Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter

van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's-Gravenhage

Directie Noord-Afrika en Midden-Oosten

Afdeling Midden-Oosten

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 15 februari 1999
Kenmerk DAM/GO-42/99
Blad /4
Bijlage(n)
Betreft Antwoord op vragen van kamerlid Karimi over

handelsmissie naar Iran

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar het schrijven d.d. 22 januari j.l., kenmerk no.
2989906250, van de Griffier Uwer Kamer, waarbij mij toegingen de door het lid Uwer Kamer Karimi overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde bij U ingediende vragen, heb ik de eer U, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, als bijlage dezes ons antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Antwoord van de heer Van Aartsen,

Minister van Buitenlandse Zaken, en de heer Ybema, Staatssecretaris van Economische Zaken, op vragen van het lid Karimi (Groen Links) over handelsmissie naar Iran (22 januari 1999).

Vraag 1.

Hebt u kennisgenomen van het artikel "Ybema gaat toch zaken doen in Iran".

Antwoord 1.

Ja.

Vraag 2.

Gaat de handelsmissie naar Iran definitief door? Zo ja, staat het besluit deze handelsmissie te laten plaatsvinden niet haaks op uw toezeggingen van de minister aan de Kamer dat een handelsmissie naar Iran pas zal plaatsvinden nadat de minister van Buitenlandse Zaken Iran bezocht heeft om politieke randvoorwaarden te scheppen?

Antwoord 2.

Het beleid, zoals verwoord in de brief aan de Voorzitter van de Vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken dd. 12 oktober 1998 inzake Iran, blijft gehandhaafd. Dit geldt met name het gestelde in de slotzin van de genoemde brief: "De handelsmissie die thans door het ministerie van Economische zaken wordt overwogen (brief van staatssecretaris Ybema aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 1 oktober 1998, kenmerk BEB/DMA/OM 98061150) zal pas plaatsvinden nadat ik Iran heb bezocht en binnen de door mij aangegeven politieke randvoorwaarden".

Overigens wordt een handelsmissie naar Iran onder leiding van de staatssecretaris in 1999, mede gezien de prioriteiten in zijn reisprogramma, niet langer overwogen.

Vraag 3.

Deelt u de mening dat het politieke klimaat en de ontwikkelingen in Iran, onder andere de politieke moorden van afgelopen maanden, een nieuwe beoordeling van de situatie in Iran vergen? Deelt u de mening dat het verslag van de ambtelijke missie naar Iran in oktober 1998 gezien de actualiteiten achterhaald is? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 3.

Bij de beantwoording van de vragen van de geachte afgevaardigde Karimi (Tweede Kamer 1998-1999, Aanhangsel van de Handelingen 529,16 december 1998) heb ik reeds gesteld dat de recente ontwikkelingen in Iran, waaronder de dood van enkele schrijvers en leden van de oppositie, een uitvloeisel lijken te zijn van de rivaliteit die er heerst tussen de hervormingsgezinden en het conservatief-religieuze establishment. Sedertdien hebben zich enkele belangrijke ontwikkelingen voorgedaan. Het Ministerie van Informatie heeft namelijk erkend dat medewerkers schuldig zijn aan de dood van enkele schrijvers en leden van de oppositie. Deze erkenning en de arrestatie van de betrokkenen kan worden beschouwd als een signaal dat President Khatami zich blijft inspannen voor rechtszekerheid voor alle burgers. De regering volgt de ontwikkelingen evenwel op de voet.

Deel: ' Antwoord kamervragen over handelsmissie naar Iran '




Lees ook