Tweede Kamer der Staten Generaal

Antwoord Kamervragen over zuivel van ziek melkvee
Gemaakt: 20-3-2000 tijd: 16:27


2

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 14 maart 2000

Onderwerp:

Zuivel van ziek melkvee

Geachte Voorzitter,

Hierbij ontvangt u, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de antwoorden op de vragen van het lid Atsma (CDA) over zuivel van ziek melkvee, d.d. 6 maart 2000 (kenmerk 299007780).


1

Er heeft alleen correspondentie plaatsgehad tussen het Ministerie van LNV en het PVC. Bijgevoegd treft u deze correspondentie aan (VVM
00581/AH en VVM 00.747/RM).


2

Het betreft hier geen brief van de Minister van LNV, maar van de Chief Veterinary Officer, d.d. 18 februari 2000. In deze brief (VVM
00581/AH) is ingegaan op inventariserend onderzoek van het bedrijfsleven in het kader van het mogelijk gebruik van verontreinigend IBR-vaccin. In dat verband is gestuit op sterk vermagerde koeien (slijters). In een aan-sluitende brief van 2 maart jl. (VVM 00.747/RM) is dit kader nader toegelicht en verduide-lijkt. Daarin is het volgende geschreven:
«Gemeld werd dat er sprake zou zijn van ca. 350 rundveebedrijven waar zich meer of minder ernstige gezondheidsklachten bij het melkvee voor zouden doen. Deze informatie werd gebaseerd op signalen uit de pers die werden aangehaald in een procedure van een veehouder tegen de staat. Inmiddels is uit nader ingewonnen informatie gebleken dat die berichten over signalerende lijsten niet blijken ingegeven vanuit een veterinaire of volksgezondheidsinvalshoek, maar primair te maken heeft met sociaal-economische problemen op die bedrijven. Deze bedrijven menen namelijk schade te hebben ondervonden van het vorig jaar gebruikte IBR-vaccin van een bepaald concern; deze bedrijven hebben zich collectief georganiseerd in een tegen dat concern aangespannen schadevergoedingsprocedure. De overheid staat hier buiten. De brief van 18 februari jl. had over die achtergrond duidelijker moeten zijn».

- 3 Deze -

3

Deze antwoorden zullen binnenkort aan de Kamer worden toegezonden.


4

De producent is zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van zijn producten. Dit geldt voor zowel de levensmiddelenindustrie als voor de veehouder. Toepassing van het voorzorg-principe is onderdeel van deze verantwoordelijkheid. Bij de reguliere (overheids)controles zijn geen aanwijzingen die duiden op gevaren voor de volksgezondheid. Van de zijde van het zuivelbedrijfsleven is medegedeeld dat noch in de monsters van boerderijmelk, noch in de producten afwijkingen zijn geconstateerd. Overigens ondergaat in de fabriek alle melk uit voorzorg altijd een hittebehandeling (pasteurisatie of sterilisatie) waarmee eventueel aanwezige ziektekiemen worden gedood. Gesteld kan worden dat op deze wijze voldoen-de gewaarborgd wordt, dat de producten van de zuivelindustrie veilig zijn voor de consu-ment.


5

De overheid is verantwoordelijk voor de registratie van diergeneesmiddelen. De registratie geschiedt onder begeleiding van een door het bedrijf ingediend dossier, dat moet voldoen aan een aantal bij wet (diergeneesmiddelenwet) vastgestelde criteria. Het betreft hier een toets, zonder dat de productaansprakelijkheid van de fabrikant wordt overgenomen. Voor het overige zie het antwoord op vraag 2, gesteld door de heer Atsma (CDA), kenmerk 299006170. De hier geschetste systematiek wordt algemeen toegepast op de toelating van diergeneesmiddelen.

Tevens verwijs ik u naar de begeleidende brief, kenmerk VVM.00862/RM.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER

EN VISSERIJ,

mr. L.J. Brinkhorst

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Antwoord Kamervragen over zuivel van ziek melkvee '




Lees ook