Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

DEN HAAG

Dienst Juridische Zaken

Afdeling Bestuursrecht

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 31 mei 1999
Kenmerk DJZ/BR-0982/99
Blad /1
Bijlage(n) 1
Betreft Beantwoording vragen van het lid Koenders

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer d.d. 19 mei 1999, kenmerk 2989913160, waarbij gevoegd waren de door het lid Koenders overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U hierbij als bijlage dezes mijn antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken

Antwoord van de heer Van Aartsen, Minister van Buitenlandse Zaken op vragen van het lid Koenders.

Vraag 1:

Welke kosten heeft de Staat gemaakt aan de zaak Oltmans sinds 1957 en in de procedure sinds 1991? Op welke wijze worden deze kosten gerechtvaardigd?

Antwoord

De aanduiding alsof er vanaf 1957 sprake zou zijn van "de zaak Oltmans" geeft een onjuist beeld van de werkelijkheid. Tussen 1957 en
1999 is er sprake geweest van een aantal incidenten, waarbij de heer Oltmans gedreigd heeft met een proces waarop ik hierna nader inga.

Oud-minister Luns heeft in 1962 aan de buitenlandse posten de instructie gegeven geen contacten met de heer Oltmans te onderhouden wegens diens activiteiten in de Nieuw-Guinea kwestie. Zodra de heer Oltmans van deze maatregel hoorde heeft hij een kort geding aangekondigd. Tussen partijen is vervolgens een regeling getroffen, waarbij mr Luns begin 1964 zijn instructie heeft ingetrokken en alsnog heeft te kennen gegeven dat de heer Oltmans de voor alle journalisten normale faciliteiten diende te verkrijgen. Aldus werd deze kwestie buiten rechte tot een oplossing gebracht.

In 1981 heeft de heer Oltmans drie leden van een hoge ambtelijke missie naar India, waaronder ZKH Prins Claus als Inspecteur-Generaal van Ontwikkelingssamenwerking als getuige gedagvaard en terzake van gestelde belemmering in zijn journalistieke professie in twee instanties een kort geding-procedure gevoerd. De rechter heeft de vordering van de heer Oltmans afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld, waarvan betaling goeddeels is uitgebleven. Aan kosten voor externe rechtsbijstand is door de Staat een bedrag van % NLG
6.000,- betaald.

Sinds 1991 voert de heer Oltmans een civiele procedure tegen de Staat, waarin hij stelt dat hij gedurende een reeks van jaren door en vanwege BZ, BZK en AZ zou zijn tegengewerkt in de uitoefening van zijn journalistieke beroep. In de procedure heeft de Rechtbank tweemaal een tussenvonnis gewezen en de heer Oltmans toegelaten bewijs te leveren van zijn bestreden stellingen. Inmiddels zijn er % 50 getuigen gehoord, onder wie talloze (ex)-ministers en hoge ambtenaren. Verder heeft de heer Oltmans gaande de door hem geïnstrueerde getuigenverhoren een incidentele vordering ingesteld, waarbij hij een voorschot heeft gevraagd op de schadevergoeding. De Rechtbank heeft bij incidenteel vonnis van 29 oktober 1997 de vordering van de heer Oltmans afgewezen en overigens een beoordeling gegeven inhoudende dat naar het voorlopig oordeel van de Rechtbank de heer Oltmans zijn getuigenverhoren zou dienen te concentreren op voorvallen in de periode tussen februari 1964 en april 1980.

Het grote aantal getuigen dat op verzoek van de heer Oltmans is gehoord maakt het onvermijdelijk dat het proces lang sleept en veel tijd en aandacht vergt. De verzoeken van de Staat aan de door de Rechtbank benoemde Rechter-Commissaris om de getuigenverhoren aan de zijde van de heer Oltmans af te ronden, zijn tot op heden door de heer Oltmans met kracht weersproken.

Naast de civiele procedure is door de heer Oltmans bij herhaling een rechterlijke toetsing uitgelokt waar het betreft verzoeken om vrijgave van documenten, zogenaamde WOB-procedures, heeft hij een voorlopig getuigenverhoor ingeleid betreffende zijn uitwijzing uit Zuid-Afrika in 1992 en heeft hij tweemaal klachten ingediend bij de Nationale Ombudsman.

Daarnaast heeft mijn Ministerie door tussenkomst van de Landsadvocaat directe bemoeienis gehad met een vijftal initiatieven om tot een minnelijke regeling te komen.

De externe kosten die de Staat sinds 1991 heeft gemaakt voor de rechtsbijstand in de hierboven omschreven procedure verschillen per jaar sterk doch gemiddeld genomen kunnen deze kosten worden gesteld op een bedrag van % NLG 60.000,- per jaar. Bedacht dient te worden dat het, zoals hiervoor uiteengezet, gaat om meerdere procedures, vele en uitvoerige getuigenverhoren, waarbij verschillende staatsrechtelijke kwesties, zoals of en zo ja onder welke voorwaarden bepaalde personen als getuige gehoord kunnen worden, hebben geleid tot een uitvoerig debat in rechte. Externe juridische bijstand daarbij is onvermijdelijk.

Vraag 2:

Hoe beoordeelt U het slepende karakter van de procedure? Ziet het Kabinet, mede gezien bovengenoemde kosten, analogie met soortgelijke zaken waarin dit karakter een reden kan zijn door een adequaat bod de zaak te beëindigen?

Antwoord

Ik betreur, samen met andere betrokken collega's, dat de zaak sinds
1991 voortduurt. Ik heb reeds gewezen op verzoeken van de Staat aan de Rechter-Commissaris om de getuigenverhoren aan de zijde van de heer Oltmans tot afronding te brengen en de reactie daarop van de heer Oltmans. Daarnaast kan ik wijzen op een vijftal pogingen om een minnelijke regeling te treffen mede uit oogpunt van kostenbeheersing. Een en ander heeft gecumuleerd in een door mijn voorganger in 1998 komen tot het naar de mogelijkheden doen van een uiterst bod dat bepaald substantieel genoemd kan worden

(NLG 1.076.310,66), dat echter door de heer Oltmans van de hand is gewezen.

Vraag 3:

Bent U bereid volledige openbaarheid te verschaffen van alle formele en informele documenten en documentensoorten die betrekking hebben op de zaak Oltmans?

Antwoord

Verzoeken om openbaarmaking van de zijde van de heer Oltmans zijn op normale wijze behandeld. Ik was en ben uiteraard bereid onder de normale voorwaarden en beperkingen van de wet (WOB) informatie te verschaffen.

Vraag 4

Bent U bereid deze vragen te beantwoorden nog voor het onderhoud van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer met het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren over de zaak Oltmans op 1 juni a.s.?

Antwoord

Gegeven de inzendingsdatum van deze antwoorden behoeft deze vraag geen verdere beantwoording.

Deel: ' Antwoord kamervragen over zaak Oltmans '




Lees ook