere voornemens in overweging genomen om de prijs van het melkquotum te drukken? Zo ja, welke? Kan bij elk van die eventuele alternatieven worden aangegeven waarom deze door de regering niet voor verdere uitwerking in aanmerking zijn genomen?

Antwoord:
Ik heb naast de voorgestelde maatregelen de volgende maatregelen overwogen: een systeem van afromen van melkquota bij overdracht van quota (a), het instellen van een grens van 15.000 kg melkquotum per ha waarboven een bedrijf geen quotum mag aankopen (b) en het stopzetten van de vrije handel in melkquota en dit vervangen door een systeem waarin de overheid vrijkomende quota toewijst (c) stopzetten van de mogelijkheid om aangekochte quota fiscaal te kunnen afschrijven (d). De belangrijkste nadelen van deze maatregelen zijn: a. Afromen
+ Afgeroomde quota moeten via de nationale reserve worden toegewezen aan specifieke groepen of alle melkveehouders. De allocatie van quotum is niet optimaal. + Er wordt ontwijkgedrag verwacht, wat de uitvoeringslast doet toenemen.
b. Bovengrens van 15.000 kg melkquotum per ha. + Een bovengrens van 20.000 kg quotum per ha is voor de komende jaren een passende bovengrens voor een grondgebonden melkveehouderij. Een grens van 15.000 kg per ha is voor bedrijven met een hoge melkproductie per koe en/of weinig jongvee een grens die scherper is dan de veebezetting die in het integrale mestbeleid wordt toegestaan op basis van eigen grond van de melkveehouder (zonder mestafzetcontracten). + Toewijzen door de overheid
+ Een dergelijk zwaar ingrijpen door de overheid in de allocatie van de productie is niet wenselijk. c. Stopzetten van fiscaal afschrijven op aangekocht quotum + Deze maatregel verlaagt de werkelijke quotumkosten niet.

Vraag 23
Kan de regering aangeven welke Europees rechtelijke aspecten een rol spelen bij de instelling van de beurs?

Antwoord:
De hoofdregel bij overdracht van melkquotum is dat quotum in samenhang moet geschieden met de overdracht van voor de melkproductie gebruikte grond (artikel 7, eerste lid, van verordening (EEG) nr 3950/92 en uitgewerkt in artikel 15 van de (nationale) Regeling superheffing 1993). De lidstaat mag de definitieve overdracht van referentiehoeveelheden zonder overeenkomstige overdracht van gronden toestaan, teneinde de structuur van de melkproductie op het niveau van het bedrijf te verbeteren of indien een bijdrage wordt geleverd tot de extensivering van de productie (artikel 8 e van verordening 1256/99 van de Raad van 17 mei 1999, waarbij verordening (EEG) nr. 3950/92 werd gewijzigd). De voorstellen met betrekking tot de quotumbeurs zijn op hoofdlijnen besproken met de Europese Commissie. Afgesproken is dat de uitgewerkte voorstellen wederom voor commentaar aan de Europese Commissie zullen worden voorgelegd.

Vraag 24
In hoeverre is het volgens de regering zinvol om het Nederlandse quotumstelsel nu nog op de kop te zetten in het licht van de mogelijke afschaffing van de melkquotering in Europees verband binnen afzienbare termijn?

Antwoord:
Bij de besluiten in het kader van Agenda 2000 is overeengekomen om de melkquotering met 8 jaar te verlengen, tot en met 1 april 2008. Van afschaffing van de melkquotering binnen afzienbare termijn is daardoor geen sprake meer.

Vraag 25
Om welke reden blijft de overdracht van gehele bedrijven buiten de quotumbeurs?

Antwoord:
De quotumbeurs is niet geschikt om gehele bedrijven te verhandelen (grond, gebouwen en quotum) omdat het geen uniform product betreft. Bij bedrijfsoverdracht van het gehele bedrijf, zoals bij overdracht in familieverband, is het doel om het bedrijf volledig over te dragen en voort te zetten. Een verplichting het quotum te verkopen en vervolgens weer aan te kopen via de beurs ligt in deze situatie niet voor de hand. Het compliceert de bedrijfsoverdracht onnodig. Het is overigens niet uitgesloten het volledige quotum via de beurs te verkopen.

