Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Overzicht van de correspondentie met het parlement Actueel

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
DL. 19993836
datum
13-09-1999

onderwerp
Verbod op gewasbeschermingsmiddelen
(TRC 1999/2331) doorkiesnummer

bijlagen

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u, mede namens de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken de antwoorden toekomen op de vragen van de leden Atsma en Eisses-Timmerman (CDA), Schutte (GPV) en Poppe (SP) over een verbod op gewasbeschermingsmiddelen.

up

datum
13-09-1999

kenmerk
DL. 19993836

bijlage

Antwoorden op vragen van Atsma/Eisses-Timmerman (CDA)

1
Ja. Van een groot aantal gewasbeschermingsmiddelen zal de toelating op korte termijn komen te vervallen. Dit vloeit voort uit een afspraak in de Bestuursovereenkomst MJP-G uit 1993, waarin invulling is gegeven aan de sanering van milieukritische toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen. In 1993 is reeds een uitzonderingspositie gecreëerd voor deze gewasbeschermingsmiddelen. Ik wijs u erop dat de besluitvorming van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) rechtstreeks voortvloeit uit de regelgeving zoals deze destijds door de voor het gewasbeschermingsbeleid verantwoordelijke bewindspersonen is vastgesteld op grond van eerdergenoemde bestuursovereenkomst en het daarover gevoerde overleg met de Tweede Kamer.
De economische gevolgen van een verbod op een gewasbeschermingsmiddel zijn afhankelijk van de mate waarin alternatieve chemische en niet-chemische gewasbeschermingsmaatregelen beschikbaar zijn en toegepast worden. De economische gevolgen van het wegvallen van de middelen zijn in algemene zin dan ook niet aan te geven.

2
Het beperken van toegelaten middelen betekent dat in genoemde teelten, voorzover dat nog niet gebeurt, met voortvarendheid gezocht dient te worden naar doeltreffende chemische en niet-chemische alternatieven die wel voldoen aan de wettelijke milieucriteria. Overigens merk ik op dat uit de resultaten van voorloperbedrijven, proefstations en biologische bedrijven blijkt dat nog niet alle mogelijkheden zijn benut om het gebruik van milieukritische middelen te voorkomen. Niettemin blijkt uit de signalen van het bedrijfsleven en individuele telers dat de gevolgen van de CTB-besluiten groot kunnen zijn voor de continuïteit van bepaalde bedrijven en er sprake kan zijn van een aantal onmisbare middelen. Dit is voor de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en ondergetekende aanleiding geweest om de Commissie beoordeling onmisbaarheid chemische gewasbeschermingsmiddelen onder leiding van de heer dr. L. Ginjaar in te stellen om de problematiek van onmisbare toepassingen in kaart te brengen.

3
Op korte termijn zullen naar verwachting in enkele gevallen geen alternatieven beschikbaar zijn voor chemische toepassingen die komen te vervallen. Bestaande alternatieve chemische middelen zullen bij de reguliere herbeoordeling, die afhankelijk van de expiratiedatum gefaseerd in de tijd zal plaatsvinden, aan de milieucriteria in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (BMB) moeten voldoen. Nieuwe chemische middelen, die voldoen aan de wettelijke milieucriteria, zullen op korte termijn niet altijd oude middelen kunnen vervangen.
Alhoewel er op dit moment een omvangrijke beoordeling van bestaande werkzame stoffen plaatsvindt in Brussel blijft de concrete toelating van gewasbeschermingsmiddelen ook in de toekomst een nationale verantwoordelijkheid. Ook in een geharmoniseerd stelsel zullen er verschillen zijn in de toelatingen tussen de verschillende lidstaten in verband met uiteenlopende landbouwkundige, fytosanitaire en ecologische omstandigheden. Juist vanwege de waterrijke omstandigheden en het hoge gebruik van chemische middelen per oppervlakte-eenheid heeft Nederland in 1995 vooruitlopend op de Europese beoordeling wettelijke milieucriteria voor het toelatingsbeleid vastgelegd om de milieubelasting van het gebruik van chemische middelen terug te dringen. Deze noodzaak is thans nog steeds aanwezig. Derhalve ben ik van mening dat Nederland goede gronden heeft om wat betreft de milieubeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen voorop te lopen in de EU.
Overigens vinden behalve in Nederland in een aantal andere lidstaten (Duitsland en Engeland) op dit moment versnelde herbeoordelingen van bestaande gewasbeschermingsmiddelen aan de Europese normen en criteria plaats. De drie noordelijke lidstaten hebben enkele jaren geleden reeds een saneringsoperatie van milieukritische toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen doorgevoerd.

4
Mogelijke gevolgen van het verbod voor de voedselveiligheid zijn moeilijk in te schatten.
Er zou een verschuiving naar het gebruik van voor de betreffende gewassen niet toegelaten toepassingen kunnen plaatshebben, waardoor toegestane maximale residugehalten zouden kunnen worden overschreden. Hiertegen kan worden opgetreden door een effectieve controle van de Algemene Inspectiedienst en de Inspectie Waren en Veterinaire Zaken.

