Ministerie van Financien

Titel: SUBSIDIE NEDERLANDSE POMPHOUDERS

Persberichtnr.

99/172

Den Haag

13 augustus 1999

ANTWOORDEN VAN DE MINISTER VAN fINANCIËN OP VRAGEN VAN HET LID VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL STROEKEN OVER SUBSIDIE NEDERLANDSE POMPHOUDERS

VRAGEN:


1.

Heeft de Europese Commissie de door de regering reeds toegezegde steun aan de Nederlandse pomphouders aan de grens met Duitsland verboden?


2.

Moet zelfs de reeds uitgekeerde steun worden terugbetaald?


3.

Erkent u dat desbetreffende pomphouders daardoor in ernstige financiële problemen zullen geraken?


4.

Bent u van mening dat de met de reeds toegezegde -en in sommige gevallen ook reeds toegekende- steun verwachtingen zijn gewekt bij deze pomphouders?


5.

Hebt u het voornemen de Nederlandse pomphouders op een andere wijze te compenseren? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?


6.

Wat heeft u ondernomen sinds bekend is dat de compensatieregeling als aanmeldingsplichtige staatssteun moet worden gekwalificeerd en niet mag worden uitgevoerde dan nadat de Commissie in heeft toegestemd?1

ANTWOORDEN:

De Minister van Financiën maakt bij de beantwoording van de vragen gesteld door het Kamerlid Stroeken van de gelegenheid gebruik de Kamer in te lichten over de ontvangst van de beschikking van de Europese Commissie inzake bovengenoemde regeling. In deze beschikking maakt de Europese Commissie kenbaar dat de subsidie van 100.000 EURO die Nederland heeft toegekend aan 183 pompstations aan de grens met Duitsland geen steun vormt, aangezien de subsidie aan deze tankstations onder de de minimis-regel valt. De subsidie die Nederland heeft toegekend aan 200 andere tankstations nabij de Duitse grens valt volgens de Europese Commissie niet onder de de minimis-regel en dient derhalve als staatssteun te worden aangemerkt. Deze steun is volgens de Europese Commissie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en dient te worden teruggevorderd. Daarnaast heeft de Europese Commissie bepaald dat de subsidie die aan 250 tankstations is toegekend die geen of onvoldoende informatie hebben verstrekt ook onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is en dient te worden teruggevorderd.


1.

Deels. De Europese Commissie heeft een gedeeltelijke negatieve beschikking afgegeven inzake de Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland. Bij de beoordeling van de regeling is de Europese Commissie niet uitgegaan van het mogelijke misbruik van de de minimis-regel, maar de beoordeling is geschied met het oog op het risico van cumulering van steun volgens de de minimis-regel. Volgens de de minimis-regel mag de totale som die het bedrijf aan de minimis-steun ontvangt niet boven de limiet van 100.000 EURO over een periode van 3 jaar stijgen.

De Commissie is van oordeel dat de de minimis-regel slechts van toepassing zou kunnen zijn indien elk tankstation als afzonderlijke onderneming zou kunnen worden beschouwd.

Volgens de Commissie kan een tankstation niet als afzonderlijke onderneming worden beschouwd wanneer één eigenaar verscheidende tankstations bezit, hetgeen het geval kan zijn bij tankstations in eigendom van en geëxploiteerd door de oliemaatschappij, of wanneer de vrijheid van onafhankelijke exploitanten zodanig door exclusieve afname- en huurovereenkomsten wordt ingeperkt dat grote oliemaatschappijen in feite zeggenschap over hen hebben, zoals het geval kan zijn bij tankstations in eigendom van de oliemaatschappij en geëxploiteerd door de wederverkoper.

Op bovenstaande beoordelingsgrond is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de subsidie aan 183 tankstations aan de grens met Duitsland geen steun is, aangezien de subsidie aan deze tankstations onder de de minimis-regel valt. De subsidie die Nederland heeft toegekend aan 200 andere tankstations nabij de Duitse grens valt volgens de Europese Commissie niet onder de de minimis-regel en dient derhalve als staatssteun te worden aangemerkt. Deze steun is volgens de Europese Commissie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en dient te worden teruggevorderd.

De Commissie heeft in haar besluit waarin ze de verleende subsidie aan 200 tankstations als onwettig aanmerkt de tankstations in twee categorieën onderverdeeld, te weten:

* in een aantal gevallen (49 tankstations) is cumulatie van steun opgetreden, omdat dezelfde maatschappij verscheidende tankstations in eigendom heeft en exploiteert, of omdat dezelfde wederverkoper meer dan eens steun heeft aangevraagd en derhalve verscheidende malen op de lijst van voor steun in aanmerking komende ontvangers voorkomt;

* in 151 gevallen kan de Nederlandse regering, door de toekenning van de steun, feitelijk worden geacht de leverancier geheel of gedeeltelijk te compenseren voor zijn verplichting op grond van de prijsmanagementsysteem (PMS)-clausule, hetgeen leidt tot cumulering van de steun op het niveau van de leveranciers. Indien deze steun niet werd gegeven dan zou de leverancier de pomphouder compensatie moeten bieden. De respectievelijke oliemaatschappijen zijn in dit geval volgens de Commissie de feitelijke ontvangers van de steun.