Vraag 26 en vraag 27
Wanneer is sprake van de overdracht van een geheel bedrijf? Is bijvoorbeeld alleen sprake van een gehele bedrijfsoverdracht indien het gehele melkquotum incl. alle gronden wordt overgedragen of mag een deel van de gronden ook buiten de verhandeling blijven? Zo ja, welke gronden en hoeveel?

Antwoord:
Van gehele bedrijfsoverdracht is sprake indien de gehele referentiehoeveelheid wordt overgedragen in samenhang met de overdracht van de voor de melkproductie gebruikte grond. Indien er sprake is van een gemengd bedrijf, bijvoorbeeld bestaande uit een melkveehouderijtak en een stierenmesterijtak, dan is van gehele bedrijfsoverdracht van de melkveehouderijtak sprake, indien alle bedrijfsmiddelen die verband houden met de melkveehouderij, inclusief de voor de melkveehouderij aangewende grond en het gehele melkquotum worden overgedragen. In dat geval behoeft de stierenmesterijtak alsmede de daarvoor eventueel aangewende oppervlakte voedergewassen niet te worden overgedragen.

Vraag 28, 29 en 59
Hoe zijn de rechten van pachters en verpachters gewaarborgd? Kunnen beide partijen erop vertrouwen dat geen melkquotum zonder elkaars medeweten wordt verhandeld? Zo ja, hoe is dat dan geregeld? Kan de regering de effecten, zowel financieel als bedrijfstechnisch, voor de pachter in kaart brengen, met name het aspect waarbij de grondgebondenheid verdwijnt?
Wat zijn de gevolgen voor de pacht, bezien vanuit a. de positie van de verpachters en
b. de positie van de pachters?

Draagt deze maatregel bij aan de doelstelling van de pachtaanpassing, namelijk het terugdringen van de achteruitgang van het pachtareaal, of versterkt deze maatregel juist de teruggang?

Antwoord:
De instelling van de melkquotumbeurs brengt geen verandering in de bestaande pachter-/ verpachterverhoudingen. In pachtsituaties wordt melkquotum altijd op naam van de pachter geregistreerd bij het COS, maar als de pachter het quotum bij aanvang van de pachtovereenkomst van de verpachter (mede) heeft gepacht, mag hij (een deel van) dat quotum niet verkopen zonder (schriftelijke) toestemming van de verpachter. Verkoopt de pachter toch zonder toestemming van de verpachter en krijgt de verpachter daarvan kennis, dan kan de verpachter een vordering tot pachtontbinding en schadevergoeding krachtens artikel 25 van de Pachtwet instellen bij de pachtrechter. De pachtrechter moet dan oordelen over de ernst van de wanprestatie en kan tot pachtontbinding en/of tot het betalen van een schadevergoeding oordelen. De pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem heeft zich inmiddels al een aantal malen in deze zin uitgesproken.

De grondgebondenheidseis bij quotumtransacties in het algemeen verdwijnt niet. Via de melkquotumbeurs zullen uitsluitend quotumtransacties losgekoppeld van de grond kunnen plaatsvinden.

Indien in pachtsituaties melkquotum via de quotumbeurs wordt verhandeld, heeft dat geen invloed op de bestaande pachter-/verpachterverhoudingen. De pachter die "eigenaar" is van het quotum mag quotum zonder grond via de beurs verkopen. De pachter die geen "eigenaar" is van het quotum dat wel op zijn naam bij het COS staat geregistreerd mag het quotum alleen via de beurs verkopen met instemming van de verpachter, tenzij pachter en verpachter in de pachtovereenkomst anders zijn overeengekomen. De opbrengst wordt aan de pachter uitbetaald, doch afhankelijk van de aard van het pachtcontract (voor of na 1984) heeft de verpachter recht op een deel of de gehele opbrengst.

