Tweede Kamer der Staten Generaal

Antwoord Kamervragen over een laptop voor studenten economie
Gemaakt: 12-4-2000 tijd: 15:31


2

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 10 april 2000

Onderwerp: Kamervragen

Hierbij zend ik u het antwoord op de vragen van het lid Eurlings (CDA) van uw Kamer inzake een verplichte laptop voor studenten economie.

De vragen werden mij toegezonden bij uw bovenaangehaalde brief van 28 maart 2000 met kenmerk 2990008960.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

(drs. L.M.L.H.A. Hermans)

Antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Eurlings van de Tweede Kamer der Staten-Generaal aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (ingezonden d.d. 27 maart 2000), kenmerk
2990008960.


1.

Dit is mij bekend.


2.

Dit betekent niet dat de Hanzehogeschool eist dat elke student een laptop of een andersoortige computer koopt, noch dat dit in enige vorm een voorwaarde is voor inschrijving. Er is hier sprake van een advies. De vraag of de handelwijze in tegenspraak is met de brief van mijn ambtsvoorganger van 25 augustus 1994, kenmerk HBO/PR-94036112, is dan ook niet aan de orde.


3.

Ook aan de Hanzehogeschool blijven centrale voorzieningen in stand. Bovendien, zoals uit de antwoorden op de vragen 1 en 2 reeds blijkt, bestaat er geen dwingende noodzaak voor het aanschaffen van een laptop.

Naar mijn oordeel kan het hoger onderwijs niet meer zonder intensief computergebruik. Instellingen en studenten zullen daarop verder moeten inspelen. In dit verband ben ik van mening dat het tot de verantwoordelijkheid van een instelling voor hoger onderwijs behoort om een voorziening in stand te houden. Studenten die geen eigen computer (kunnen) bezitten, moeten in staat worden gesteld het onderwijs adequaat te blijven volgen. Dat er dan wachttijden kunnen voorkomen, of dat hiervoor ingetekend moet worden, is niet altijd uit te sluiten. Van een instelling kan immers niet op voorhand worden verwacht dat met elke piekbelasting rekening wordt gehouden. Het is de verantwoordelijkheid van de instelling en de studenten zelf, hoe hierbij in redelijkheid de meest optimale afwegingen worden gemaakt; daarbij kunnen opleidingscommissies en medezeggenschapsraden een belangrijke taak vervullen. Dit betreft echter afwegingen die alleen binnen de instellingen kunnen worden gemaakt, omdat alleen op dat niveau rekening kan worden gehouden met de aard en inrichting van het onderwijs, eigen ict-beleid, en het eigen computerbezit van de studenten

Het is dus een vaker voorkomende vraag hoe de inrichting van hoger onderwijs opleidingen, computerbezit en computergebruik op elkaar moeten en kunnen worden afgestemd. Mij zijn echter geen gevallen bekend dat de instellingen niet prudent omgaan met de ook in eigen gevoelen bestaande plicht om centraal computerfaciliteiten ter beschikking te stellen, of anderszins computeraanschaf of -gebruik te faciliteren.


4.

De Hanzehogeschool heeft over haar advies niet tevoren met mijn ministerie gecommuniceerd of hiervoor toestemming gevraagd. Daartoe bestaan ook geen wettelijke verplichtingen.

Mij is bij navraag gebleken dat de eerdergenoemde brief en het daaronder liggende artikel 7.46 WHW, bij de Hanzehogeschool genoegzaam bekend zijn en dat deze hogeschool zich houdt aan de inhoud en strekking daarvan.

De minister van Onderwijs, Zoetermeer, 10 april 2000 Cultuur en Wetenschappen,

(drs. L.M.L.H.A. Hermans)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Antwoord Kamervragen over laptop voor studenten economie '




Lees ook