Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter

van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's-Gravenhage

Noord-Afrika en Midden-Oosten

Afdeling Golfstaten

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 20 juli 1999
Kenmerk DAM/GO-268/99
Blad /1
Bijlage(n) Antwoorden kamervragen Marijnissen
Betreft Irak / Kamervragen Marijnissen
C.c. --

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar het schrijven d.d. 14 juli jl., kenmerk no.
2989916100, van de Griffier Uwer Kamer, waarbij mij toegingen de door het lid Uwer Kamer Marijnissen, overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde bij U ingediende vragen, heb ik de eer U als bijlage dezes mijn antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken a.i.,

Antwoord van de heer Van Aartsen, Minister van Buitenlandse Zaken, op vragen van het lid Marijnissen (SP) over Irak (ingezonden 13/07/99).

Vraag 1

Biedt de Brits-Nederlandse VN Veiligheidsraadontwerpresolutie uitzicht op het verruimen van importen door Irak buiten het Olie-Voor-Voedselprogramma? Zo ja, welke importen dan? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 1

De Brits-Nederlandse ontwerpresolutie bevat, ter aanmoediging van Irak, een bepaling waarin de intentie wordt uitgesproken om het verbod op te schorten op de export van goederen en produkten, die hun oorsprong in Irak hebben. Deze opschorting is wel aan een aantal voorwaarden gebonden, waaronder die van aantoonbare volledige samenwerking door Irak met het nieuwe wapeninspectie-orgaan gedurende een bepaalde tijdspanne, de voltooiing van een aantal kerntaken op ontwapeningsgebied en de instelling van een effectief financieel controlemechanisme (zie ook mijn brief van 21 juni jl.).

Voorts bevat de Brits-Nederlandse ontwerpresolutie een aantal bepalingen ter versterking en uitbreiding van het Olie-Voor-Voedselprogramma, die meteen na aanvaarding van de resolutie ten uitvoer zullen worden gebracht (zie voorts de beantwoording van vragen 3, 4 en 5).

Momenteel worden de mogelijkheden bezien om in de Brits-Nederlandse ontwerpresolutie inzake Irak een bepaling op te nemen, die zou strekken tot de opschorting van de sancties op de levering van bepaalde goederen en produkten aan Irak. Deze leveringen zouden dan niet tot het Olie-Voor-Voedsel-programma behoren.

Vraag 2

Mag Irak binnen het Olie-Voor-Voedselprogrammagoederen importeren voor irrigatie, waterzuivering, onderwijs, kunstmest of infrastructuur? Zo neen, betekent dat dat de humanitaire situatie voor het Iraakse volk ondanks dat programma niet duurzaam kan verbeteren en is Nederland van plan zulke importen alsnog mogelijk te maken?

Antwoord 2

Ja. In het Distributieplan, dat halfjaarlijks wordt opgesteld door de Iraakse autoriteiten in samenwerking met het Office for the Iraq Programme en dat wordt goedgekeurd door de Secretaris-Generaal van de VN, kan Irak aangeven voor welke goederen het contracten wenst af te sluiten binnen de parameters van de verschillende sectoren van het plan. De belangrijkste sectoren, naast voedsel en medicijnen, zijn waterhuishouding en waterzuivering, elektriciteit, landbouw, onderwijs en telecommunicatie.

Tevens is van belang dat het Sanctiecomité, naast de goedkeuring van importen via het Olie-Voor-Voedselprogramma, ook voor grote hoeveelheden goederen ontheffing verleent van het reguliere sanctieregime op grond van VR-resolutie 661.

Nederland is van mening dat, naast de verbetering van de situatie inzake voedsel en medicijnen, vooral de opbouw van de waterzuiverings- en electriciteitsinfrastructuur onontbeerlijk is voor de bevordering van de humanitaire situatie in Irak.

Vraag 3

Is het waar dat de Verenigde Naties schat dat door de sancties inmiddels 700 000 kinderen zijn overleden aan honger en een miljoen kinderen lijden aan chronische ondervoeding? Zo ja, bent u dan van mening dat de sancties de Iraakse bevolking onevenredig hard treffen en zo snel mogelijk een einde moet worden gemaakt aan deze humanitaire catastrofe?

Vraag 4

Hoe beoordeelt u de humanitaire situatie waarin het Iraakse volk als gevolg van de sancties zich nubevindt?

Vraag 5

Worden de gevolgen van de sancties voor het Iraakse volk meegewogen in de beslissing om de sancties voort te zetten? Zo neen, waarom niet en bent u van plan dat alsnog te doen? Zo ja, weegt het lijden van het Iraakse volk op tegen het beoogde doel en de effectiviteit van de sancties en in welke situatie oordeelt u dat het middel erger is geworden dan de kwaal?

Antwoord 3, 4 en 5

Sedert de instelling van het sanctieregime heeft in de Veiligheidsraad grote aandacht bestaan voor de humanitaire effecten van dit regime op de bevolking van Irak, in het bijzonder op vrouwen en kinderen. Een jaar na inwerkingtreding van de sancties werd een eerste versie van het Olie-Voor-Voedselprogramma voorgesteld, hetgeen door de regering van Irak werd verworpen.