De situatie bij het beperken van het verleasen van quotum is als volgt.
Pachters zijn (tenzij in de pachtovereenkomst anders is bepaald) gerechtigd het quotum, waarover zij beschikken, te verleasen. Door de voorgestelde beperkingen ten aanzien van het verleasen van quota zal het voor een pachter niet langer mogelijk zijn het op zijn naam geregistreerd staande quotum permanent te verleasen. Na de overgangstermijn van twee jaar zal de pachter moeten kiezen tussen:
* Zelf gaan melken;

* De pachtovereenkomst beëindigen, waardoor de verpachter het gepachte pachtvrij krijgt. De verpachter moet dan beslissen ofwel zelf de melkproductie ter hand te nemen, ofwel het gepachte opnieuw in pacht uit te geven aan een melkveehouder.
* Na overeenstemming met de verpachter het quotum verkopen.

De verpachter heeft bij het pachtvrij komen van het object de mogelijkheid het object te verkopen of weer opnieuw te verpachten aan een melkveehouder, inclusief bijbehorend melkquotum. In alle gevallen komt het quotum na de overgangsperiode weer in handen van een actieve melkproducent.
De maatregelen zullen naar verwachting geen invloed hebben op de omvang van het pachtareaal.

Vraag 30
Zitten er fiscale gevolgen aan het loskoppelen van het melkquotum van de grond, zo ja, welke?

Antwoord:
Nee, de fiscale behandeling van melkquota verandert door de loskoppeling niet.

Vraag 31
Kan gedurende het gehele (superheffings-)jaar quotum worden verhandeld?

Antwoord:
Ja, de quotumbeurs zal maandelijks draaien, mogelijk met uitzondering van enkele maanden aan het eind van het superheffingsjaar.

Vragen 32, 33, 34 en 60
Kan de regering een overzicht geven van de regels ten aanzien van het verhandelen, respectievelijk leasen, van melkquotum in de ons omringende landen, dat wil zeggen: België, de BRD en het VK, met daarbij een beoordeling van de positieve en negatieve kanten van de aldaar aanwezige systemen? Hoe gaan andere lidstaten om met deze problematiek?

Antwoord:
De communautaire regels inzake het tijdelijk (leasing) of permanent verhandelen van melkquota zijn geregeld in de EU-verordening 3950/92. De nationale implementatie verschilt van Lidstaat tot Lidstaat. Dit afhankelijk van de nationale structuur en de historische ontwikkeling van de zuivelsector alsmede de wens al of niet structuurbeleid te voeren met melkquota.

Het Verenigd Koninkrijk en Nederland hebben, tot op heden, altijd geopteerd voor een liberale vorm van quotumverhandeling (zowel bij permanente overdracht als tijdelijke), met zo min mogelijk overheidsbemoeienis. Zo is leasen in deze landen toegestaan voor de maximale periode en voor de totale omvang van het melkquotum. In Duitsland wordt leasen geheel verboden. In België mag, in principe, per producent maximaal 10.000 liter ge- of verleased worden.

Inzake de permanente overdracht wordt in het Verenigd Koninkrijk ook gebruik gemaakt van art 8.e van de EG-verordening. Op verzoek van de producent mag quotum los van grond worden overgedragen teneinde de structuur van het bedrijf te verbeteren of bij te dragen aan de extensivering.

In België kan het melkquotum (los van verhandeling binnen familieverband of nieuwkomers die een heel bedrijf overnemen) via twee sporen worden verhandeld:

* overdracht van quotum gekoppeld aan grond. Hier geldt een vaste verhouding van 20.000 liter/ha. Verder geldt er een maximale afstand (30 km) waarbinnen verhandeld mag worden en moet de grond minstens 9 jaar feitelijk door de verwerver worden gebruikt.
* verhandeling via quotumfonds. De (ver)koopprijs is vastgesteld op 15 Bfr/liter voor melk met een vetgehalte van 3,7%. De helft van de beschikbare melk is bestemd voor jongeren. Kopers mogen niet over een groter quotum beschikken dan 20.000 liter/ha.

In Duitsland werkt men aan een systeem dat tijdelijke overdracht (leasen en (nieuwe) pachtcontracten) geheel verbiedt. Partijen mogen wel lopende pachtcontracten onderling verlengen. Verhandeling van quotum is, behalve bij gehele bedrijfsovername, alleen mogelijk via de verplichte quotumbeurs waarbij grond en quotum zijn ontkoppeld. De beurs zal tweemaal per jaar gaan draaien, waarbij de prijsvorming in grote lijnen via het Deense systeem zal verlopen.

