expostbus51


Ministerie van Financien


https://www.minfin.nl

FINANCIEN: TUSSENTIJDSE BEZUINIGINGEN

PERSBERICHTNR. 98/028 Den Haag 3 februari 1999

ANTWOORDEN VAN DE MINISTER VAN FINANCIEN OP VRAGEN VAN HET LID VAN DE

TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL BALKENENDE OVER TUSSENTIJDSE

BEZUINIGINGEN

VRAGEN:


1.

Bent u juist geciteerd in de artikelen .Zalm wil meer snoeien. en .De hand gaat op de knip.?

2.

Is de berichtgeving waar dat rekening moet worden gehouden met een ombuigingsbedrag van ongeveer 5 miljard gulden? Kan de Kamer op zo kort mogelijke termijn, doch uiterlijk medio februari 1999, volledig worden geïnformeerd over de meest actuele stand van zaken met betrekking tot de mee- en tegenvallers in de inkomsten- en uitgavensfeer, zowel wat betreft het jaar 1999 als wat betreft de meest recente verwachtingen ten aanzien van de overige jaren van de huidige kabinetsperiode?

3.

Waarom worden sombere mededelingen over .s rijks financiën wel aan de pers gemeld en, gezien de klaarblijkelijke urgentie niet rechtstreeks aan de Kamer?

4.

Heeft het in de pers genoemde .tussentijds bezuinigen. betrekking op het begrotingsjaar 1999 of op de hele kabinetsperiode? Worden, zoals tot nu toe door het kabinet steeds is aangegeven, financiële beleidsmaatregelen eerst in de Voorjaarsnota aangekondigd of komt het kabinet reeds eerder met voorstellen? Wanneer de aanduiding .tussentijds. betrekking heeft op het jaar 1999, wanneer kan de Kamer dan kabinetsvoorstellen tegemoet zien?

5.

Welke financiële vooruitzichten gelden nu voor a) de ontwikkeling van het financieringstekort in 1999, b) de extra lastenverzwaring ten gevolge van de te verwachten inkomstentegenvallers en c) de door het kabinet noodzakelijke geachte extra ombuigingen? Welke ombuigingsvoorstellen is het kabinet voornemens te doen? In welke richting worden de ombuigingen gezocht?

6.

Bent u van oordeel dat de thans ontstane financiële situatie reeds bij het sluiten van het regeerakkoord van de huidige regeringscoalitie voor een deel ten minste voorzienbaar is geweest (zachte ombuigingen, onzekere inverdieneffecten, te zonnige verwachtingen ten aanzien van de economische ontwikkeling e.d.)? Vloeit de kennelijke urgentie voor miljardenombuigingen niet vooral voort uit het kwetsbare en riskante karakter van het .financiële motorblok. van het jongste regeerakkoord en het excessieve uitgavenkader voor het jaar 1999? Staat u nog steeds achter uw uitlating: 'ik heb geen cent spijt van de afspraken die we hebben gemaakt in het regeerakkoord'?

7.

Hoe verhouden de aangekondigde ombuigingen, zo kort na de vaststelling van het regeerakkoord en de begroting 1999, zich tot eerdere uitlatingen van de minister als zouden de financiële formules van het kabinet bestand zijn tegen vier jaar lang 1% economische groei?

ANTWOORDEN:


1.

De citaten . in de genoemde artikelen tussen aanhalingstekens geplaatst . zijn juist.

2.

De berichtgeving dat rekening moet worden gehouden met een ombuigingsbedrag van ongeveer 5 miljard gulden is voor rekening van de krant. Voor het presenteren aan de Tweede Kamer van een eerste totaalbeeld van de lopende en de komende begroting gelden vaste momenten: de Voorjaarsnota en de Miljoenennota. Ik zie geen reden daar van af te wijken.

3.

Dat er wel mededelingen over .s rijks financiën naar de pers gaan en niet naar de Kamer is onjuist. In het debat van 16 december j.l. in de Tweede Kamer over de Najaarsnota 1998 heb ik voor dezelfde te verwachten tegenvallers gewaarschuwd als in genoemde krantenartikelen: de kosten van de wateroverlast, de kosten van de toestroom van asielzoekers, het zogenoemde ruilvoetprobleem (als gevolg van de neerwaarts bijgestelde inflatieprognose gekoppeld aan een beperktere bijstelling van de lonen) en de door het CPB neerwaarts bijgestelde verwachting voor de economische groei in 1999.

4.

Wat de auteur van het krantenartikel voor ogen stond met betrekking tot de jaren waarop de genoem-de .tussentijdse bezuinigingen. betrekking hebben, kan ik uiteraard niet verwoorden. Wel kan ik verwijzen naar de Najaarsnota, waarin, doelend op de dreigingen zoals genoemd in het antwoord op vraag 3, is gemeld dat een en ander gevolgen kan hebben voor de begroting 1999, zowel aan de uitgaven- als aan de inkomstenkant en dat bij de Voorjaarsnota 1999 nader op deze ontwikkelingen zal worden ingegaan.

5.

In het verlengde van de antwoorden op de vragen 2 en 4 zullen de gevraagde vooruitzichten aan de Kamer worden gepresenteerd bij Voorjaarsnota 1999 en Miljoenennota 2000.

6 en 7.
Van de in het antwoord op vraag 3 genoemde dreigingen zijn de extra uitgaven als gevolg van de waterschade, de asielzoekers en de dalende inflatie, op korte termijn de belangrijkste. Deze ontwikkelingen waren bij het sluiten van het regeerakkoord in redelijkheid niet te voorzien en staan in beginsel los van de economische groei. Wat de raming van de economische groei betreft, deze is voor het jaar 1999 recent door het CPB neerwaarts bijgesteld van 3% naar 2,25%. Ik ben niettemin van mening dat het bij regeerakkoord gekozen uitgangspunt van 2,25% economische groei gemiddeld voor de komende vier jaar een behoedzaam uitgangspunt was en is. Noch van die keuze, noch van de overige bij regeerakkoord gemaakte afspraken, heb ik dan ook spijt.

Woordvoerder: ir. N.M. Zoon
Tel.nr.: 070 - 342 8124


03 feb 99 15:06

Deel: ' Antwoord kamervragen over tussentijdse bezuinigingen '




Lees ook