Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

DEN HAAG
Directie Europa

Afdeling West-Europa

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 25 februari 1999 Behandeld Drs. L.A. Kleinjan Kenmerk DEU-99/99 Telefoon (070) 348 4173
Blad /1 Fax (070) 348 3529
Bijlage(n) 1 E-mail la.kleinjan@deu.minbuza.nl
Betreft Beantwoording vragen van de leden Van de Camp en Verhagen over het organiseren van protesten tegen de advocaten van Òcalan

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer d.d. 23 februari 1999, kenmerk 2989908250, waarbij gevoegd waren de door de leden Van de Camp en Verhagen overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U als bijlage dezes mijn antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken

Bijlage

Antwoord van de heer Van Aartsen, Minister van Buitenlandse Zaken op vragen van de leden

Van de Camp en Verhagen over het organiseren van protesten tegen de advocaten van Òcalan

Vraag 1:

Hebt u kennis genomen van het bericht 1) dat het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken een fax heeft gestuurd naar de Turkse ambassades in het buitenland om protesten te organiseren tegen de advocaten van de heer Òcalan?

Antwoord

Ja.

Vraag 2:

Kunt u dat bericht bevestigen? Is het u bekend of deze fax gestuurd is naar de Turkse ambassade in Nederland?

Antwoord

Ik kan bevestigen dat het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken een persverklaring heeft uitgegeven met bedoelde strekking. Het is mij niet bekend of de Turkse ambassade hier te lande is geïnstrueerd zoals de persverklaring stelt.

Vraag 3:

Wat is uw oordeel over deze fax?

Antwoord

Ik vind een dergelijke oproep volstrekt ongepast, vanwege de inhoud ervan alsook omdat ambassades ingevolge zo'n oproep zouden handelen op een wijze die in strijd is metde Weense Conventie inzake diplomatieke betrekkingen.

Vragen 4 en 5:

Vreest u voor onnodige escalatie tussen de Turkse en Koerdische gemeenschap in Nederland?

Welke maatregelen hebt u genomen om dit te voorkomen?

Antwoorden

Voor de verhoudingen tussen de Turkse en Koerdische gemeenschappen in Nederland zij verwezen naar de brief die de Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse zaken en ikzelf, mede namens de Minister-President en de Staatssecretaris van Defensie, op 19 februari
1999 schreven aan Uw Kamer, inzake de gijzelingsactie in de Griekse residentie.

Specifiek waar het de in de aangehaalde Turkse persverklaring met name genoemde advocate betreft is door Justitie in overleg met Binnenlandse Zaken in politiebescherming voorzien.

Vragen 6 en 7:

Hebt u contact opgenomen over deze fax met uw Turkse collega? Zo ja, wat was het resultaat van dit gesprek? Zo neen, waarom niet?

Bent u bereid dit aan de orde te stellen in de Algemene Raad van de EU a.s. maandag?

Antwoorden

Ik heb er voorshands voor gekozen het EU-voorzitterschap te vragen bij het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken tegen deze oproep protest aan te tekenen. Ook zal de Turkse ambassadeur h.t.s. worden aangesproken.

Vraag 8:

Kunt u deze vragen op zo kort mogelijke termijn beantwoorden?

Antwoord

Ja.


1) De Volkskrant, 19 februari jl.

Deel: ' Antwoord kamervragen over protesten tegen advocaten Òcalan '




Lees ook