In Zweden is recent, in opdracht van de regering, de verhandelbaarheid van quota geanalyseerd waarbij de invoering van een quotumbeurs een van de opties is/was. Thans worden naar aanleiding hiervan nadere voorstellen uitgewerkt die naar verwachting in september worden gepresenteerd.

Iedere Lidstaat heeft haar eigen systeem, zo goed mogelijk toegesneden op haar eigen specifieke situatie en doelstellingen. Elk systeem heeft voor- en nadelen, tot uitdrukking komend in de structuurontwikkeling, de quotumkosten, de fraudegevoeligheid en handhaafbaarheid, administratieve lasten en controle- inspanning.

Vraag 35
Wat zijn de verschillen ten opzichte van het Deense en Canadese model?

Antwoord:
Het meest principiële verschil met het Canadese model is dat in dat model wordt gehandeld per kg vet, hetgeen niet strookt met de EU-basisverordening 3950/92.
In het Deense model is de verhandeling op art 8.b van Vo. 3950/92 (verhandeling via de nationale reserve, quotumoverdracht alleen mogelijk aan het begin van een superheffingsjaar), terwijl dat in het Nederlandse model gebaseerd is op art 8.e (directe verhandeling tussen producenten). Een voor Nederland doorslaggevend verschil hierbij is dat bij art 8.e geen beperkingen gelden voor de frequentie waarmee de beurs kan draaien.
De wijze van prijsvorming op de beurs komt overigens in beide landen overeen met het Nederlandse voorstel.

Vraag 36 en vraag 43
Wat is de reactie van de regering op de afwijzende reactie van de NZO op de kabinetsplannen?

Antwoord:
De NZO heeft bij mijn ministerie aandacht gevraagd voor een aantal uitvoeringsaspecten van de quotumbeurs. Ik heb daar goede nota van genomen en zal deze aspecten betrekken bij de vormgeving van de quotumbeurs. NZO heeft tevens meegedeeld dat de organisatie zich onthoudt van een standpunt over de beleidsmatige wenselijkheid van een quotumbeurs.

Vraag 37
Kan de regering in kaart brengen op welke wijze een quotumbeurs tegemoet komt aan jonge en startende ondernemers?

Antwoord:
Voor jonge en startende ondernemers is het van groot belang dat een gezond bedrijf overgenomen kan worden met voldoende toekomstperspectief. In de periode voorafgaand aan de bedrijfsovername (bijvoorbeeld tijdens een maatschapsperiode) wordt het bedrijf vaak uitgebreid. De mogelijkheid om via de beurs tegen zo laag mogelijke kosten het quotum uit te breiden kan daarbij behulpzaam zijn. Door de mogelijkheid om quotum te verwerven zonder grond worden de kosten voor pachten van de bijbehorende grond uitgespaard.

Vraag 38 en vraag 41
Wat is de mening van de regering ten aanzien van het 'Quotumkostenbeheersplan' van het N.A.J.K.?
Is de regering voornemens een systeem van afromen te betrekken bij de invoering van de quotumbeurs? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Het NAJK stelt voor om melkquotum dat buiten familieverband wordt overgedragen af te romen met een in de loop van de jaren stijgend afroompercentage. Het NAJK wil de afgeroomde quota procentueel verdelen onder alle melkveehouders. Daarnaast wil het NAJK het leasen beperken tot 10% van het quotum.
Van het voorstel om af te romen bij overdracht zoals het NAJK voorstelt, ben ik geen voorstander. Aan het voorstel kleven de volgende nadelen:

* Bij verhandeling van quota gaan deze toe naar de ondernemers die in staat en bereid zijn om quota te kopen. De quota komen terecht bij rendabele bedrijven met uitzicht op continuïteit. Nadeel van procentuele toewijzing van afgeroomde quota is dat alle melkveehouders quotum toegedeeld krijgen, ook diegenen die niet van plan zijn om quota te verwerven. Voor de ontwikkeling van een gezonde structuur van de sector is dit niet optimaal.
* Door het beperken van het verleasen moeten verleasers die het volledige quotum verleasen de productie hervatten of het melkquotum verkopen. Dit heeft gevolgen voor de positie van de verleasers. Ik acht het niet verantwoord daarbovenop een gedeelte van de quota die deze bedrijven verkopen af te romen.
* Het voorstel kent de nodige uitvoeringsaspecten. Zo moet er onderscheid worden gemaakt tussen overdracht binnen en buiten familieverband. Het risico bestaat dat in de praktijk gezocht wordt naar mogelijkheden om het afromen te ontlopen.

