Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

DEN HAAG
Directie Economische Samenwerking

Afdeling Energie, Onderzoek en Technologie

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 5 maart 1999
Kenmerk DES/ET-110/99
Blad /1
Bijlage(n) 1
Betreft Beantwoording vragen van de leden Voorhoeve, Cherribi

(beiden VVD) en Vendrik (GroenLinks)

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer d.d. 2 februari 1999, kenmerk 2989906860, waarbij gevoegd waren de door de leden Voorhoeve, Cherribi (beiden VVD) en Vendrik (GroenLinks) overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U, mede namens de Ministers van Buitenlandse Zaken, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, hierbij als bijlage dezes het antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Antwoord van de heer Benschop, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, mede namens de Ministers van Buitenlandse Zaken, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, op vragen van de leden Voorhoeve, Cherribi (beiden VVD) en Vendrik (GroenLinks)

Vraag 1

Wat zijn in concreto de bevindingen van de medewerkers van de Kernfysische Dienst die in het kader van het TACIS programma van de Europese Unie korte tijd vóór 10 november 1998 een bezoek aan Oekraïne hebben gebracht om onderzoek te doen, ten aanzien van de veiligheid van de kerncentrales aldaar in het algemeen en ten aanzien van de millenniumgevoeligheid van deze centrales in het bijzonder?1)

Antwoord:

In concreto zijn er geen bevindingen te melden, daar dit geen reis betrof om onderzoek te doen, maar om kennis over te dragen.

Vraag 2

Wil de regering bevestigen dat, volgens de informatie waarover zij beschikt, in de kerncentrales van Oost-Europa en het GOS computers worden gebruikt die mogelijk niet millenniumbestendig zijn? Kan de regering ook aangeven in welke mate dit het geval is?

Antwoord:

Vanuit de contacten die Nederlandse ambtenaren hadden met bedrijvers van nucleaire installaties in genoemde landen en de betreffende toezichthoudende instanties valt te melden dat er niet-millenniumbestendige computersystemen zijn gevonden. Tot nu toe waren dit problemen met computers van een ondergeschikt nucleair veiligheidsbelang. Mondeling is aangegeven dat dit systemen betreffen die met organisatorische maatregelen zijn te vervangen, zoals toegangscontrole van bedrijven met een nucleair belang.

Vraag 3

In hoeverre wordt de voortgang van het oplossen van het millenniumprobleem bij kerncentrales in Oost-Europa en het GOS belemmerd of begrensd door het feit, dat de verantwoordelijkheid voor het opzetten en uitvoeren van plannen voor het millenniumbestendig maken van deze nucleaire installaties is gelegen bij de nucleaire vergunninghouders?

Antwoord:

Volgens het model dat in meerdere landen en ook in ons land geldt m.b.t. het opzetten en uitvoeren van plannen op het terrein van nucleaire veiligheid is de vergunninghouder de eerstverantwoordelijke. Dit is een vereiste op basis van het Verdrag inzake Nucleaire Veiligheid, dat door landen met kernenergie-installaties, waaronder de Oost-Europese landen en het GOS, is ondertekend. Vanuit deze optiek wordt de voortgang van het oplossen van het millenniumprobleem niet belemmerd of begrensd. Uiteraard is van belang dat de nationale toezichthoudende instantie zekerstelt dat de millenniumproblematiek tijdig met voldoende menskracht en middelen wordt opgepakt.

Vraag 4

Wat zijn in het licht van het volkenrecht de bevoegdheden van de betrokken internationale organisaties en de regeringen van landen uit de regio ten aanzien van een effectieve, preventieve actie inzake grensoverschrijdende milieuschade?

Antwoord:

In het algemeen kan worden gesteld dat op grond van het volkenrecht op landen een plicht rust alle voorzorgsmaatregelen te nemen die in hun vermogen liggen om ernstige grensoverschrijdende milieuschade te voorkomen. Gewezen kan worden in dit verband op algemeen aanvaarde beginselen, zoals beginsel 21 van de Verklaring van de VN Conferentie inzake het Menselijk Leefmilieu welke in 1972 te Stockholm werd aangenomen, en de beginselen 2, 18 en 19 van de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkelingwelke tijdens de VN Conferentie inzake Milieu en Ontwikkeling in 1992 in Rio de Janeiro werden aangenomen.

