Ministerie van Financien

Titel: Beantwoording Kamervragen voortgangsrapportage Kenniscentrum PPS



DIRECTIE FINANCIERINGEN

Aan:

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal

Plein 2

2511 CR Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

Fin/99-186m

16 juni 1999

Onderwerp

Beantwoording Kamervragen

Hierbij bied ik u aan de antwoorden op de door u gestelde vragen bij de voortgangsrapportage van het Kenniscentrum PPS d.d. april 1999. Om de beantwoording van de vragen in lijn te laten lopen met de voortgangsrapportage is gekozen voor de volgende clustering van de vragen:

* Vervolgtraject Kamer (1)

* Relatie andere overheden (2 en 46)

* Toepassing vergelijkingsinstrumentarium (3 en 38)
* Rijksprojecten, concessieaanpak wegen (17, 20, 23 en 55)
* Outputgericht werken (8)

* Instrumentarium voor value capturing (9,11,12 en 13)
* Inzet financiële instrumenten (10, 15, 21, 22 en 24)
* PPS en publieke zeggenschap (16, 18, 19, 25, 26, 27, 28,29,30,32,33 en 34)

* Europese regelgeving aanbesteding (31)

* MIT (35)

* Status projecten (36)

* Betaalstroken (37 en 56)

* Betuweroute (4 en 40)

* HSL (39)

* Nieuwe Sleutelprojecten (41, 42 en 43)

* Project Mainport Rotterdam (44 en 45)

* Selectie projecten (5, 6, 7, 14, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 57en 58)

DE MINISTER VAN FINANCIEN ,

Vervolgtraject Kamer: Vraag 1

Hoe stelt de regering zich het overleg met de Kamer voor over projecten waar Publiek Private Samenwerking (PPS) wordt toegepast? Blijft er nut en noodzaak voor regelmatig samenvattend overleg met de minister van Financiën of verdient het de voorkeur dit overleg steeds te laten plaatsvinden tussen de voor het project verantwoordelijke bewindspersoon en de desbetreffende Kamercommissie?

Antwoord

Voor het beleid inzake PPS in brede zin zullen met enige regelmaat voortgangsrapportages voor de Kamer opgesteld worden. In deze rapportages wordt verslag gedaan van de voortgang die geboekt wordt met betrekking tot de verbreding van de PPS-praktijk in Nederland en de stand van zaken bij de ontwikkeling van het PPS-beleid. Daarbij wordt zeer summier ingegaan op ontwikkelingen op projectniveau. Het overleg met de Kamer over ontwikkelingen op projectniveau kan het beste plaatsvinden met de voor het project verantwoordelijke bewindspersoon.

Relatie andere overheden: Vraag 2 en vraag 46

Vraag 2

Wat bepaalt de mate waarin het Kenniscentrum wordt ingezet bij regionale PPS-projecten?

Vraag 46

In het rapport staat dat op termijn het Kenniscentrum een vraagbaak voor andere overheden wil vormen. Welke gevolgen heeft dat voor de positie van het ministerie van Financiën?

Antwoord

Betrokkenheid van het Kenniscentrum bij concrete projecten loopt in eerste instantie altijd via het verantwoordelijke vakdepartement. Daar ligt de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het tot stand komen van een project. Ook bij lokale projecten loopt de inzet via het vakdepartement. Om ook ervaring op te doen met lokale projecten zijn in overleg met de vakdepartementen een beperkt aantal lokale projecten geselecteerd. Het Kenniscentrum heeft daarbij vooral een adviserende en coördinerende rol.

Om de pps-praktijk in Nederland verder te verbreden wil het Kenniscentrum vanaf 2000 ook een vraagbaak zijn voor andere overheden. De kennis en ervaring opgedaan bij lopende pps-projecten kunnen zinvol zijn voor andere departementen en andere overheden. Dit heeft geen consequenties voor de positie van het Ministerie van Financiën.

Toepassing vergelijkingsinstrumentarium: Vraag 3 en vraag 38

Vraag 3

Hoe worden de opbrengsten van PPS bepaald, wanneer worden ze bepaald en wat wordt er mee gedaan?

Vraag 38

Hoe groot moet de meerwaarde van PPS zijn boven de traditionele aanbestedingsvarianten berekend met de Public Sector Comparator?

Antwoord

De opbrengsten maar ook de kosten worden in beeld gebracht met behulp van het ontwikkelde vergelijkingsinstrumentarium, de publiek private comparator (PPC) en de public sector comparator (PSC). De PPC wordt gebruikt op het moment dat gekozen moet worden uit de verschillende aanbestedingsvarianten (traditioneel, innovatief of via een pps-model). Bij de keuze voor één van de aanbestedingsvarianten moet overigens niet alleen gekeken worden naar opbrengsten en kosten, maar ook naar beleidsmatige consequenties van de keuze. Hoe meer beleidsmatige ruimte de overheid denkt nodig te hebben des te meer zal de overheid ook bij de uitvoering betrokken moeten zijn. In meer traditionele aanbestedingsvarianten is dit beter mogelijk.

De PSC wordt gebruikt op het einde van de aanbesteding om de aanbiedingen van de verschillende consortia te kunnen vergelijken en om zeker te stellen dat meerwaarde wordt gecreëerd. Is deze meerwaarde aangetoond dan zal de overheid kiezen voor de pps-variant. De gerealiseerde meerwaarde ten opzichte van de traditionele aanbestedingsvarianten kan het betreffende departement inzetten voor andere projecten.