Op 14 april 1995 aanvaardde de Veiligheidsraad unaniem Resolutie 986, die de basis vormt van het huidige Olie-Voor-Voedselprogramma. Ook dit programma werd aanvankelijk door de Iraakse regering afgewezen. Langdurige onderhandelingen zorgden ervoor dat het pas op 1 januari
1997 daadwerkelijk van start kon gaan. Tot op heden wordt het programma iedere zes maanden geëvalueerd. Sinds de implementatie is het enkele malen door de Veiligheidsraad aangepast en uitgebreid.

De Brits-Nederlandse ontwerpresolutie bevat een aantal voorstellen tot versterking en uitbreiding van het Olie-Voor-Voedselprogramma. Deze voorstellen vallen uiteen in vier onderdelen: beduidend meer geld voor de aanschaf van humanitaire goederen, betere distributie van goederen in Irak, versnelling van de goedkeuringsprocedures in New York en een beroep op de Iraakse regering haar verantwoordelijkheid jegens de eigen bevolking te nemen (zie mijn brief van 21 juni jl.).

Het Olie-Voor-Voedselprogramma is een humanitair programma dat, op door de VN gecontroleerde wijze, Irak een mechanisme biedt om met de verkregen olie-opbrengsten goederen aan te schaffen die het land meent nodig te hebben. De verantwoordelijkheid voor het sluiten van de contracten berust volledig bij de regering van Irak.

Het Olie-Voor-Voedselprogramma heeft een positieve uitwerking op de humanitaire situatie in Irak gehad. Desalniettemin blijft de humanitaire situatie zorgwekkend, ook al ontbreken betrouwbare, precieze gegevens, aangezien de VN niet beschikt over eigen, onafhankelijke cijfers betreffende het effect van het sanctieregime op de Iraakse burgerbevolking.

Het Sanctiecomité en de VN blijven bij voortduring druk uitoefenen op Irak om de situatie voor kinderen te verbeteren. Het meest urgent is de verbetering van de distributie van voedsel en medicijnen. De regering van Irak heeft bijvoorbeeld nog voor ongeveer 300 miljoen dollar aan medicijnen niet gedistribueerd. De Iraakse regering heeft ook nog maar een fractie besteld van de hoeveelheid speciaal voedsel voor zuigelingen en zogende moeders, die zij volgens het Olie-Voor-Voedselprogramma zou kunnen invoeren. UNICEF en de WHO zullen op korte termijn in samenwerking met het Ministerie van Gezondheid van Irak een onderzoek naar kindersterfte in de 15 provincies in Centraal- en Zuid-Irak uitvoeren.

De Nederlandse uitgangspositie blijft dat Irak aan zijn verplichtingen voortvloeiend uit de relevante resoluties van de Veiligheidsraad dient te voldoen en geen gevaar meer mag vormen voor de regio. Het sanctieregime is bedoeld om druk op de regering van Irak uit te oefenen tot uitvoering van deze resoluties en om ervoor te zorgen dat zij in de tussentijd niet financieel de gelegenheid krijgt om het Iraakse militaire apparaat weer op te bouwen of massavernietigingswapens te verwerven. Definitieve opheffing van het sanctieregime is pas aan de orde wanneer aan de eerdergenoemde voorwaarden is voldaan. Om echter de humanitaire gevolgen voor de bevolking van Irak te bestrijden, is hetOlie-Voor-Voedselprogramma ingesteld.

Het is echter goed te beseffen dat de verantwoordelijkheid voor de humanitaire situatie in Irak ligt bij het regime van Saddam Hoessein, hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in de rapportage van de Speciale Rapporteur voor de Mensenrechten in Irak, Mr. Max van der Stoel (zie ook mijn brief van 16 april jl.). Het regime heeft twee oorlogen ontketend, die op zich al geleid hebben tot enorme schade aan de infrastructuur en economie van Irak. Door de weigering van Saddam Hoessein voldoende uitvoering te geven aan de VR-resoluties blijven de sancties in stand. Het regime heeft jarenlang geheel geweigerd het Olie-Voor-Voedselprogramma te aanvaarden en ook nu nog laat zijn medewerking eraan vaak te wensen over.

Vraag 6

Evalueert het sanctiecomite het effect van de sancties tegen Irak in het licht van de aan die sancties verbonden doelen? Zo neen, waarom niet en is Nederland als voorzitter van het sanctiecomite van plan om zulke evaluaties alsnog uit te voeren? Zo ja, wat was de uitkomst van deze evaluaties, wat is tot nog toe het concrete resultaat van de sancties in relatie tot het beoogde doel?

Antwoord 6

Neen. De Veiligheidsraad is het verantwoordelijke orgaan voor de besluitvorming over de instandhouding, opschorting of opheffing van het sanctieregime en de voorwaarden waaronder dat gebeurt.

Deel: ' Antwoord kamervragen SP over verruimen importen door Irak '




Lees ook