Ministerie van Financien

Titel: Antwoorden op vragen van de Tweede Kamer over de overname van de NIB.

DIRECTIE FINANCIERINGEN

Aan:

De voorzitter en de leden van de Vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

8-99-Fin

Fin99/55i

11 maart 1999

Onderwerp

Overname NIB door ABP en PGGM

Hierbij doe ik u de beantwoording toekomen op uw vragen inzake de voorgenomen overname van de door de Staat gehouden gewone aandelen in de Nationale Investeringsbank door ABP en PGGM.

1. Past de overname in het beleid van het afstoten van staatsdeelnemingen en de taken van de overheid?

De opportuniteit van deelneming in de Nationale Investeringsbank (NIB) is getoetst aan de in paragraaf 2.3 van de nota Beleid inzake deelnemingen vermelde vragen (TK, 1996-1997, 25 178, nr 2). Op grond daarvan is de conclusie getrokken dat de afstoting van de aandelen NIB binnen het huidige deelnemingenbeleid past. De toetsing betrof met name de tweede vraag uit paragraaf 2.3 van voornoemde nota. Dit is de pragmatische toets van het doel van deelname: Is de staatsdeelneming nog steeds het geëigende middel om het doel tot overheidsdeelname te realiseren. Hieronder wordt uiteengezet dat het oorspronkelijke doel tot overheidsdeelname in de NIB reeds enige tijd niet meer actueel is.

De deelneming in de NIB, destijds de Herstelbank, dateert van kort na de Tweede Wereldoorlog en had ten doel de overheid een instrument te bieden (in de vorm van een financiële instelling) om het economische herstel van Nederland te bevorderen. Ook nadat het economisch herstel gerealiseerd was, is de NIB, onder meer als uitvoerder van regelingen en als adviseur voor de overheid, een specifieke functie voor de overheid blijven vervullen. Dit is nog steeds het geval. Wel constateert de regering dat de specifieke functie van de NIB voor de overheid in de afgelopen decennia verder in belang is afgenomen. Het aantal (kader-)regelingen dat de NIB voor de overheid uitvoert, is sinds de jaren zeventig zichtbaar afgenomen. Op het gebied van kredietverlening aan bedrijven en andere bancaire diensten is de NIB nog steeds een belangrijke adviseur van de Staat, maar de Staat maakt vaker dan voorheen gebruik van alternatieve bronnen om dergelijke expertise in te winnen. Daarentegen zijn de niet-overheidsgerelateerde activiteiten van de NIB in dezelfde periode zeer sterk gegroeid.

Deze ontwikkelingen komen tot uitdrukking in de balansgegevens van de NIB. Daaruit blijkt dat het Staatsgegarandeerde deel van de kredietportefeuille van tussen 1980 en 1998 bijna is gehalveerd in absolute termen. Als percentage van de totale kredietportefeuille was in 1980 66% door de Staat gegarandeerd; per ultimo 1998 is 7,0% van de portefeuille staatsgegarandeerd. In dezelfde periode nam het balanstotaal van de NIB toe van 3,2 miljard tot 27,4 miljard. Dit illustreert de sterke groei van niet-overheidsgerelateerde activiteiten van de NIB.

De regering meent dat het aanhouden van aandelen door de Staat in de NIB niet het geëigende middel is om de huidige functie van de NIB voor de overheid te regelen. Deze is contractueel afdoende vastgelegd. De regering ziet derhalve reden om het aandeelhoudersschap te beëindigen. Overigens zal de Staat niet in een keer zijn volledige aandelenbelang vervreemden. Gedurende een periode van vijf jaar behoudt de Staat zijn pakket preferente aandelen B (15% van het aandelenkapitaal).

2. Valt de overname binnen de regels van toezicht op financiële conglomeraten?

Bij overnames waarbij kredietinstellingen en verzekeraars zijn betrokken, zijn in principe relevant de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992) en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (Wtv 1993) en de nieuwe Mededingingswet. De pensioenwetgeving bevat op dit punt geen relevante voorschriften. Afhankelijk van de exacte vormgeving van de overname vindt een toetsing plaats op grond van een of meer van bovengenoemde wetten.

De Wtk 1992 bepaalt dat voor overnames door of in kredietinstellingen een verklaring van geen bezwaar is vereist (artikel 23 en 24). Soortgelijke bepalingen zijn opgenomen in de Wtv 1993 voor overnames in verzekeraars of van verzekeraars in een kredietinstelling (artikel 174 en 175). De Mededingingswet voorziet in preventief toezicht op concentraties voor in beginsel alle bedrijfssectoren.

Ten aanzien van de voorgenomen overname van de door de Staat gehouden aandelen in de Nationale Investeringsbank door ABP en PGGM is in ieder geval van toepassing artikel 24 van de Wtk 1992, aangezien de NIB een kredietinstelling betreft. Aangezien zowel ABP als PGGM verzekeringsdochters hebben, kan tevens - afhankelijk van de precieze vormgeving van de overname - artikel 174 van de Wtv 1993 van toepassing zijn. Dat artikel bevat bepalingen ten aanzien van deelnemingen in kredietinstellingen waarbij verzekeraars direct of indirect betrokken zijn.