Rijksprojecten, concessieaanpak wegen: vraag 17, vraag 20, vraag 23 en vraag 55

Vraag 17

Kan er inzicht worden gegeven over een indeling en/of een inventarisatie van de over te dragen risicos? Is er al meer inzicht in de verhouding tussen het overdragen van het risicos en de te maken transactiekosten?

Antwoord

Startpunt is dat tot een verantwoorde risico-verdeling wordt gekomen, waarbij de partij die een risico het beste beheerst het risico draagt, mits deze partij ook feitelijk in staat is het risico tegen een redelijke vergoeding over te nemen. Dit principe zal in de praktijk tot verschillende risico-verdelingen bij verschillende projecten kunnen leiden. Over het algemeen zullen door innovatieve vormen van aanbesteding meer risicos worden overgedragen aan marktpartijen dan bij traditionele aanbestedingen het geval is.

Vraag 20

Welke projecten lenen zich voor concessie, innovatief en traditioneel aanbestedingsmodel? Kan de regering hier voorbeelden van geven?

Antwoord

Bij de rijksprojecten gaat het om een keuze uit verschillende aanbestedingsvarianten. Bij elk project of soort project moet opnieuw de afweging worden gemaakt tussen over te dragen risicos en de benodigde of vereiste beleidsruimte. Op basis van de buitenlandse ervaringen lijken er goede mogelijkheden voor concessies te zijn bij transport- en vervoersprojecten zoals wegen, light rail en rail/treinen. Dit sluit niet uit dat ook andere soorten projecten in de toekomst in aanmerking zouden kunnen komen voor concessie-verlening. In het Verenigd Koninkrijk is bijvoorbeeld ervaring opgedaan met rekencentra, vliegtuigsimulatoren voor de luchtmacht en bouw en beheer van scholen.

Vraag 23

In welke gevallen wordt een beschikbaarheidsvergoeding en een gebruiksvergoeding toegepast? Welk verschil zit hier tussen als beide bij het concessie model passen?

Antwoord

Het verschil tussen een beschikbaarheidsvergoeding en een gebruiksvergoeding is dat de concessiehouder in het eerste geval wordt afgerekend op het beschikbaar zijn van infrastructuur. Het moet mogelijk zijn de infrastructuur op basis van de afgesproken capaciteit te gebruiken. De concessiehouder wordt niet op basis van het werkelijke gebruik afgerekend. Bij een gebruiksvergoeding wordt de concessiehouder afgerekend op basis van het werkelijke gebruik (bijv. het werkelijke aantal autos dat over een weg rijdt). De keuze voor de vergoedingssystematiek is mede afhankelijk van de achterliggende vervoersdoelstellingen.

Vraag 55

Op welke wijze kan PPS meerwaarde en efficiencywinst opleveren ten opzichte van reguliere financiering via MIT en Infrastructuurfonds bij de op bladzijde 44 en 45 geselecteerde wegenprojecten? Op welke wijze is de private sector verzekerd van opbrengsten voortkomend uit de investering?

Antwoord

De keuze voor een aanbesteding van een pps-model zegt niets over uit welke bron de infrastructuur wordt bekostigd. Een pps-project kan via MIT en Infrastructuurfonds bekostigd worden of uit directe gebruikersheffingen (bijvoorbeeld tol). Een pps-benadering kan overigens wel invloed hebben op het betalingsritme van de overheid. Zo kan het effect van een concessiecontract voor een weg zijn dat de betalingen van de overheid over de loopduur van het contract worden uitgesmeerd.

Uiteraard is het bedoeling dat de optelsom van deze kosten, inclusief de financiële waardering van de overgedragen risicos, lager zijn dan die bij een traditionele aanbesteding. Deze lagere kosten (efficiencywinst) zijn het resultaat van enerzijds een integrale benadering van ontwerp, bouw en beheer en anderzijds een optimale en heldere risicoverdeling, die mede wordt gerealiseerd doordat de private partijen de financiering (en niet de bekostiging) voor hun rekening nemen.

In een pps-contract kan worden vastgelegd dat als de private partijen voldoen aan de prestatieafspraken zij voor de loopduur een maandelijkse of een jaarlijkse vergoeding krijgen, dan wel dat zij het recht krijgen een gebruikersheffing (bijvoorbeeld tol) op te leggen.

Outputgericht werken: Vraag 8

Zijn er andere manieren dan door PPS om te komen tot outputgericht werken, Zo ja, welke?

Antwoord

Binnen de rijksoverheid wordt op verschillende terreinen al jaren gestreefd naar een meer outputgerichte werkwijze. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan het stimuleren van het gebruik van prestatiegegevens (o.a. in de begroting), het uitvoeren van interdepartementale bedrijfsvoeringsonderzoeken en het oprichten van agentschappen (zie hoofdstuk 4 van de Miljoenennota 1999).

Instrumentarium voor value capturing: Vraag 9, vraag 11, vraag 12, vraag 13.

Vraag 9

Wat zijn de voornemens van de regering met betrekking tot het ontwikkelen van het instrument van de baatbelasting?

Antwoord

Het instrument van de baatbelasting bestaat reeds. Op basis van de Gemeentewet kunnen gemeenten met dit instrument kosten verhalen op burgers die profiteren van de voorzieningen van openbaar nut. Momenteel heeft de regering geen plannen om dit instrument aan te passen of uit te breiden.

