Ministerie van Economische Zaken Berichtnaam: Vragen van het lid Martijn van Dam (PvdA) aan de minister van Economische Zaken over het ontvangen van ongewenste SMS-berichten (Ingezonden 6 februari 2003) Nummer: 255 Datum: 28-03-2003

1 Heeft u kennisgenomen van de televisie-uitzending van het programma Radar van maandag 3 februari jl. over het ontvangen van ongewenste SMS-berichten?

2 Wat is uw mening over deze problematiek en het feit dat klanten de kosten moeten betalen voor het ontvangen van deze berichten?

3 Bent u betrokken bij het overleg tussen de verschillende partijen om tot een oplossing te komen? Zo ja, wat is uw inzet?

4 Welke mogelijkheden ziet u om via wet- en regelgeving eisen te stellen aan het doorgeven van SMS-berichten?

5 Bent u met de Consumentenbond van mening dat de opdrachtgever en niet de klant, zal moeten bewijzen of een persoon wel of niet een sms-dienst heeft gevraagd? Zo ja, hoe wilt u deze omkering van de bewijslast in de regelgeving verankeren? Zo nee, waarom niet?

6 Kunt u aangeven wat de stand van zaken is ten aanzien van de nummerportabiliteit in de mobiele telefonie?

De Staatssecretaris van Economische Zaken, mr.drs. J.G. Wijn, heeft deze vragen als volgt beantwoord. Ministerie van Economische Zaken

1 Ja, alsmede van de vervolguitzending op 17 februari jl.

2 De problemen die in de uitzendingen van Radar aan de orde zijn gesteld, betreffen slechts een deel van deze markt, waar sprake is van ongewenste aanmeldingen. Dit doet niets af aan de ernst van de klachten en de noodzaak om deze problematiek te verhelpen, maar wel dient in het oog gehouden te worden dat een groot deel van de diensten op deze markt ook wél gewenst is door de abonnee (te denken valt aan bijvoorbeeld file-meldingen, weerberichten, moppen, horoscopen, etc.).

De problematiek zit niet in de dienst op zich, maar in de mogelijkheden voor misvattingen of zelfs misbruik ervan.

Consumenten blijken zich er vaak niet bewust van te zijn dat ze door het sturen van een éénmalige sms, zich impliciet hebben aangemeld voor een abonnementsvorm waarbij voor ieder ontvangen bericht kosten in rekening worden gebracht. Een belangrijk knelpunt is de onduidelijke informatieverstrekking, zowel over het aanmelden voor de dienst als over het afmelden. Ik ben van mening dat deze informatieverstrekking door de aanbieders van betaalde sms-diensten verbeterd moet worden.

3 De toezichthouder OPTA heeft accuraat gereageerd door de mobiele operators uit te nodigen hun verantwoordelijkheid in de problematiek rond ongevraagde sms-diensten te nemen. In samenspraak met de Stichting Ombudsman en de Consumentenbond heeft OPTA de bedrijfstak middels vragenlijsten geconsulteerd en heeft op 26 februari jl. een bijeenkomst met de marktpartijen plaatsgevonden. De uitkomsten van deze bijeenkomst lijken bemoedigend. OPTA bericht dat de netwerk-operators de problematiek rondom ongewenste sms-abonnementen onderkennen en uitgaan van de noodzaak van een gezamenlijk optreden daartegen.

Afgesproken is dat de operators eind april een gezamenlijke gedragscode zullen opleveren, waarin wordt vastgelegd welke verplichtingen de operators contractueel zullen opleggen aan de aanbieders van commerciële sms-diensten. De aanbieders van mobiele telefonie hebben op die manier de zorg voor en het toezicht op het leveren van juiste en heldere informatie over de sms-diensten.

Door dit initiatief van OPTA en door het snelle en gezamenlijke in aktie komen van de bedrijfstak, is op basis van zelfregulering binnen vrij korte termijn een belangrijke stap gezet om deze problematiek te verhelpen.

4 De problematiek ligt voornamelijk op het gebied van consumentenbescherming. Met het initiatief van de gedragscode die door de marktpartijen gezamenlijk wordt opgesteld, is een belangrijke stap gezet om deze problematiek te verhelpen. Op de korte termijn biedt deze zelfregulering voldoende waarborgen voor bescherming van de consument in deze. Wel ben ik van mening dat voor de lange termijn, mede op basis van de effecten van de gedragscode, zal moeten worden onderzocht of de bestaande regelgeving de nodige waarborgen voor de consument biedt, onder meer voor wat betreft transparantie van diensten en kosten, eenduidigheid bij overeenkomsten en bescherming tegen misleiding of oplichting . Ik wijs in dit verband mede op de implementatie van de EU-Richtlijn electronische handel, waartoe een wetsvoorstel op dit moment bij de Tweede Kamer ligt. Op basis van dit nader onderzoek kan worden bezien of nadere wet- en regelgeving noodzakelijk is en hoe dit eventueel kan worden vormgegeven. Hierover zal interdepartementaal nader overleg worden gevoerd.

5 Ik ben van mening dat de bewijslast voor de aanbieder van de sms-dienst opgenomen moeten worden in de gedragscode die door de marktpartijen gezamenlijk wordt opgesteld (en de contracten die op basis daarvan tussen de operators en de aanbieders van de dienst worden afgesloten). Voor zover op dit moment bekend, maakt dit ook onderdeel uit van het gesprek dat de partijen hierover voeren. De gedragscode zal naar verwachting eind april 2003 worden opgeleverd. Indien de bewijslast inderdaad hierin is opgenomen, is op korte termijn het belang van de consument voldoende gediend. Na invoering van deze gedragscode zal ik de effecten daarvan monitoren in overleg met OPTA en de Consumentenbond. Mede op basis van de effecten van de gedragscode, zal moeten worden bezien of nadere wet- en regelgeving noodzakelijk is en hoe dit eventueel kan worden vormgegeven.

6 Het recht tot behoud van het telefoonnummer bij het wisselen van aanbieder van mobiele telefonie (nummerportabiliteit) is verankerd in de Telecommunicatiewet en in het Besluit nummerportabiliteit. In juni 2001 heeft het college van OPTA beleidsregels gepubliceerd waarin kwaliteitsvereisten voor nummerportabiliteit zijn vastgelegd en waaraan de aanbieders van mobiele telefonie zich moeten houden.

Inmiddels is op basis van de samenwerkingsovereenkomst Transparantie kwaliteit van mobiele telecommunicatie door de gebruikersorganisaties (Consumentenbond, STN) gepubliceerd over (onder andere) nummerportabiliteit. De resultaten zijn bekend gemaakt in onder meer de Consumentengids. Hierin wordt het beeld bevestigd zoals is aangegeven in een schrijven aan de Tweede Kamer van 17 juni 2002 inzake het advies van de werkgroep Overstapkosten .

De uitvoering van de portering van nummers is over het algemeen redelijk te noemen . Wel is een eerste indicatie uit recent onderzoek van OPTA dat de voorlichting over nummer-portabiliteit nog tekort schiet en een belemmering is voor gebruikers om over te stappen. Om te zorgen voor een adequate voorlichting aan consumenten is vooral een goede voorlichting bij de verkooppunten van belang. Ik ben van mening dat de voorlichting aan consumenten kan en moet verbeteren. Ik verwacht dat de volledige resultaten van dit onderzoek van OPTA binnenkort aan mij zullen worden aangeboden.

Deel: ' Antwoord kamervragen over Vragen van het lid Martijn van Dam (PvdA) .. '




Lees ook