expostbus51


MINISTERIE FIN

https://www.minfin.nl

MIN FIN:UITKERING VAN LEVENSVERZEKERINGEN

PERSBERICHTNR. 99/057 Den Haag 12 maart 1999

ANTWOORDEN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCI.N OP VRAGEN VAN HET LID

VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL DE VRIES OVER UITKERING VAN

LEVENSVERZEKERINGEN

VRAGEN:


1.

Kent u het artikel van mr. H.M. Kappelle, getiteld 'Verschuldigdheid en feitelijke incasso; voortschrijdend inzicht bij Financiën'?

2.

Is het waar dat uw besluit van 19 maart 1997 (nr. VB97/568) ervan uitgaat dat de vraag, of er terzake van een verzekeringsuitkering iets is onttrokken aan het vermogen van de overledene, afhankelijk is van wie de verzekeringspremie jegens de verzekeraar verschuldigd was, waarbij de vraag door wie de feitelijke betaling geschiedt in dit verband niet van belang is?

3.

Deelt u de opvatting dat de premie voor een levensverzekering is verschuldigd door de verzekeringsnemer dan wel degene die als premieplichtige is aangetekend op de polis?

4.

Heeft de Belastingdienst in een aantal voorkomende gevallen het standpunt ingenomen dat het bij de feitelijke incasso voor de verzekeringsnemers respectievelijk premieplichtigen duidelijk zal moeten zijn welke premie voor rekening van welke personen komt, waarbij een kwitantie of automatische incasso voor het gehele premiebedrag, of voor andere bedragen dan die welke zijn vastgesteld voor de premiesplitsing ex artikel 13 Sw niet voldoet?

5.

Zo ja, hoe verhoudt zich dit standpunt tot het hiervoor genoemde besluit, met name met de paragrafen 2.2 en 2.3 en met de in het besluit genoemde vaste jurisprudentie HR 17 februari 1954, BNB
1954/140 (premieschenkingsarrest)?

6.

Bent u bereid expliciet te verklaren dat de wijze waarop de premie feitelijk wordt geïncasseerd totaal niet relevant is voor de toepassing van artikel 13 Sw aangezien het enige criterium is en blijft de verschuldigdheid van de premie?

7.

Zo neen, waarom niet?

8.

Zo ja, is het dan waar dat de uitkering ten gevolge van overlijden van de verzekerde kan worden getoucheerd zonder dat hierover successierecht is verschuldigd in de situatie van een verzekering, waarbij de echtgenoot van de verzekerde is aangetekend als verzekeringsnemer voor het gedeelte van de verzekering dat voorziet in de uitkering ten gevolge van het overlijden van de verzekerde en de verzekerde optreedt als verzekeringsnemer voor het resterende gedeelte van de verzekering, en de premie voor de totale verzekering feitelijk wordt betaald door de verzekerde?

ANTWOORDEN:


1.

Ja.

2.

Ja. In het besluit van 19 maart 1997 is aangegeven dat de vraag of er voor een overlijdensuitkering iets is onttrokken aan het vermogen van de overledene moet worden beantwoord aan de hand van een aantal factoren. De verschuldigdheid van de premie jegens de verzekeraar vormt daarbij een belangrijke factor. Een tweede belangrijke factor is het huwelijksgoederenregime waaronder de overledene gehuwd was of in geval van samenwoning het samenlevingscontract. Wie de premie feitelijk betaalt, is voor de heffing van successierecht inderdaad niet van belang.

3.

Ja.

4.