Om deze redenen ben ik niet van plan om afromen bij overdracht van melkquota in te voeren.

Vraag 39
Op welke argumenten heeft de regering de verwachting gebaseerd dat de mobiliteit van grond toe zou nemen?

Antwoord:
Veehouders die meerdere jaren achtereen hun volledige quotum verleasen houden het agrarisch bedrijf in stand. Indien deze veehouders door de beperking van het volledig verleasen van het quotum besluiten om het melkquotum te verkopen, zal dat in een aantal gevallen ook betekenen dat zij het agrarisch bedrijf beëindigen. Hierdoor zal de mobiliteit van de grond worden bevorderd.

Vraag 42
In hoeverre komt de invoering van de quotumbeurs tegemoet aan sociale aspecten zoals onder andere verwoord in het rapport 'De (on)mogelijkheden in de sociale wetgeving voor quotumhouders die hun melkquotum verleasen en leasen' van Mw. H.D. Jager?

Antwoord:
De invoering van de quotumbeurs heeft geen sociale consequenties voor de melkveehouders. Dat geldt wel voor het beperken van het verleasen. Op de sociale aspecten van het beperken van het verleasen wordt in het antwoord op vraag 56 ingegaan.

Vraag 44
Melkfabrieken hebben ledenstops of werpen drempels op. Is er gedacht aan dit probleem in het geval de boeren weer zelf moeten gaan melken?

Antwoord:
Ja, hoewel er bij enkele zuivelondernemingen sprake kan zijn van een ledenstop of drempels voor nieuwe leveranciers zijn er voldoende mogelijkheden om de melk te leveren aan een zuivelverwerkend bedrijf.

Vragen 45, 58, 64, 67, 70 en 72
Is twee jaar niet een veel te korte omschakeltijd? Waarom heeft de regering gekozen voor een 'afbouwperiode' van 2 jaar en niet voor de eerder in discussie geweest zijnde termijn van 3 jaar? Hoe kunnen verworven rechten van verhuurders van melkquotum gegarandeerd worden? Heeft de regering overwogen om bestaande gevallen van het structureel verleasen te ontzien? Zo ja, welke overwegingen hebben er dan toe geleid dat hen toch de mogelijkheden van structureel verleasen van het melkquotum wordt ontnomen?
Kan de regering aangeven op welke wijze de voorliggende plannen overeenkomen met de motie Woltjer/Blauw (TK 1997-1998, 25600 XIV,r 43), waarin de regering gevraagd werd voor bestaande verleasers een acceptabele afbouwregeling te treffen met erkenning van hun historische rechten? Op welke wijze is in de voorliggende plannen met de verworven rechten van de structureel verleasers rekening gehouden? Acht de regering een overgangstermijn van twee jaar voldoende tegemoetkoming in dit opzicht?

Antwoord:
De positie van de structurele verleasers is uitvoerig in ogenschouw genomen. Daarbij is overwogen dat het doel van de leaseregeling bij de instelling ervan was de melkveehouders een extra mogelijkheid te bieden om de omvang van het melkquotum en de melkproductie op elkaar af te stemmen. Daarnaast kon het verleasen dienen als tijdelijke oplossing voor melkveehouders die worden geconfronteerd met calamiteiten (bijvoorbeeld ziekte van vee, ziekte of arbeidsongeschiktheid van de ondernemer). Aan deze doelstellingen heeft de leaseregeling weliswaar voldaan, maar de regeling is in de praktijk tevens gaan fungeren als een structurele inkomensbron voor melkveehouders die de melkveehouderij niet zelf meer actief beoefenen, hetgeen een duurzame, grondgebonden melkveehouderij niet bevordert.

