Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's-Gravenhage
Directie Azië en Oceanië

Afdeling Oost-Azië

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 17 februari 1999
Kenmerk DAO/OA-99-46
Blad /1
Bijlage(n) 1
Betreft Vragen van het lid mevrouw Vos over Chinese hongerstakers in Nederland en de mensenrechten in China

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer, d.d. 26 januari 1999, kenmerk 2989906380, waarbij gevoegd waren de door het lid mevrouw Vos overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U als bijlage dezes mijn antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken

Antwoord van de heer Van Aartsen, Minister van Buitenlandse Zaken, op vragen van het lid mevrouw Vos.

Vraag 1:

Bent u ervan op de hoogte dat sinds twee weken Chinese demonstranten vóór de Kamer in hongerstaking zijn wegens de grove mensenrechtenschendingen in China?

Vraag 2:

Hebt u kennisgenomen van het feit dat genoemde demonstranten naar het middel dorststaking grijpen omdat er naar hun zeggen geen aandacht geschonken wordt aan de recentelijk toegenomen
mensenrechtenschendingen in China?

Antwoord 1 en 2:

Ik ben op de hoogte van de honger- en dorststaking van leden van de 'Alliance for a Democratic China' in Den Haag. Volgens mijn informatie hebben de hongerstakers hun actie op 28 januari jl. beëindigd.

Vraag 3:

Bent u bereid met de Chinese demonstranten te spreken over de mensenrechtensituatie in China, in het bijzonder de mensenrechtenschendingen in China? Zo ja, kunt u hiervan verslag doen aan de Kamer?

Antwoord 3:

Op 10 februari heeft op ambtelijk niveau een onderhoud met de voormalige hongerstakers plaatsgevonden. De actievoerders meldden dat vijftig personen aan de hongerstaking hebben deelgenomen. Enkelen hebben meer dan zeven dagen gevast. De heer Ying Zhang, hoofd van de 'Alliance for a Democratic Union', vertelde dat zijn hongerstaking zestien dagen heeft geduurd. Twee personen zijn als gevolg van hun hongerstaking in het ziekenhuis opgenomen. Volgens mijn informatie zijn zij inmiddels volledig hersteld. Ik heb kennisgenomen van de verontrusting van de hongerstakers over de recente ontwikkelingen op het gebied van de mensenrechtensituatie in China.

Vraag 4:

Deelt u de opvatting dat gezien de verslechtering van de mensenrechtensituatie het naleven van mensenrechtenverdragen aan de orde gesteld dient te worden tijdens de onderhandelingen over Wereldbank leningen en het ORET-programma? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 4:

De Nederlandse regering is terughoudend bij het introduceren van overwegingen in de besluitvorming binnen de Bretton-Woodsinstellingen die buiten het mandaat van deze instellingen vallen. Reeds op 5 oktober 1995 is de Kamer een brief toegegaan van de toenmalige Ministers van Financiën en voor Ontwikkelingssamenwerking over de toekomst van de Bretton-Woodsinstellingen. De brief vermeldt dat artikel IV, lid 10 van de statuten van de IBRD de Wereldbank verbiedt zich te mengen in de politieke zaken van een lidstaat, en zich in haar beslissingen te laten beïnvloeden door het politieke karakter van een lidstaat. Het artikel stelt verder dat uitsluitend economische overwegingen relevant zullen zijn. Door het inzicht dat institutionele factoren in ontwikkelingslanden een belangrijke invloed hebben op het slagen van Bankoperaties heeft in de loop van de tijd een wat ruimere interpretatie van dit artikel plaatsgevonden. Dit heeft ertoe geleid dat de situatie op het gebied van het openbaar bestuur, voor zover van belang voor het realiseren van de economische en sociale doelstellingen van de Bank, mede de aard en de omvang van het leningenprogramma van de Bank in een lenend land bepaalt. Overigens worden onderhandelingen over leningen niet gevoerd door de "Board of Directors" waarin Nederland mede namens een aantal andere landen zitting heeft, maar door functionarissen van de Wereldbank.

Over de uitvoer van het ORET-programma vindt halfjaarlijks ambtelijk overleg plaats met vertegenwoordigers van het Chinese Ministerie van Financiën. Ik acht deze besprekingen over het ORET-programma vanwege hun technische karakter minder geschikt om de beoogde boodschap over te brengen.

Het overbrengen van de zorgen van de Nederlandse regering over de mensenrechtensituatie in China ligt vooral op het terrein van de Minister-President en van de Minister van Buitenlandse Zaken. Uiteraard mag hierin niet een beperking worden gezien voor wat betreft de contacten over dit onderwerp van andere Nederlandse bewindspersonen met de Chinese autoriteiten. Zij moeten evenwel de ruimte hebben om zelf te bepalen of zich mogelijkheden voordoen om de kwestie van mensenrechten aan de orde te stellen.

Vraag 5:

In hoeverre zijn de ontwikkelingen met betrekking tot het mensenrechtenbeleid in China aanleiding voor de regering het aankomende Staatsbezoek van Koningin Beatrix heroverwegen?

Antwoord 5:

De voorbereidingen voor het staatsbezoek aan China (12-20 april a.s.) zijn gaande. De ontwikkelingen in de mensenrechtensituatie in China worden vanzelfsprekend nauwlettend gevolgd, zowel bilateraal, onder meer via de Nederlandse vertegenwoordigingen in China, als in het kader van de Europese Unie.

Deel: ' Antwoord kamervragen over mensenrechten in China '




Lees ook