Vraag 11

Is het beleidsinstrumentarium van de overheid voldoende adequaat toegerust om de voordelen van waardetoename c.q. value capturing te kunnen benutten? Wat als de voordelen van waardetoename toevallen aan andere overheden dan het rijk of aan eigenaren die niet participeren in het project?

Vraag 12

Is het grondbeleidsinstrumentarium voldoende toegerust om de samenwerking tussen de publieke en private sector te intensiveren? Kan de regering ingaan op de mogelijkheden van kostenverhaal?

Antwoord

De voortgangsrapportage noemt een aantal mogelijkheden om de voordelen van waardetoename c.q. value capturing te kunnen benutten (vrijwilligheid, juridische instrumenten, anticiperend aankopen). Deze mogelijkheden bieden niet in alle gevallen uitkomst. Voor de rijksoverheid geldt dat, indien niet op basis van vrijwilligheid met een partij tot overeenstemming wordt gekomen, de overheid geen instrumenten heeft om medewerking af te dwingen. Het hebben van een (strategische) grondpositie kan hierbij van groot belang zijn. Binnen het ministerie van Financiën wordt momenteel gewerkt aan het opzetten van het project activabeheer. Doel van dit project is om, in samenwerking met betrokken departementen, de mogelijkheden van actief grondbeleid door de rijksoverheid, waaronder anticiperend aankopen, in beeld te brengen.

Voor de gemeentelijke overheden bestaat de mogelijkheid van kostenverhaal uit het instrument baatbelasting, en de mogelijkheid om exploitatie-overeenkomsten te sluiten met grondexploitanten.

Vraag 13

Kan de regering een toelichting geven op welke wijze de risicos en onzekerheden met betrekking tot value capturing, in het bijzonder het anticiperend aankoopbeleid, zich verhouden tot de financiering en slagingskans van PPS-projecten?

Antwoord

Het anticiperend aankoopbeleid (actieve grondpolitiek), is in het algemeen met meer financiële risicos omgeven, maar kan voor de overheid ook navenant hogere opbrengsten genereren. Door toepassing van het anticiperend aankoopbeleid verschaft de rijksoverheid zichzelf een strategische grondpositie, waardoor er meer feitelijke grip ontstaat op de realisatie van projecten en (dus) beleidsintenties. De mogelijkheid om de slagingskans van PPS-projecten te beïnvloeden met het voeren van een actieve grondpolitiek zal van geval tot geval verschillen. Welk instrument in een project kan worden toegepast moet per geval worden beoordeeld.

Inzet financiële instrumenten: Vraag 10, vraag 15, vraag 21, vraag 22, vraag 24

Vraag 10

Wanneer ontvangt de Kamer het regeringsstandpunt inzake de motie Bos/Leers (26 263 nr. 7), inzake de inzet van regionale participatie en/of ontwikkelingsmaatschappijen en PPS-projecten op het gebied van infrastructuur of binnenstedelijke vernieuwing?

Antwoord

In antwoord op de motie Bos/Leers het volgende. Het uitgangspunt bij PPS is het streven naar meerwaarde. Een goede taak- en risicoverdeling staat daarbij voorop. Bij elk project is het van belang een goede inventarisatie te maken van de taken en de risicos en te zoeken naar de beste verdeling van deze risicos. Mede op basis van deze exercitie zal uiteindelijk besloten moeten worden wat de meest geschikte samenwerkingsvorm voor de uitvoering is. De keuze van de samenwerkingsvorm vloeit normaliter voort uit de analyse naar een efficiënte taak- en risicoverdeling. Dit is afhankelijk van de mate waarin de taken en risicos te verdelen zijn en de door de overheid gewenste beleidsruimte. Eén aspect van de samenwerkingsvorm betreft de vraag of en op welke wijze het Rijk financieel bijdraagt aan een project. Pas wanneer het rijk bij bedoelde projecten helder uitvoerbare doelstellingen heeft geformuleerd en het meest gewenste samenwerkingsmodel (risicoverdeling en rijkspositionering) helder voor ogen staat, kan bezien worden of de publiek-private samenwerking het beste op de leest van een participatie of ontwikkelingsmaatschappij kan worden vormgegeven, dan wel dat een andere financieringsaanpak meer voor de hand ligt. Hierbij geldt dat bij financiering via een participatie- of ontwikkelingsmaatschappij een verdeling van taken en risicos tussen publiek en privaat minder duidelijk is door te voeren.

Vraag 15

Op welke wijze kan de overheid een deel van de ingezette middelen terug krijgen bij hoger dan verwacht rendement van het bedrijfsleven?

Antwoord

Een internationaal veel gebruikte manier om ingezette middelen terug te krijgen is door te werken met een clawback-constructie. Bij een clawback wordt met betrokken partijen de afspraak gemaakt dat de overheid meedeelt in hoger dan verwachte rendementen. Belangrijk bij de vormgeving van de clawback is het bepalen van de parameter waarop het terugbetalingsmechanisme van toepassing is. Het Kenniscentrum voert een onderzoek uit naar de mogelijkheden van het toepassen van clawbacks in pps-constructies.

Vraag 21

Welke aspecten zullen in de notitie over het gebruik van financiële instrumenten aan de orde komen? Kan de regering in deze notitie een overzicht geven van voorwaarden waaraan een project moet voldoen, voordat één van de specifieke financiële instrumenten ingezet kan worden? Zal deze notitie ook projecten behandelen, waarbij de overheid geen financiële instrumenten inzet, maar de financiering volledig privaat is, bijvoorbeeld de A4 Delfland?