Daarnaast heeft de Europese Commissie bepaald dat de subsidie die Nederland heeft toegekend aan 250 tankstations nabij de Duitse grens met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is en teruggevorderd dient te worden, aangezien deze tankstations geen of onvoldoende informatie verstrekt hebben. De Commissie kan derhalve niet uitsluiten dat de steun geen merkbare invloed op het handelsverkeer en de mededinging tussen de lidstaten heeft, in de zin van de mededeling van de Commissie inzake de de minimis-steun.


2.

Ja, Nederland dient de steun die ingevolge de beschikking van de Commissie onwettig ter beschikking is gesteld van de ontvangers terug te vorderen.


3.

Het valt niet uit te sluiten dat pomphouders in financiële problemen zouden kunnen raken. De specifieke financiële situatie van individuele pomphouders is mij echter niet bekend.


4.

Ingeval de Europese Commissie terugvordering van ten onrechte verleende subsidie eist, is de terugvordering een plicht waaraan een lidstaat zich niet op grond van overwegingen van nationaal recht kan onttrekken. Wel kunnen zich situaties van absolute onmogelijkheid tot terugvordering voordoen, bijvoorbeeld omdat de begunstigde heeft opgehouden te bestaan, of omdat de rechter zulks op basis van andere overwegingen verbiedt (zo zou het vertrouwensbeginsel, zoals dat als algemeen rechtsbeginsel deel uitmaakt van het gemeenschapsrecht dat door het HvJ in acht wordt genomen, onder omstandigheden een rol kunnen spelen).


5.

Ik zie geen mogelijkheden om de Nederlandse pomphouders op een andere wijze te compenseren. Bij eerdere gelegenheden, zoals in het kader van het Belastingplan 1993, hebben discussies plaatsgevonden met zowel de Eerste als de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Ik moge in dit verband verwijzen naar de brief 8 april 1993 van de toenmalige Staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal waarin deze een analyse heeft gegeven van onder meer de mogelijkheden op het gebied van een eventuele compensatie. Onderwerp van discussie toentertijd was een drietal alternatieve compensatiemogelijkheden, namelijk het creëren van een rentevoordeel door een uitstel van betaling van twee maanden voor de accijns, een accijnsdifferentiatie afhankelijk van de regio waarin het tankstation is gevestigd en het toekennen van de status van accijnsgoederenplaats aan een in de grensstreek gevestigd tankstation. Met betrekking tot de hiervoor genoemde accijnsdifferentiatie wordt opgemerkt dat hiervoor een derogatie noodzakelijk is van de Raad van de Europese Gemeenschappen. In 1997 heeft Nederland een verzoek tot zon derogatie ingediend. Deze werd niet verleend. De beide andere alternatieve stuitten op juridische bezwaren uit hoofde van het gelijkheidsbeginsel en uit hoofde van het EG-recht. Deze conclusie was mede gebaseerd op een advies van de Landsadvocaat.

Ik wil in dit verband voorts verwijzen naar de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 2 december 1994 aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal waarin deze antwoord geeft op vragen van het lid Boorsma inzake een voorstel tot compensatie overeenkomstig een door Meijburg & Co ontwikkelde alternatieve wijze. Het voorstel betrof een eenmalige compensatie, die zou moeten worden geëffectueerd via een voorziening op de fiscale balans. Met behulp van deze voorziening zou de belasting over een deel van de winst kunnen worden uitgesteld. Ook met betrekking tot deze voorziening moest worden geconcludeerd dat zon maatregel geen geschikt instrument zou zijn. Deze zou bovendien moeten worden aangemeld bij de Europese Commissie als steunmaatregel.

Nu ook toepassing van de onderhavige de minimis regel - althans voor een deel - is afgewezen door de Commissie acht ik geen andere mogelijkheden aanwezig om tot compensatie over te gaan. Daar komt bij dat elke beleidsmaatregel die zich specifiek richt op de onderhavige groep pomphouders - zo een dergelijke maatregel al denkbaar is - als ongeoorloofde steunmaatregel zal worden aangemerkt. Dit standpunt is ook neergelegd in de brief van 12 maart 1999 van de Staatssecretaris van Financiën en ondergetekende waarin antwoord wordt gegeven op een aantal vragen van de vaste Commissie voor Financiën over de Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland (kamerstukken II, 1998/99, 26 200 IXB, nr. 16).


6.

Voordat de uitkomst van de procedure van de Europese Commissie bekend was, is de regeling ongewijzigd uitgevoerd, aangezien er geen duidelijkheid was over de uitkomsten van de procedure. Het al eerder opschorten van de regeling zou achteraf gezien ook het gevolg hebben gehad, dat voor een groot aantal tankstations geen subsidie zou worden verleend, terwijl zulks naar nu blijkt, wel rechtmatig is. Zoals reeds vermeld in de brief van 12 maart 1999 van de Staatssecretaris van Financiën en ondergetekende (zie hiervoor) is er, nadat bekend was dat de Europese Commissie nadere vragen zou stellen, voortdurend overleg geweest met de brancheorganisaties. Toen de Europese Commissie op 20 januari 1999 de Nederlandse regering in kennis stelde van haar besluit tot vaststelling van een voorlopige beschikking en de regering gelastte de nodige informatie te verschaffen, is de pomphouders per brief gevraagd de benodigde informatie te verstrekken. In deze brief zijn de pomphouders ervoor gewaarschuwd dat niet tijdige beantwoording van de vragen van de Europese Commissie ertoe zouden kunnen leiden dat de Europese Commissie de reeds toegekende subsidiebedragen als onwettig zou aanmerken.

Deel: ' Antwoord kamervragen subsidie Nederlandse pomphouders '




Lees ook