ABP, PGGM en NIB hebben de voorgenomen overname op 4 februari jl. gemeld bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit. Bij de behandeling van deze melding zal tevens de vraag aan de orde komen of artikel 32 van de Mededingingswet daarop van toepassing is. Dit artikel geeft aan welke concentraties waarbij kredietinstellingen of verzekeraars zijn betrokken, zijn uitgezonderd van het concentratietoezicht op basis van de Mededingingswet. Als deze uitzondering in dit geval van toepassing is, vindt de toetsing op concentratie-aspecten plaats binnen de hiervoor beschreven toetsing op grond van de Wtk 1992 en mogelijk de Wtv 1993. Overigens vervalt de uitzondering voor kredietinstellingen of verzekeraars genoemd in artikel 32 met ingang van 1 januari 2000 ingevolge artikel 107, derde lid, van de Mededingingswet.

3. Past binnen de regelgeving op pensioenfondsen dat een pensioenfonds 100% eigenaar wordt van een bank ?

De Pensioen- en Spaarfondsenwet (Psw) bepaalt slechts dat belegging van de daartoe beschikbare gelden van een pensioenfonds op solide wijze moet geschieden (Artikel 14 Psw). Voorts bepaalt de Psw dat in de statuten en reglementen van een pensioenfonds bepalingen opgenomen worden betreffende de belegging van de gelden (Artikel 7, lid 1, onder e., van de Psw). Het beleggingsbeleid valt onder het financiële beleid waarop de Verzekeringskamer toezicht uitoefent (Artikel 11 jo. Artikel 20 Psw).

De regelgeving voor pensioenfondsen bevat dus geen belemmeringen voor het 100% eigenaar worden van een bank.

4. Welke taken voert de NIB momenteel voor de overheid uit en hoe is de uitvoering van die taken in de nabije toekomst geregeld? Is de gekozen opzet verenigbaar met de markt-en-overheid-principes uit het rapport Cohen? Is een en ander voorgelegd aan de NMa?

De huidige dienstverlening van de NIB aan de Staat bestaat naast specifieke adviesopdrachten onder meer uit het volgende: de Regeling Bijzondere Financiering (BF), de IFOM-regeling (investeringsfaciliteit opkomende markten), de Regeling Bodemsanering, het beheer van de leningen- en schenkingsportefeuille voor ontwikkelingslanden, een deel van administratie van Ontwikkelingssamenwerking, de regelingen ORET en MILIEV, alsmede toezicht uit hoofde van de regeling voor Particuliere Ontwikkelings- en Participatiemaatschappijen (POPM). De NIB verricht deze diensten ten behoeve van de overheid zelf of via dochtermaatschappijen, zoals de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden (NIO) en de Nederlandse ParticipatieMaatschappij voor de Nederlandse Antillen (NPMNA).

De uitvoering van de overheidsregelingen is contractueel geregeld. Bij verlenging cq. vernieuwing van bestaande contracten en bij het afsluiten van nieuwe contracten dient de Staat, voorzover toepasselijk, de geldende EG-aanbestedingrichtlijnen te volgen. Het betreffende onderdeel van de overheid dat de opdracht verleent, is ervoor verantwoordelijk dat de opdrachtverstrekking op marktconforme voorwaarden geschiedt. Dit geld ook voor specifieke

adviesopdrachten die de overheid aan de NIB verstrekt. De NIB heeft geen preferente positie en verwerft zijn opdrachten in concurrentie met andere banken.

Ik zie geen aanleiding te veronderstellen dat deze opzet -dienstverlening door de NIB op contractbasis- op enige wijze onverenigbaar zou zijn met de markt-en-overheid-principes uit het rapport Cohen. Overigens bestaat deze op contractuele basis gestoelde opzet reeds in de huidige situatie. Het feit dat de Staat zijn aandelenbelang vermindert, brengt hierin geen verandering.

Zoals in het antwoord op de tweede vraag is opgemerkt, hebben ABP en PGGM het voornemen tot overname van de NIB op 4 februari jl. aangemeld bij de NMa.

5. Wat is de geschatte opbrengst van de verkoop van staatsaandelen NIB en hoe neemt u zich voor het overleg met de Kamer over de opbrengst te voeren?

De precieze voorwaarden van het openbare bod dat ABP en PPGM uiterlijk 31 maart zullen uitbrengen zijn door ABP en PGGM nog niet bekend gemaakt. ABP en PGGM hebben wel reeds geïndiceerd dat zij, onder voorbehoud van de resultaten van een due diligence onderzoek, een prijs van 66,- per gewoon aandeel A willen bieden. De geschatte verkoopopbrengst voor de Staat bedraagt op basis van deze indicatieve prijs ruim 1,8 miljard.

In het Regeerakkoord (1998) zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop eenmalige opbrengsten zullen worden aangewend. De verkoopopbrengst zal conform deze afspraken worden aangewend. Dit betekent dat verkoopopbrengst wordt aangewend ter aflossing van de Staatsschuld en dat de netto-besparing van financieringslasten (het saldo van bespaarde rentelasten en gederfde dividendopbrengsten) leidt tot een structurele verhoging van de voeding van het FES.

DE MINISTER VAN FINANCIËN,

Deel: ' Antwoord kamervragen overname Nationale Investeringsbank '




Lees ook