Ik ben van mening dat met de voorgestelde overgangsregeling (maximaal 10% per jaar en 2 jaar 100%) voldoende tegemoet wordt gekomen aan de belangen van structurele verleasers. De structurele totaalverleaser heeft na de 2 jaarstermijn de keuze tussen zelf weer verder te melken, dan wel het quotum te verkopen en met de opbrengst daarvan op andere wijze in zijn levensonderhoud te voorzien. Besluit hij tot verkoop van het quotum dan kan hij zonder fiscale gevolgen binnen een termijn van uiterlijk drie jaar (fiscale termijn voor vervangingsinvestering) opnieuw in melkquotum of andere agrarische bedrijfsactiviteiten investeren.
Met de voorgestelde overgangs- cq. afbouwregeling kan een duurzame, grondgebonden melkveehouderijsector worden bevorderd en wordt eveneens op een zorgvuldige wijze tegemoet gekomen aan de belangen van de structurele verleasers.

Vraag 46
Wat zijn de nadere voorwaarden die worden gesteld aan kopers en verkopers van quotum via de beurs? Hoe verhouden deze voorwaarden zich ten opzichte van de huidige gang van zaken?

Antwoord:
Momenteel wordt aan grondgekoppelde quotumoverdrachten de eis gesteld dat per ha niet meer dan 20.000 kg quotum mag worden overgedragen. Deze voorwaarde wordt vervangen door de voorwaarde dat kopers, na aankoop van quotum via de beurs, over maximaal 20.000 kg per ha melkquotum mogen beschikken. Deze voorwaarde wordt gesteld om te voorkomen dat melkveehouderijbedrijven verder zullen intensiveren en draagt bij aan vergroting van de grondgebondenheid van de melkveehouderijsector.
Voor zowel kopers als verkopers op de beurs zal gelden dat uitsluitend hoeveelheden van minimaal 10.000 kg kunnen worden aangeboden en worden gekocht, tenzij het totale quotum van de aanbieder minder is dan 10.000 kg. Deze voorwaarde is thans niet van toepassing bij de huidige grondgebonden transacties.
Kopers en verkopers zullen hun wens om quotum via de beurs te willen verhandelen door middel van een formulier kenbaar moeten maken bij het COS.

Vraag 47
Is het noodzakelijk om een quotumbeurs op te zetten om melkquotum losgekoppeld van de grond te verkopen?

Antwoord:
Nee, Nederland zou ook zonder quotumbeurs gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die de Europese Verordening biedt om onder voorwaarden verhandeling van quotum los van de grond mogelijk te maken.

Vraag 51
Is de publiekrechtelijke instantie belanghebbende? Neemt de publiekrechtelijke instantie een deel van de transactiekosten voor haar rekening?

Antwoord:
Het EG-quotumstelsel kent een sterke overheidsbemoeienis waardoor uitvoering van de beurs door een publiekrechtelijke organisatie voor de hand ligt. Het Productschap Zuivel/COS is de instantie die belast is met de uitvoering van de superheffing en de registratie van de huidige quotumoverdrachten, alvorens daaraan rechtskracht kan worden ontleend. Het ligt daarom voor de hand het Productschap Zuivel/COS eveneens met de uitvoering van de quotumbeurs te belasten. De transactiekosten komen voor rekening van de deelnemers aan de beurs.

Vraag 52
Bestaat al meer duidelijkheid over de beoogde datum van inwerkingtreding van de quotumbeurs?

Antwoord:
De beoogde inwerkingtreding is per 1 april 2000.

Vraag 53
De regering stelt in haar brief dat 60% van het tijdelijk overgedragen melkquotum afkomstig is van veehouders die hun volledige melkquotum verhuren. Kan een indicatie worden gegeven van de leeftijdsopbouw en bedrijfsgrootte van deze veehouders c.q. bedrijven?

Antwoord:
Van de 8600 verleasers van quotum in 1998/1999 hebben er 4950 het totale quotum verleasd. Van de 601.000 ton melk die in de heffingsperiode 1998/1999 werd verleasd, had 443.000 ton betrekking op de totaalverleasers, dat is 74% van het verhuurde quotum.