Vraag 22

In welke situatie acht de regering het wenselijk dat de overheid aandeelhouder wordt in een

(deel-)project? In hoeverre wordt een hoger verwacht rendement voor de aandeelhouders door of het verstrekken van een lening door de overheid tegen gunstiger voorwaarden of het verstrekken van subsidie door de overheid verwerkt in de uiteindelijke financieringsconstructie? Is de regering van mening dat het gebruik van deze genoemde financiële instrumenten in overeenstemming is met het doel van de overheid om value capturing te realiseren?

Vraag 24

Ziet de regering mogelijke strijdigheid tussen sommige van de door de regering genoemde financiële instrumenten en het Europese Staatssteunbeleid?

Antwoord

Het uitgangspunt bij het inzetten van de financiële instrumenten is dat de overheid kiest voor een meer zakelijke opstelling. De overheid wil niet langer een tekort afdekken maar ook meedelen in mogelijke meeropbrengsten van een project. Het op efficiënte wijze inzetten van de instrumenten is in overeenstemming met het idee van value capturing; waarbij de overheid probeert, door zoveel mogelijk aan een project gerelateerde baten in een project te betrekken, de overheidsbijdrage te minimaliseren. De notitie over het gebruik van financiële instrumenten gaat dieper in op de toepassing van de financiële instrumenten en geeft richtlijnen en overwegingen bij het gebruik van de financiële instrumenten rekening houdend met de gewenste risicoverdeling binnen een pps-project. De rijksbegrotingssystematiek (normering) en het Europese Staatssteunbeleid gelden daarbij als randvoorwaarden. In deze notitie komen geen concrete projecten aan de orde maar worden richtlijnen uitgewerkt voor de inzet van het brede spectrum aan instrumenten (van subsidie tot aandelen).

PPS en publieke zeggenschap: Vraag 16, vraag 18, vraag 19, vraag 25, vraag 26, vraag 27, vraag 28, vraag 29, vraag 30, vraag 32, vraag 33 en vraag 34

Vraag 16

Hoe verhoudt outputgericht-werken zich met politieke zeggenschap bij veel projecten als het gaat om plan- en besluitvorming op Rijksniveau?

Vraag 18

Kan de regering een toelichting geven op de ministeriële verantwoordelijkheid bij het isoleren van onderdelen van een PPS-project in beleidsgevoelige onderdelen en niet-beleidsgevoelige onderdelen? Zijn voor dit onderdeel criteria bepaald?

Vraag 19

Kan value capturing leiden tot minder ruimte voor de publieke en politieke zeggenschap bij de besluitvorming?

Vraag 25

Op welke wijze wordt de wenselijkheid van een mogelijke private betrokkenheid in de plan- c.q. beleidsvorming in een vroeg stadium beoordeeld?

Vraag 26

Vindt de regering ook het feit dat bij sommige projecten de baten nadrukkelijk toerekenbaar bij private partijen terecht komen, een reden om deze private partijen in een vroeg stadium bij planvorming en financiering te betrekken?

Vraag 27

Is ministeriële verantwoordelijkheid en behoud van rechten van het parlement bij alle PPS-projecten waar te maken? Hoe is dat waar te maken? Behoort invloed hebben op de uitkomst van de planvorming niet altijd tot het democratisch gehalte van de besluitvorming?

Vraag 28

Kan de regering een toelichting geven op de consequenties voor de regering en het parlement, indien vroegtijdig private partijen bij de planvorming worden betrokken?

Vraag 29

Wordt gekozen om PPS tot stand te laten komen voorafgaande aan de realisatie van een project of is het denkbaar dat achteraf voor PPS wordt gekozen?

Vraag 30

Hoe verhoudt het ruimte geven voor invloed door private partijen op de uitkomst van de planvorming zich tot de opvatting dat de formele bevoegdheid van het parlement een plan te wijzigen wordt beperkt?

Vraag 32

Op welke wijze wordt het risico voor de private partners, dat door de politieke besluitvorming na de eerste go/no go beslissing veroorzaakt kan worden, afgedekt voor die private partner in het samenwerkingsverband? Op welke wijze moeten de risicos van gewijzigde politieke besluiten, waardoor contracten tijdens de uitvoeringsfase niet meer worden uitgevoerd, in de afspraken met de private partijen worden opgenomen? Op welke wijze worden private partijen schadeloos gesteld?

Vraag 33

Wat is het verschil tussen consultatie en goedkeuring bijvoorbeeld bij het programma van eisen? Wat is de waarde van een inspanningsverplichting als het parlement de latere plannen afwijst? Zijn private partijen dan wel bereid er geld en energie in te stoppen?

Vraag 34

Hoe kunnen partijen in voorkomen gevallen uit elkaar gaan? Aan welke spelregels wordt gedacht?

Antwoord

Bovenstaande vragen concentreren zich op de gevolgen voor de zeggenschap van de regering en het parlement over een project indien private partijen vroegtijdig bij de planvorming worden betrokken en hoe de samenwerking uit oogpunt van het democratisch gehalte van de besluitvorming tot stand moet komen.

