Tweede Kamer der Staten Generaal

aanh9900.711 stijging van het aantal wao-ers

Gemaakt: 6-3-2000 tijd: 15:5


3

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten -Generaal

's-Gravenhage, 3 maart 2000

Onderwerp

Kamervragen van de leden Wilders en Bijleveld-Schouten

Hierbij doe ik u mijn antwoorden toekomen op de vragen gesteld door de heer Wilders en mevrouw Bijleveld-Schouten over de stijging van het aantal WAO-ers (2990005920).

De Staatssecretaris van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

(J.F. Hoogervorst)


2990005920

Vragen van de leden Wilders (VVD) en Bijleveld-Schouten (CDA) aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer Hoogervorst, over de stijging van het aantal WAO-ers.

Vraag 1.

Heeft u kennisgenomen van het bericht : «GAK: risico op WAO neemt sterk toe»?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2.

Is het waar dat het risico voor werknemers om arbeidsongeschikt te worden sterk toeneemt en dat het aantal WAO-ers veel sneller stijgt dan de groei van de werkgelegenheid? Hoe verklaart u dit? Is er tevens sprake van een verdere stijging van het aantal WAO-ers ten opzichte van de beroepsbevolking?

Vraag 3.

Kunt u mede naar aanleiding van de laatste GAK-gegevens aangeven of het hoge WAO-volume wederom naar boven moet worden bijgesteld? Wat is de laatste prognose voor het WAO-volume voor de jaren 2000, 2001 en
2002?

Antwoord 2 en 3

Uit de rapportage van het GAK blijkt inderdaad dat, voor alle GAK-sectoren tezamen, het aantal personen dat arbeidsongeschikt is geworden, sneller is gegroeid dan de werkgelegenheid. Dit komt tot uitdrukking in een stijging van de WAO-instroomkans: d.i. het aantal nieuwe WAO'ers uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden. Die stijging heeft verschillende oorzaken. In de eerste plaats vergrijst de beroepsbevolking. Hierdoor worden, bij eenzelfde invalideringskans, meer mensen arbeidsongeschikt, zelfs bij een gelijk blijvende beroepsbevolking. In de tweede plaats neemt het aandeel van vrouwen in de beroepsbevolking toe. Vrouwen hebben een aanzienlijk grotere kans om in de WAO te komen dan mannen.

Het hoeft echter niet zo te zijn dat vergrijzing en toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen (doorgaans «samenstellingseffecten» genoemd) de stijging van de instroomkans helemaal verklaren. Die stijging kan voor een deel ook het gevolg zijn van oorzaken gelegen in de sfeer van arbeidsgebonden WAO-risico's, in de sfeer van de keuringspraktijk en/of in de sfeer van verzuimbegeleiding en tenslotte in de (gespannen) situatie op de arbeidsmarkt. De indruk bestaat dat voor de GAK-sectoren in totaliteit de WAO-instroomkans iets meer gestegen is dan strikt op grond van «samenstellingseffecten» zou moeten worden verwacht. Die indruk moet overigens nog door nadere analyse bevestigd (of weersproken) worden.

Uit recent gepubliceerde landelijke cijfers van het Lisv over 1999 blijkt dat, gecorrigeerd voor dubbeltellingen en nuluitkeringen , het aantal personen met een arbeidsongeschiktheids-


2

uitkering eind 1999 is uitgekomen op 908.000. Dit betekent dat het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering ten opzichte van eind 1998 met 15.000 is toegenomen. Deze toename is circa 5000 groter dan ten tijde van het regeerakkoord en ook laatstelijk nog bij de Sociale Nota 2000 werd voorzien.

De achtergronden van deze groter dan verwachte toename zijn geschakeerd.

In de eerste plaats valt te wijzen op de uitbundige groei van de werkgelegenheid en (werkende) beroepsbevolking in de afgelopen jaren. De meest recente ramingen van de ontwikkeling van de werkgelegenheid en van beroepsbevolking, onder meer van het CBS, zijn nòg gunstiger dan al in de Sociale Nota 2000 werd geprognosticeerd. Doordat een grotere beroepsbevolking ook meer mogelijke arbeidsongeschikten betekent, verklaart dit een deel van de thans geconstateerde hoger dan geraamde toename van het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

In de tweede plaats is inherent aan de krappe arbeidsmarkt dat werkgevers in sterkere mate zijn aangewezen op werknemers met een hoge uitvalkans. Als gevolg van deze op zichzelf positieve ontwikkeling stijgt de arbeidsparticipatie, ook in vaste dienstverbanden, van personen met een hoger arbeidsongeschiktheidsrisico. De keerzijde daarvan is een hogere WAO-instroom. In dit verband valt ook te wijzen op het uitzendwerk en op gesubsidieerde arbeid. Doordat werkgevers de arbeidsmarkt afromen op kandidaten zonder of met de kleinste afstand tot de arbeidsmarkt, raakt het uitzendwezen en gesubsidieerde arbeid steeds meer aangewezen op kandidaten met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt, veelal tevens met een groter
arbeidsongeschiktheidsrisico. Indicatief hiervoor is de substantieel grotere kans in deze sectoren om in de WAO te belanden.

In de derde plaats kan een rol spelen dat de beoogde effecten van het Plan van Aanpak WAO zich wellicht met enige vertraging zullen voordoen. Het jaar 1999 heeft vooral in het teken gestaan van implementatie en concrete tenuitvoerlegging van het Plan van Aanpak.

Recapitulerend geeft de over 1999 gerealiseerde ontwikkeling van het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering mij aanleiding om in de vigerende SZW-ramingsreeks de ultimo stand 1999 met 5000 personen te verhogen.

In termen van uitkeringslasten leidt deze bijstelling in 1999 niet tot verhoging van de uitkeringslasten. Dit komt omdat de grotere toename van het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt gecompenseerd door een meevallende prijsontwikkeling. Onder meer doordat meer mensen gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden bevonden daalt het gemiddelde bedrag per uitkeringsjaar. Beide effecten - hoger volume en een lagere prijs - heffen elkaar in 1999 op. In de begrotingsvoorbereiding voor het jaar 2001 zal de eventuele noodzaak tot aanpassing van de meerjarenraming WAO nader worden bezien. De hier gememoreerde bijstelling voor 1999 leidt overigens niet tot een stijging van het percentage «aantal WAO-ers ten opzichte van de beroepsbevolking». De gunstiger dan geraamde ontwikkeling van de beroepsbevolking heeft ervoor gezorgd dat dit percentage daalt van de oorspronkelijk geraamde 12.4% tot 12.3% thans.


3

Vraag 4

Bent u bereid nadere WAO-ingrepen te overwegen indien deze berichten juist zijn respectievelijk indien het WAO-volume zich negatiever ontwikkelt dan u oorspronkelijk had verwacht?

Antwoord 4

Alhoewel het Plan van Aanpak WAO z'n volledige effecten nog moet krijgen is de onverminderd stijgende trend van het WAO-volume voor mij een duidelijk signaal van de noodzaak tot blijvende waakzaamheid. Mede naar aanleiding hiervan worden thans, onder meer in het kader van de begrotingsvoorbereiding, de mogelijkheden bezien tot verbreding en intensivering van de beleidsvoornemens zoals die in het Plan van aanpak WAO werden beschreven. Bij de tussenrapportage over het plan, die voorzien is voor april 2000, zal hierop nader worden ingegaan.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Antwoord kamervragen over stijging van het aantal wao-ers '




Lees ook