Aantal totaalverleasers per grootteklasse in 1998/1999 Grootteklasse inTonnen Quotumhouders
< 100 3.050
van 100 t/m 199 1.400
van 200 t/m 299 350
van 300 t/m 399 100
van 400 t/m 499 25
> = 500 25

Over de leeftijdsopbouw van de quotumhouders die hun volledige quotum verhuren kan een indicatie worden gegeven uit het Boekhoudnet van LEI-WUR. Het Boekhoudnet representeert niet alle quotumverhuurders vanwege de gehanteerde minimumomvang van de bedrijven die zijn opgenomen in dit systeem. De totaalverleasers met een klein quotum zullen ondervertegen-woordigd zijn.

Leeftijdsopbouw van de totaalverleasers in LEI-Boekhoudnet Leeftijd Percentage totaalverleasers
< 40 jaar 17 %
40 - 55 jaar 22 %
55 - 65 jaar 17%
> 65 jaar 44 %

Vraag 54
Welk percentage van de verhuurde melk wordt daadwerkelijk niet langer dan een jaar verhuurd, gemeten in aantallen transacties en hoeveelheden melkquotum?

Antwoord:
Minder dan 20% van de verhuurde melk wordt daadwerkelijk niet langer dan 1 jaar verhuurd. Het betreft ongeveer 40% van de transacties.

Vraag 55, vraag 62, vraag 66 en vraag 68
De regering stelt voor om het verhuren te beperken tot maximaal 10% van het melkquotum. Daarnaast mag gedurende maximaal 2 jaar meer dan 10% van het quotum per jaar worden verhuurd, tot maximaal het volledige melkquotum. Waarom heeft de regering niet overwogen om het verhuren buiten de genoemde twee jaren te beperken tot maximaal een bepaalde hoeveelheid melkquotum per bedrijf? Zo worden grote bedrijven die willen verhuren immers niet bevoordeeld boven kleinere bedrijven. Om welke redenen is gekozen voor het beperken van het verleasen tot 10% van het quotum? Ondervinden hier juist de kleinere bedrijven niet de meeste nadelen van?
In het voornemen wordt het leasen beperkt tot 10%. Dat is een onmogelijkheid voor de kleintjes. Ligt het niet meer voor de hand om dan een maximum in te voeren dat voor iedereen gelijk is? Bijvoorbeeld 200.000 kg?
Op grond van welke overwegingen is gekozen voor een percentage van maximaal 10% van het quotum te verleasen hoeveelheid melk per jaar?

Antwoord:
De mogelijkheid om tot 10% van het quotum te verleasen is bedoeld om schommelingen in de melkproductie op te vangen met verleasen. In de normale bedrijfsvoering zullen dergelijke schommelingen op een groot bedrijf groter zijn dan op een klein bedrijf. Daarom is gekozen voor een percentage van het quotum en niet voor een maximale hoeveelheid in kg. Het percentage van 10% is toereikend om normale schommelingen in de melkproductie op te vangen. Daarnaast is de mogelijkheid opgenomen om gedurende 2 jaar meer dan 10% van het quotum te verleasen.

Vraag 56
Hoeveel bedrijven zullen naar verwachting als gevolg van de strengere regelgeving (eerder) stoppen en welk deel hiervan zal een beroep (moeten) doen op het sociale zekerheidsstelsel (IOAZ, Bbz voor beëindigende bedrijven, bijstand, e.a.)?

Antwoord:
De groep melkveehouders die meerdere jaren achtereen het volledige melkquotum verleasen krijgen te maken met de gevolgen van de beperking. Dat betreft een groep van 4300 bedrijven. Op basis van informatie van het Productschap Zuivel, LEI-WUR en accountantsbureaus is de verwachting dat slechts een klein aantal zal kiezen voor het hervatten van de melkproductie. Een deel van de bedrijven zal het bedrijf kunnen voortzetten en het melkquotum verkopen. Een groot deel zal het bedrijf definitief beëindigen.
De verwachting is dat van de bedrijven die beëindigen door de beperking van het verleasen er slechts een zeer klein deel een beroep zal doen op het socialezekerheidsstelsel. Bijna de helft van de totaalverleasers is ouder dan 65 jaar en zal na beëindiging geen beroep doen op de sociale zekerheid anders dan de AOW. De jongere ondernemers die hun bedrijf beëindigen zullen in veel gevallen alternatieve inkomensbronnen kunnen verwerven.