De besluitvormingsprocedures en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden die het Kabinet, het Parlement en inspraakgerechtigden daarin hebben, vormen uitgangspunten voor het aangaan van publiek-private samenwerking. In beginsel kan de overheid in een bepaalde fase van de publieke besluitvorming, geen overeenkomsten sluiten die het bereik van die fase overstijgen. Pps kan geïmplementeerd worden tijdens de planvormingsfase zonder de formele bevoegdheid van verantwoordelijke ministers en het Parlement om een plan te wijzigen te beperken. Uitoefening van deze bevoegdheid zal, afhankelijk van de voorwaarden waaronder de publiek-private samenwerking is aangegaan, wel tot kosten kunnen leiden. Er zijn echter ook kosten verbonden aan het wijzigen van een plan als er niet publiek-privaat wordt samengewerkt. Bij pps worden de kosten van planwijziging meer zichtbaar.

Bij veel projecten zal de publiek private samenwerking zich toespitsen op de realisatie en exploitatie. Private partijen worden integraal verantwoordelijk voor ontwerp, realisatie, instandhouding en financiering van een (infra)project. De plan- en besluitvorming op rijksniveau wordt dan op de normale wijze doorlopen. Ook in de huidige besluitvorming laten de Regering en het Parlement zich immers niet in met de (technische) details van de uitvoering van projecten nadat bijvoorbeeld een Tracébesluit is genomen. Pps nadat een project is gerealiseerd lijkt minder kansrijk, de grondslag waarop nog efficiëntiewinst en/of meerwaarde gerealiseerd kan worden, beperkt zich dan alleen nog tot onderhoud en eventueel exploitatie. Mogelijkheden om ontwerp, aanleg, onderhoud en eventueel beheer/exploitatie beter op elkaar af te stemmen ontbreken dan.

Wanneer er wel vroegtijdig publiek-privaat wordt samengewerkt in de planvorming, dan zal hieraan een bewuste keuze van de regering ten grondslag moeten liggen. Pps in de planvorming kan immers alleen succesvol zijn wanneer Regering en Parlement de private sector in staat stellen om een nader af te bakenen deel van de planvorming naar eigen inzichten in te vullen en deze willens en wetens geboden ruimte bij het verloop van de verdere plan- en besluitvorming zoveel mogelijk respecteren. Of pps in de planvorming wenselijk is en welke risicos daaraan verbonden zijn moet expliciet afgewogen worden op basis van:
* te stellen randvoorwaarden uit oogpunt van de ministeriële verantwoordelijkheid;

* de mate van onzekerheid over de uitkomst van de publieke besluitvorming:

* de mogelijkheden om al in de planvorming efficiëntiewinst c.q. meerwaarde te creëren.

Vanuit de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van een project moet bezien worden of het project of onderdelen daarvan zich lenen voor publiek-private planvorming en uitvoering. De criteria hiervoor moeten ontleend worden aan de aard van de ministeriële verantwoordelijkheid. Algemeen toepasbare criteria zijn er niet. De noodzakelijke invloed uit oogpunt van de ministeriële verantwoordelijkheid is een randvoorwaarde aan pps.

Wanneer onderdelen en de beleidsmatige context van een project onderwerp zijn van politieke discussie c.q. besluitvorming met onzekere uitkomsten zal het project of delen daarvan zich minder lenen voor pps. Het rijk kan in dergelijke situaties geen duidelijke doelstellingen formuleren voor de pps en ook slecht voorzien in zekerheden die de private sector zal verlangen.

Een reden voor pps in de planvorming is dat meerwaarde kan worden gecreëerd door publieke en private plannen te combineren en op elkaar af te stemmen. Value capturing zal, bij het ontbreken van dwingend wettelijk instrumentarium, langs deze weg moeten worden nagestreefd. Private partijen zullen immers alleen bereid zijn om financieel bij te dragen als de investeringsplannen van het rijk gecombineerd worden met de private investeringsplannen en zij in zekere mate invloed krijgen op de integrale planvorming. Een andere reden is dat risicos (bijvoorbeeld aanleg- en exploitatierisicos) die het rijk wil overdragen aan private partijen, in belangrijke mate kunnen worden beïnvloed door beslissingen die al tijdens de planvorming worden genomen. Om de overdracht van deze risicos te effectueren, zullen private partijen invloed uit moeten kunnen oefenen op deze besluiten. Een laatste argument, dat sterk samenhangt met het vorige en de wens om een soort van profijtbeginsel bij de financiering van overheidsinvesteringen toe te passen, is dat de overheid het plan niet wil realiseren zonder een substantiële bijdrage van de private sector. Deze financiële bijdrage van de private sector zal groter kunnen zijn naarmate hij meer invloed krijgt op de planvorming.

Wanneer de regering, al dan niet in samenspraak met het parlement, op basis van de hiervoor geschetste randvoorwaarden, risicos en kansen kiest voor pps in de planvorming, zal bezien moeten worden hoe er ruimte voor gewenste private inbreng gerealiseerd kan worden. Daarvoor is het van belang dat het Kabinet en het Parlement hun invloed op het project outputgericht vormgeven. In een programma van eisen worden de door het rijk gewenste resultaten en randvoorwaarden waarbinnen deze resultaten gerealiseerd moeten worden aangegeven. Op welke wijze het gewenste resultaat binnen de gestelde randvoorwaarden wordt bereikt, wordt bepaald door de gekozen samenwerkingsvorm (rolverdeling tussen publiek en privaat) en de speelruimte voor private partijen.