Ja. Ter toelichting moge het volgende dienen.
Door premiesplitsing ontstaat een driepartijenovereenkomst tussen de verzekeraar en twee personen die premie verschuldigd zijn (verzekeringnemer of premieplichtige genoemd).
In een tweetal brieven heb ik in antwoord op vragen inzake premiesplitsing aangegeven dat de personen die in de polis of een daarbij behorend clausuleblad worden aangewezen als verzekeringnemer of premieplichtige (hierna gezamenlijk aangeduid als de premieplichtigen) door de verzekeraar ook daadwerkelijk als zodanig dienen te worden behandeld. Ik heb daarbij opgemerkt dat dit betekent dat de premiebedragen die gelden op grond van de premiesplitsing ook daadwerkelijk aan de personen die deze verschuldigd zijn in rekening moeten worden gebracht. Zo zal een uitnodiging tot betaling voor de juiste bedragen tot beide premieplichtigen gericht moeten zijn. Ik acht het onjuist dat een verzekeraar zich in geval van premiesplitsing voor de incasso van de twee premiegedeelten tot slechts één premieplichtige richt voor het totaalbedrag. De verzekeraar miskent daarmee een belangrijke consequentie van de premiesplitsing, namelijk dat door die premiesplitsing een tweede premieplichtige tot de overeenkomst is toegetreden. Ook wanneer een verzekeraar andere bedragen dan die zijn overeengekomen ingevolge de premiesplitsing in rekening brengt aan de premieplichtigen wordt op onjuiste wijze uitvoering gegeven aan de verzekeringsovereenkomst. Ik heb daarom in de brieven aangegeven dat bij de feitelijke incasso door de verzekeraar voor de premieplichtigen duidelijk moet zijn welke premie voor rekening van welke persoon komt.

5.

Het ingenomen standpunt is in overeenstemming met het gestelde in het besluit en het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 1954, BNB
1954/140. Het standpunt maakt naar mijn oordeel geen inbreuk op het in de paragrafen 2.2 en 2.3 geformuleerde uitgangspunt dat voor de toepassing van artikel 13 Successiewet 1956 de verschuldigdheid, en niet de betaling, een essentieel element is. Ik heb in mijn brieven slechts aangegeven dat de verzekeraar op een reële wijze uitvoering moet geven aan de verzekeringsovereenkomst en dat dit inhoudt dat deze zich voor de inning van de premies moet richten tot beide premieplichtigen voor de overeengekomen bedragen, en niet tot slechts één van die premieplichtigen voor het gehele bedrag, omdat daarmee de positie van de tweede premieplichtige wordt miskend. Het kan niet zo zijn dat de verzekeraar, de verzekeringnemer en de tweede premieplichtige met het oog op matiging van het successierecht een premiesplitsing overeenkomen, maar de verzekeraar zich vervolgens feitelijk gedraagt alsof die premiesplitsing niet bestaat. Op welke wijze en door wie vervolgens de premie betaald wordt, blijft op grond van het besluit en van jurisprudentie ter keuze aan de premieplichtigen.
Het standpunt dat mr. H.M. Kapelle in zijn onder vraag 1 genoemde artikel inneemt, te weten dat het ministerie zijn standpunt 180. heeft gedraaid, acht ik onjuist. Dat er geen sprake is van een beleidswijziging moge ook blijken uit het feit dat in de brieven waarin het onderwerpelijke standpunt is ingenomen steeds de volgende slotpassage was opgenomen: 'Van welke rekening de verzekeringnemer(s) resp. premieplichtigen vervolgens de premie betalen doet voor de heffing van successierecht niet ter zake. Wel kunnen hierbij schenkingsaspecten een rol spelen.' Helaas werd deze slotpassage in tegenstelling tot andere passages uit mijn brieven in het bovengenoemde artikel niet aangehaald.

6., 7. en 8.
Nee. Uit de beantwoording van de vragen 4 en 5 blijkt dat ik van oordeel ben dat de verzekeraar zich bij de inning van de premies die door de verschillende premieplichtigen verschuldigd zijn, moet handelen in overeenstemming met de in de verzekeringsovereenkomst opgenomen premiesplitsing.

Woordvoerder: C. van den Berg
Telefoonnummer: 070- 342 8231


12 mrt 99 16:33

Deel: ' Antwoord kamervragen uitkering van levensverzekeringen '




Lees ook