Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's-Gravenhage
Directie Europa

Midden Europa

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 19 maart 1999
Kenmerk DEU-138/99
Blad /1
Bijlage(n) 1
Betreft Beantwoording van de leden Verhagen

en Van Ardenne-van der Hoeven over vermisten uit Srebrenica

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer van 17 maart j.l., kenmerk 2989909710, heb ik de eer U als bijlage dezes mijn antwoord te doen toekomen op de door de leden Verhagen en Van Ardenne-van der Hoeven, overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, bij U ingediende vragen.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN,

Antwoord van de heer Van Aartsen, Minister van Buitenlandse Zaken, op vragen van de leden Verhagen en Van Ardenne-van der Hoeven.

Vraag 1

Hebt u kennisgenomen van het verzoek van onder andere Dhr. H. Nuhanovic (voormalig tolk van Dutchbat en UNMO) om nadere initiatieven van Nederlandse zijde tot opheldering over het lot van de vermisten van Srebrenica?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Bent u bereid op dit verzoek in te gaan? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 2

Teneinde de traag verlopende opsporing en identificatie van vermisten en slachtoffers te bespoedigen, ben ik bereid, zoals gesuggereerd door dhr. Nuhanovic, bij het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) en het Internationale Comité inzake Vermiste Personen (ICMP) te bepleiten dat deze organisaties speciale aandacht besteden aan de groep van 242 slachtoffers waarvan het geslacht bekend is, alsmede bij benadering de lokatie en het tijdstip van vermissing. Daar deze slachtoffers mogelijk op dezelfde plaatsen zijn vermoord en begraven, zal het wellicht makkelijker zijn om de tot deze groep behorende personen te identificeren.

Vraag 3

Welke stappen hebt u gezet nadat in het verleden de Nederlandse ambassadeur te Bosnië-Herzegovina vergeefs om opheldering heeft verzocht bij de toenmalige president van de Republika Srpska, mw. Plavsic, over het lot van de 242 vermisten van Srebrenica?

Antwoord 3

De lijst met 239 namen van Moslim-mannen die opgezag van Dutchbat in Potocari op 13 juli 1995 is opgesteld, aangevuld met de drie namen van de familieleden van dhr. Nuhanovic, werd op 19 februari 1997 aan de toenmalige president van de Republika Srpska, mw. Plavsic, overhandigd met het verzoek opheldering over het lot van deze mensen te verschaffen. Dit gesprek leverde geen concrete resultaten op. In juni
1997 is op uitdrukkelijk verzoek van Nederland door de toenmalige Hoge Vertegenwoordiger, Carl Bildt, de zaak van de vermisten van Srebrenica opnieuw aangekaart bij mw. Plavsic, wederom zonder resultaat. Voorts levert Nederland belangrijke financiële bijdragen aan het opgraven en identificeren van slacht-offers. Sinds 1996 heeft Nederland ruim 5,4 miljoen gulden beschikbaar gesteld aan ICRC, ICMP, Physicians for Human Rights en Finse forensische experts, waarvan inmiddels 3 miljoen gulden is uitgegeven.

Vraag 4

Zal Nederland anderszins bij de vertegenwoordigers van de Republika Srpska blijven aandringen op het verkrijgen van opheldering over het lot van de vermisten van Srebrenica?

Antwoord 4

Nederland zal primair de nadruk leggen op het ondersteunen van de activiteiten van die organisaties die op dit terrein over de grootste expertise beschikken. Ik verwacht daarvan meer dan van afzonderlijke Nederlandse stappen. In dat licht zal ik de Ambassadeur in Sarajevo instrueren om samen met dhr. Nuhanovic en andere nabestaanden het Internationale Rode Kruis te benaderen met het verzoek speciale aandacht te geven aan het lot van de 242 personen op de genoemde lijst. Overigens zij vermeld dat uit contacten met het ICRC reeds is gebleken dat enkele tientallen namen van de lijst niet overeenkomen met bij het ICRC geregistreerde vermisten.

Uiteraard zal bij een nieuwe regering in de Republika Srspka worden aangedrongen op medewerking aan depogingen van internationale organisaties om het lot van de vermisten in Bosnië-Herzegovian op te helderen.

Vraag 5

Welke activiteiten worden er in internationaal verband (Internationale Rode Kruis en het Internationale Comité inzake vermiste personen) op dit moment nog ondernomen om opheldering te verkrijgen over het lot van de vermisten?

Vraag 6

Wordt er in dit verband nog actief onderzoek gedaan naar massagraven?

Antwoord op vragen 5 en 6

Zowel het ICRC als het ICMP organiseren regelmatig bijeenkomsten met de drie Bosnische partijen, waarbij wordt gestreefd naar opheldering van het lot van de vermisten. Vanwege de verbeterde samenwerking tussen de partijen is in 1998 belangrijke vooruitgang geboekt bij de openlegging van graven. Daarnaast speelt het Joegoslavië-Tribunaal een sleutelrol bij de opgraving van slachtoffers uit Srebrenica. In het kader van mogelijke strafrechtelijke vervolgingen stelt het Tribunaal de doodsoorzaak van de slachtoffers vast. Vervolgens draagt het Tribunaal de lichamen over aan de autoriteiten voor identificatie. De identificatie ondervindt problemen vanwege de staat waarin de stoffelijke overschotten zich bevinden.

Vraag 7

Is er in dit verband aan de Kamer enig resultaat te melden van de in de laatste twee vragen gemelde activiteiten?

Antwoord 7

Van de in totaal 20.058 verzoeken aan het ICRC tot opsporing van vermiste personen zijn inmiddels 2.098 gevallen opgehelderd. Daarvan bleken 251 personen in leven te zijn, van 1.178 werd het stoffelijke overschot geïdentificeerd en van 669 anderen kon op andere wijze worden vastgesteld dat zij zijn overleden. In de periodenovember 1997 tot en met december 1998 hebben de drie partijen 2.053 lichamen uit massagraven geborgen, waarvan er in december 1998 1.082 waren geïdentificeerd.

Deel: ' Antwoord kamervragen over vermisten uit Srebrenica '




Lees ook