Wanneer de samenwerking met een private partner is aangegaan, kunnen er afhankelijk van de gemaakte afspraken, kosten (onkosten- en/of schadevergoeding) ontstaan wanneer de Regering en/of het Parlement gebruik maken van de bevoegdheid om het plan in een later stadium alsnog te wijzigen. Om de kans hierop zo klein mogelijk te maken, is het van belang dat de regering en het parlement zich committeren aan het programma van eisen (inspanningsverplichting). Hiertoe zal de politieke discussie over de uitvoering van een project in een eerder stadium in de procedure worden gevoerd. Deze discussie kan zich derhalve minder op de details van de uitvoeringswijze van een project richten. Aan het Parlement wordt gevraagd om al in een vroegtijdig stadium aan te geven welke eisen het stelt aan een op dat moment nog niet concreet uitgewerkt plan en om de op basis van deze eisen afgebakende speelruimte voor de publiek-private samenwerking te respecteren. Met het programma van eisen wordt dus al in een vroeg stadium een globale, maar belangrijke beleidsbepalende beslissing genomen over de uitvoeringswijze van een project. Het is ook van belang dat maatschappelijke belangengroepen actief bij de totstandkoming van het programma van eisen worden betrokken.

Naarmate de uitkomsten van de politiek besluitvorming onzekerder zijn en een directe bedreiging vormen voor de door de regering gewenste publiek-private samenwerking, zal de regering het parlement kunnen vragen om het programma van eisen expliciet goed te keuren en zich bij de verdere beoordeling van de plannen op dat programma van eisen te baseren.

Private partijen zullen alleen bereid zijn om publiek-privaat samen te werken als de regering een inspanningsverplichting aangaat om het publiek-private plan in de politieke besluitvorming te verdedigen en zij op adequate wijze gecompenseerd worden in het geval dat de politieke besluitvorming leidt tot stopzetting of wijziging van de samenwerking. Op welke wijze de (financiële) aansprakelijkheid van het Rijk wordt geregeld, is onderwerp van nader onderzoek. Daarbij moet gedacht worden aan het opnemen van exitregelingen, een mogelijke beloning voor verricht onderzoek en geleverde diensten, afspraken over de eigendom van ingebrachte ideeën etc.

Europese regelgeving aanbesteding: Vraag 31

Kan de regering inzicht geven in de stand van zaken betreffende de Europese regelgeving over aanbestedingen en participatie van bedrijven in een vroeg stadium van het proces?

Antwoord

In april jl. heeft de Europese Commissie een concept-uitlegdocument voorgelegd aan de Lid-Staten. Hierin wordt een uitleg gegeven van de toepasselijke richtlijnen bij aanbesteding van concessies en andere vormen van publiek-private samenwerking. Vanuit Economische Zaken is een reactie op dit document voorbereid. De kern van de reactie komt erop neer dat het uitlegdocument zich concentreert op de uitvoering van werken, terwijl juist in de Nederlandse situatie duidelijkheid gewenst is over deelname van private partijen aan een eerdere fase van het proces. Nederland heeft aangegeven hierover met de Commissie van gedachten te willen wisselen.

MIT: Vraag 35

Welke ruimte is er in de toekomst om het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIT) te wijzigen?

Antwoord

Met het MIT 1999-2003 is het geplande infastructuurprogramma tot en met 2010 zichtbaar gemaakt. Hierover zijn met de regios eind 1998 ook concrete afspraken gemaakt. In de Tweede Kamer zijn deze afspraken vervolgens bekrachtigd. Onvoorziene omstandigheden daargelaten, resteert derhalve geen ruimte het programma te wijzigen en wordt er op voorhand van uitgegaan dat dit programma wordt uitgevoerd.

Status Projecten: Vraag 36.

Hebben de projecten in hoofdstuk 4 (PPS in uitvoering) een andere status dan de projecten in hoofdstuk 5 (doorlichting investeringsagenda)?

Antwoord

De projecten in hoofdstuk 4 zijn lopende pps-projecten waarbij het Kenniscentrum al langer betrokken is. Voor deze projecten is een pps-proces opgezet en zijn afspraken gemaakt over de inzet van het Kenniscentrum. De projecten in hoofdstuk 5 zijn geselecteerd uit de investeringsagenda van het Kabinet met als doel te komen tot een gecontroleerde verbreding van de pps-praktijk in Nederland. De komende maanden wordt voor deze projecten met de vakdepartementen een werkprogramma en een pps-proces opgezet.

Betaalstroken: Vraag 37 en vraag 56

Vraag 37

Is er gedacht aan de mogelijkheid van betaalstroken als potentiële efficiënte oplossing en in hoeverre is daar al rekening mee gehouden ?

Vraag 56

Passen betaalstroken in de korte- en lange-termijn-projecten?

Antwoord

Het kabinet beziet wat de voor- en nadelen van betaalstroken zijn in termen van kosten en baten, de verkeerskundige en juridische aspecten en de techniek bij betaling en handhaving. Daarbij wordt verkend wat er komt kijken bij private betrokkenheid bij de aanleg en exploitatie van betaalstroken. Ook wordt er een experiment voorbereid in de Rotterdamse regio met als doel te bekijken hoe een betaalstrook in de praktijk functioneert. Op basis van de huidige inzichten worden momenteel beleidsmatige consequenties getrokken. Naar verwachting zal de Kamer daarover deze zomer worden geïnformeerd.

HSL: Vraag 39

Wanneer valt de beslissing over de aanbieding van de bovenbouw HSL-Zuid?

Antwoord

Momenteel loopt een fase van informatie-uitwisseling met de vier geprekwalificeerde consortia, in voorbereiding op de uitgifte van de biedingsdocumenten in oktober 1999. Rond de jaarwisseling komen dan de biedingen binnen, waarna een selectie- en onderhandelingsfase volgt. Definitieve sluiting van een contract is voorzien in de herfst van 2000.