5
In de discussienota "Verkenning van een beleid voor gewasbescherming na 2000" constateer ik dat bij uitvoering van het huidige gewasbeschermingsbeleid een aantal milieuproblemen blijft bestaan en dat er nog geen sprake is van duurzame bedrijfssystemen die minder afhankelijk zijn van de toepassing van chemische middelen. Dit maakt naar mijn mening aanvullend beleid noodzakelijk na het jaar 2000 wanneer de Bestuursovereenkomst MJP-G afloopt.
Ik ben bereid met de Kamer in overleg te treden over de gevolgen van de voorgenomen intrekkingen van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Ik wil hierbij het advies van de Commissie Ginjaar mede in beschouwing nemen. Deze commissie zal haar advies naar verwachting medio september aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en ondergetekende aanbieden.

Antwoorden op vragen van Schutte (GPV)

1
Ja.

2
De besluitvorming van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) om een groot aantal toegelaten toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen per 1 januari 2000 te laten vervallen, vloeit voort uit een afspraak in de Bestuursovereenkomst MJP-G uit 1993 en is sinds 1995 met instemming van de Tweede Kamer wettelijk verankerd in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen. Deze afspraak betreft een reeds in 1993 ingezette uitzonderingsregeling voor de sanering van milieukritische toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen, waarbij deze toepassingen uiterlijk 1 januari 2000 dienen te voldoen aan de milieucriteria van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen. Het CTB neemt met het oog op de wettelijk vastgelegde termijn volgens planning besluiten over de toelaatbaarheid van deze middelen. Blijkens signalen uit het bedrijfsleven is men er gedurende de overgangsperiode niet voor alle toepassingen in geslaagd om alternatieven te ontwikkelen die voldoen aan de wettelijke criteria en kunnen mogelijk in een aantal situaties knelpunten ontstaan. Dit is voor de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en ondergetekende aanleiding geweest de Commissie Ginjaar in te stellen om de problematiek van onmisbare toepassingen in kaart te brengen.

3
De resultaten van voorloperbedrijven, proefstations en biologische bedrijven maken mij duidelijk dat nog niet alle mogelijkheden zijn benut om het gebruik van milieukritische middelen te voorkomen. Het beleid is niet primair gericht op het behoud van teelten onder alle omstandigheden, maar op het realiseren van schone en veilige productiewijzen.

4
Heeft het CTB eenmaal een besluit tot intrekking van individuele toelatingen genomen, dan is er binnen de geldende kaders geen mogelijkheid om op dit besluit terug te komen. Zoals hierboven reeds is opgemerkt geeft het CTB uitvoering aan het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen. Het huidige besluit alsmede het wettelijk kader van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 biedt geen ruimte om op een reeds genomen besluit terug te komen. Wel zou mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Ginjaar een nieuwe voorziening voor de toekomst kunnen worden getroffen. Op basis van een nieuwe voorziening zouden reeds vervallen toepassingen opnieuw kunnen worden toegelaten.

5
Naar aanleiding van het advies van de Commissie Ginjaar, dat naar verwachting medio september zal verschijnen, zal ik in overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer besluiten over eventuele maatregelen.

Antwoorden op vragen van Poppe (SP)

1 en 3
Ja.
De besluitvorming van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) om een groot aantal toegelaten toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen per 1 januari 2000 te laten vervallen vloeit, voort uit een afspraak in de Bestuursovereenkomst MJP-G uit 1993. Het betrof een uitzonderingsregeling voor de sanering van milieukritische toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen, waarbij deze middelen uiterlijk 1 januari 2000 dienen te voldoen aan de milieucriteria van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen.
In de discussienota "Verkenning van een beleid voor gewasbescherming na 2000" constateer ik dat bij uitvoering van het huidige gewasbeschermingsbeleid een aantal milieuproblemen blijft bestaan en dat er nog geen sprake is van duurzame bedrijfssystemen die minder afhankelijk zijn van de toepassing van chemische middelen. Dit maakt naar mijn mening aanvullend beleid noodzakelijk na het jaar 2000 wanneer de Bestuursovereenkomst MJP-G afloopt. In de rapportage "Gespreksronde gewasbescherming na 2000" wordt deze conclusie breed onderschreven. Het nieuwe gewasbeschermingsbeleid zal de komende maanden in samenspraak met het bedrijfsleven en betrokken maatschappelijke organisaties vorm gegeven worden. Ik streef ernaar mijn voornemens over het nieuwe gewasbeschermingsbeleid in het eerste kwartaal van volgend jaar aan de Tweede Kamer aan te bieden.

2
De besluitvorming van het CTB vloeit rechtstreeks voort uit het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen. De rapportage "Gespreksronde gewasbescherming na 2000" wordt gebruikt bij het vormgeven van het gewasbeschermingsbeleid na het jaar 2000. Deze rapportage speelt derhalve geen rol bij de huidige besluitvorming door het CTB.

De staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij,

G.H. Faber


Deel: ' Antwoord kamervragen verbod op gewasbeschermingsmiddelen '




Lees ook