Vraag 57
Welke gevolgen hebben de nieuwe regels voor:
a. de omvang van de totale hoeveelheid 'lease-melk'op de markt en b. de prijs van deze lease-melk?

Antwoord:
Naar verwachting zal de omvang van het leasen van melk dalen van de huidige 600.000 ton naar 100.000 tot 200.000 ton. De prijsontwikkeling van lease-melk is moeilijk te voorspellen.

Vraag 61
Welke Europees rechtelijke aspecten zijn verbonden aan de wijziging van het Nederlandse leasestelsel?

Antwoord:
De quotering van melk is vastgelegd in Europese regelgeving. Daarbij is bepaald dat Lidstaten (tijdelijke) overdracht van melkquota (leasen) kunnen reglementeren naar gelang van de categorie producenten of de structuur van de melkproductie. Tijdelijke overdrachten mogen worden beperkt op het niveau van de koper of binnen de regio. Voorts mogen Lidstaten bepalen in hoeverre een koper overdrachten kan herhalen (art. 6 van Vo. 3950/92). De nationale uitwerking van de tijdelijke overdracht van melkquota is neergelegd in de artikelen 24 en 25 van de Regeling superheffing 1993.
De huidige Europese regelgeving staat derhalve de voorgestelde aanpassingen van het Nederlandse leasestelsel niet in de weg.

Vraag 63
Wie heeft er last van de leaseregeling zoals die nu bestaat?

Antwoord:
De huidige leaseregeling remt de noodzakelijke aanpassing van de structuur van de melkveehouderij. Voor de actieve producenten die gericht zijn op continuïteit, is het wenselijk dat zij permanent kunnen beschikken over de quota.

Vraag 65
Heeft niet ex-minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Van Aartsen deze inperking van het leasen afgewezen omdat de gevolgen asociaal zouden zijn?

Antwoord:
Op 20 januari 1997 heeft de toenmalige minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de heer Van Aartsen aan de Vaste Commissie geschreven dat hij ondanks de rationeel-economische argumenten die pleiten voor het beperken van de mogelijkheid melkquotum te verhuren, hij van mening was dat hier op dat moment niet toe moest worden overgegaan. Hij baseerde deze afweging op de sociaal-economische gevolgen die een besluit tot beperking zou kunnen hebben, de noodzaak van een overgangsregime van enkele jaren en de onzekerheid over de aanpassingen van het Europese zuivelbeleid.

Vraag 69
Op welke wijze kunnen diegenen die nu hun totale quotum verleasen zich voorbereiden op het feit, dat deze mogelijkheid hen na twee jaar ontnomen wordt? Welke alternatieve inkomensbronnen resteren er in zijn algemeenheid voor deze categorie.

Antwoord:
Veehouders die nu hun volledige quotum verleasen staan voor de vraag welke keuze zij maken als het volledig verleasen niet meer is toegestaan. Zij kunnen zich voorbereiden op het hervatten van de melkproductie, of zoeken naar mogelijkheden om het wegvallen van de inkomens door verleasen van het quotum op te vangen. Een deel van de veehouders die het volledige quotum verleast, heeft een andere bedrijfstak. De veehouder kan de opbrengst van de verkoop van het melkquotum benutten om in de toekomst andere inkomsten te genereren. Ook volledige beëindiging van het bedrijf is een mogelijkheid.

Vraag 71
Zal het ontnemen van de mogelijkheid van structureel verleasen aan veehouders slechts een tijdelijk neerwaarts effect op de quotumprijs hebben of ziet de regering ook een structurele component? Zo dit laatste niet het geval is, waarom geeft de regering dan de voorkeur aan een mogelijk tijdelijk neerwaarts effect op de quotumprijs boven de aantasting van gevestigde belangen van veehouders die nu structureel verleasen?

Antwoord:
Het effect op de quotumprijs door het beperken van het leasen zal naar verwachting hoofdzakelijk tijdelijk van aard zijn. Naast het effect op de quotumprijs is beperking van het leasen ook wenselijk om de positie van de actieve producenten te versterken en kan het de mobiliteit van quota en grond bevorderen.


Deel: ' Antwoord kamervragen over de quotumbeurs '




Lees ook