Betuweroute: Vraag 4 en vraag 40

Vraag 4

Wordt private betrokkenheid onderzocht voor de bovenbouw van de infrastructuur van de Betuwelijn? Zo ja, biedt de eerder uitgezette tijdsplanning en de reeds genomen aanvang van de werkzaamheden hiertoe nog mogelijkheden? Wordt PPS tevens onderzocht voor de Noordtak?

Vraag 40

Wanneer komt het voorstel tot eventueel het Design, Build, Finance & Maintenance (DBFM)-contract van de bovenbouw van de Betuwelijn?

Antwoord

Voor de Betuweroute wordt, conform de aanpak bij de HSL-Zuid, onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor aanbesteding van een pps-contract, bijvoorbeeld een DBFM-contract, voor de aanleg van de bovenbouw van de infrastructuur. In tegenstelling tot de HSL-Zuid bestaat de Betuweroute voor een belangrijk deel uit de bestaande infrastructuur (Havenspoorlijn, tracédelen Barendrecht, Kijfhoek en Zevenaar), waarvan de bovenbouw in samenhang met de onderbouw wordt aanbesteed. Onderzocht wordt of beschikbaarheidrisicos voor deze tracédelen op een efficiënte wijze aan een Infraprovider kunnen worden overgedragen. Dit onderzoek voor een Infraprovider voor de Betuweroute is eind 1998 opgestart. Binnenkort worden via een marktconsultatiedocument private partijen gevraagd welke mogelijkheden zij zien voor betrokkenheid bij realisatie, beheer en exploitatie van de Betuweroute. Komend najaar worden hiervan de resultaten verwacht voorafgaand aan de Standpuntbepaling over de Noordoostelijke Verbinding is een onderzoek naar PPS-mogelijkheden nog niet opgestart.

NSP: Vraag 41, vraag 42 en vraag 43.

Vraag 41

Wat zijn de ervaringen met het bepalen van de optimale samenwerkingsvorm en de gemaakte afspraken en afsluiten van contracten betreffende de samenwerkingsvorm?

Vraag 42

Kan de regering de rol van de rijkscoördinator toelichten? Welke zijn de bevoegdheden van de rijkscoördinator en voert de rijkscoördinator namens het Kenniscentrum en dus de minister van Financiën de onderhandelingen of namens het vakdepartement?

Vraag 43

Wie is eindverantwoordelijk voor de samenwerking tussen de verschillende departementen die betrokken zijn bij een project? Wat is de rol en de verantwoordelijkheid van het kenniscentrum ten opzichte van de verschillende departementen?

Antwoord

De ervaringen met het bepalen van de optimale samenwerkingsvorm bij combinatieprojecten is op rijksniveau nog zeer beperkt. Mede op basis van ervaringen bij andere overheden met dit soort projecten gaat het Kenniscentrum verder met het ontwikkelen van het proces voor de keuze van de juiste samenwerkingsvorm bij combinatieprojecten. Om te komen tot een gecoördineerde rijksinbreng bij de Nieuwe Sleutel Projecten (NSPs) is er voor gekozen om per project een rijksvertegenwoordiger aan te stellen. Voor het project UCP is dit tevens de rijksonderhandelaar. De rijksvertegenwoordiger vertegenwoordigt het Rijk in een NSP-project en draagt zorg voor interne afstemming tussen de departementen. Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu is het coördinerende departement voor de NSPs; andere belangrijke betrokken departementen zijn Verkeer en Waterstaat en in mindere mate Binnenlandse Zaken en Economische Zaken. Het Kenniscentrum adviseert over het op te zetten proces van PPS, de inzet van financiële instrumenten en het te kiezen samenwerkingsmodel De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de NSPs ligt bij de Staatssecretaris van VROM.

PMR: Vraag 44 en vraag 45.

Vraag 44

In de schets van een mogelijke procesaanmaak voor Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR) baseert de regering zich op het advies Samen Aan Boord. In dat advies wordt op bladzijde 35 en 36 een vijftal vraagpunten geformuleerd over mogelijke spanning tussen PPS en de EU aanbestedingsrichtlijnen. Is de regering van mening dat deze vraagpunten op dit moment inderdaad nadere duidelijkheid behoeven, niet slechts voor PMR maar voor PPS in het algemeen? Hoe is de regering van plan deze nadere duidelijkheid te verschaffen?

Vraag 45

Op welke wijze moet de aanpak van de lopende PKB + procedure gewijzigd worden?

Antwoord

In Nederland is, waar het grote en complexe infrastructuurprojecten betreft, nog weinig of geen ervaring opgebouwd met PPS. De regering is van mening dat het onderzoek naar de mogelijke spanning tussen de EU aanbestedingsrichtlijnen en PPS bij het opbouwen van kennis en ervaring van groot belang is. Zij onderschrijft dan ook het belang van het verkrijgen van nadere duidelijkheid omtrent de in het rapport Samen aan boord geformuleerde vraagpunten. Vanwege het specifieke karakter van de bij PMR voorgestane pps-aanpak wordt hiertoe in een vroegtijdig stadium overlegd met vertegenwoordigers van de Europese Commissie. Bovendien wordt nadere duidelijkheid omtrent de verhouding tussen de EU aanbestedingsrichtlijnen en PPS gegeven door de Commissie via het uitbrengen van het concept-uitlegdocument.