Meer specifieke verplichtingen worden voorts aangetroffen in het Verdrag inzake Nucleaire Veiligheid van 1994 (Trb. 1995, 105), dat tot stand kwam in het kader van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie te Wenen. Doelstellingen van dit verdrag zijn het bereiken en handhaven van een hoog niveau van nucleaire veiligheid door middel van verbetering van nationale maatregelen en internationale samenwerking, het instellen en in stand houden van doeltreffende bescherming tegen mogelijke stralingsrisico's in kerninstallaties teneinde personen, de samenleving en het milieu te behoeden voor de schadelijke gevolgen van ioniserende straling uit die installaties, alsmede het voorkomen van ongevallen met stalingsgevolgen en het beperken van dergelijke gevolgen als dergelijke ongevallen zich toch voordoen. Bulgarije, Hongarije, Litouwen, Oekraïne, Polen, Roemenië, de Russische Federatie, Slowakije en de Tjechische Republiek zijn partij bij het eerder- genoemde verdrag.

Vraag 5

Is de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken bereid in zijn volgende "voortgangsrapportage: de internationale dimensie van het millenniumprobleem" de stand van zaken ten aanzien van het millenniumbestendig maken van nucleaire installaties landsgewijs te rapporteren?

Antwoord:

Hoewel er steeds meer over de problematiek bekend wordt, is de over dit onderwerp beschikbare informatie niet homogeen en fragmentarisch. Ik zal gaarne de van de betrokken internationale organisaties afkomstige relevante informatie aan Uw Kamer doen toekomen.

Vraag 6

Is het waar dat IAEA geen millennium-activiteiten ten aanzien van Oost-Europese kerncentrales begroot heeft,en dat het aanpakken van het millenniumprobleem aldaar zonder fondsen onmogelijk is?

Antwoord:

Activiteiten in het kader van de algemene taakstelling van de IAEA, zoals het ontwikkelen van richtlijnen voor het onderkennen en verhelpen van millenniumproblemen bij de veiligheid van kerncentrales, worden uit de IAEA-begroting bekostigd. Specifieke millennium-activiteiten in Oost-Europa op het gebied van nucleaire veiligheid zijn niet in de begroting van de IAEA opgenomen, aangezien deze tot de verantwoordelijkheid van de individuele lidstaten behoren. Wil men desondanks dergelijke activiteiten in Oost-Europa uitvoeren dan zijn daarvoor fondsen buiten de reguliere Begroting nodig. Inmiddels heeft de IAEA echter een werkplan opgesteld en heeft hiervoor extra bijdragen aan de lidstaten gevraagd. De totale kosten voor dit werkplan bedragen $ 400.000. Nederland heeft een bijdrage van fl. 40.000 toegezegd.

Vraag 7

Is het waar dat het IAEA vanwege middelengebrek is gaan samenwerken met het US Department of Energy (DOE) om de kerncentrales in het GOS op millenniumproblemen te testen? Zo ja, waarom is de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van mening dat er desondanks geen reden is voor een extra Nederlandse bijdrage aan het IAEA?

Antwoord:

Ja. Het US Department of Energy heeft de IAEA een zgn. "cost-free expert" ter beschikking gesteld en draagt ook overigens financieel bij aan het uitvoeren van een millennium-inspectieprogramma in Oost-Europa. Zoals hierboven vermeld, heeft de IAEA nu een werkplan opgesteld. De mogelijkheid van een materiële bijdrage (in de vorm van het beschikbaarstellen van een Nederlandse expert) wordt thans onderzocht.

Vraag 8

Acht de regering het feit dat in de meeste Oost-Europese landen het onderzoek naar millenniumproblemen bij kerncentrales zich nu nog in de inventarisatiefase of in het begin van de analysefase bevindt, reden tot extra actie van de kant van betrokken internationale organisaties, Nederland en andere lidstaten en actoren?

Antwoord:

Ja. De regering is bereid om in te gaan op vragen om ondersteuning, die door internationale organisaties als IAEA en EU zijn doorgeleid. In de context van de lopende programma's leverde de Nederlandse overheid reeds diverse bijdragen. Voorzover de millenniumprogramma's tot extra behoeften leiden, zal de regering verzoeken tot extra capaciteits- of middelen inzet zeker in overweging nemen.


1) Zie de antwoorden op de eerdere vragen van dezelfde leden, Aanhangsel Handelingen nr. 639, Vergaderjaar 1998-1999, alsmede het Verslag van het algemeen overleg over millenniumproblematiek, 27 januari jl.

Deel: ' Antwoord kamervragen over kerncentrales Oekraïne '




Lees ook