Door in het combinatiemodel te kiezen voor de PKB + procedure is de positie van de regering als ruimtelijke ordeningsautoriteit gewaarborgd en daarmee ook de democratische legitimering van de besluitvorming omtrent PMR. Door reeds in de planfase, en daarmee derhalve vóór de totstandkoming van PKB 1, samen te werken met de private sector en parallel daaraan maatschappelijke inspraak te realiseren, verandert formeel niets aan de PKB procedure, waarmee een inhoudelijke wijziging niet aan de orde is. Materieel verandert er het nodige. Het parlement wordt eerder betrokken bij de strategische besluitvorming door zich uit te spreken over het Publiek Programma van Eisen. Dit geschiedt nog voor de totstandkoming van PKB 1. Daarna is het de bedoeling dat de markt de bedoelde strategische keuze invult binnen de randvoorwaarden van het Publieke Programma van Eisen. Overheid en (dan winnend) consortium gaan vervolgens samen het PKB 1 schrijven.

Selectie projecten: Vraag 5, vraag 6, vraag 7, vraag 14, vraag 47, vraag 48, vraag 49, vraag 50, vraag 50, vraag 51, vraag 52, vraag 53, vraag 54, vraag 57 en vraag 58

Vraag 5

Waarom is de selectie van kansrijke ondergrondse projecten beperkt gebleven tot OLS Schiphol? Zijn de andere voorbeeldprojecten uit ondergronds bouwen (bijvoorbeeld pipe-lines) niet meer in de race voor PPS?

Antwoord

Naar de mogelijkheden een Ondergronds Logistiek Systeem bij Schiphol aan te leggen loopt al langere tijd onderzoek, onder meer naar de mogelijkheden tot financiering. Pps-voorstellen daartoe kunnen najaar 1999 worden verwacht. Voorts loopt op verzoek van de Kamer (motie van Heemst 1996) onderzoek naar de mogelijkheden voor een beleid op het gebied van ondergronds transport en buisleidingen. In het kader hiervan wordt onderzocht welke mogelijkheden bestaan voor een bredere toepassing van ondergrondse logistieke systemen (OLS) alsmede welke mogelijkheden er zijn voor stimulering van het traditioneel transport per buisleiding. In concreto zijn voor OLS-en haalbaarheidsstudies uitgevoerd voor de steden Utrecht en Leiden en voor de regio Knooppunt Arnhem-Nijmegen en Zuid-Limburg. Voor traditioneel buisleidingvervoer gaat het om completering van het propyleennetwerk, het ethyleennetwek en een mogelijk CO2 netwerk. De tussenresultaten worden in een, binnenkort te verschijnen, voortgangsrapport gepubliceerd. Het eerste beeld is dat deze voorzieningen niet zonder overheidsbijdrage tot stand kunnen komen. Wellicht dat naarmate de planvorming verder voortschrijdt dit tot pps-voorstellen zal leiden.

Vraag 6

Op welke wijze kan PPS de efficiency en meerwaarde van de Noord-Zuidlijn in Amsterdam vergroten? Wat betekent PPS voor de beoordeling en tijdsplanning van de thans lopende subsidieaanvraag van de gemeente Amsterdam?

Antwoord

Amsterdam heeft aangegeven vormen van PPS nader te willen ontwikkelen. Het gaat hierbij om pps-vormen voor de ontwikkelingen rondom stations. Daarnaast wil Amsterdam uitdrukkelijk onderzoeken wat pps-mogelijkheden zijn voor de afbouw van stations, de aanleg van baanvakken en het beheer en exploitatie van de Noord-Zuidlijn. Zolang deze onderzoeken nog niet zijn uitgevoerd kan de mate waarin PPS de efficiency en meerwaarde van de Noord-Zuidlijn voor de regio vergroot nog niet aangegeven worden. Het onderzoek naar PPS door Amsterdam houdt de beoordeling en tijdsplanning van de thans lopende subsidieaanvraag niet op. Richting Amsterdam is aangegeven dat de baten van PPS voor Amsterdam zijn en mede gebruikt dienen te worden voor afdekking van risicos.

Vraag 7

Waar ligt de grens tussen korte en lange termijn projecten?

Vraag 50

Welke tijdspanne hebben de korte-termijn-projecten en welke de lange-termijn-projecten?

Het onderscheid tussen de projecten van het korte termijnprogramma en de projecten met perspectief heeft betrekking op de inschatting van de kansrijkheid van het realiseren van transacties binnen een redelijke tijdsspanne. De projecten uit de eerste categorie voldoen aan alle aangegeven criteria. Dat geldt (nog) niet voor de projecten uit de tweede categorie. Overigens moet worden benadrukt dat het projectenprogramma een dynamisch programma is; dit betekent dat in de komende periode projecten kunnen worden toegevoegd aan de eerste categorie en dat projecten af kunnen vallen omdat een pps toch niet realiseerbaar blijkt te zijn.

Vraag 14

Indien de rijksoverheid een doelstelling voor een PPS-project heeft geformuleerd en het bedrijfsleven heeft onvoldoende interesse in deelname aan dit project, zal dit project dan doorgang ondervinden?

Vraag 51

De tweede alinea van paragraaf 5.3.1. lijkt te suggereren dat beschikbaarheid van rijksmiddelen noodzakelijk is om een project tot pps-geschikt te verklaren? Is dat juist?

Waarom staat dan de A4 Midden Delfland in het lange termijnprogramma terwijl er geen rijksmiddelen voor beschikbaar zijn?

Vraag 52

Waarom is de beschikbaarheid van financiële publieke middelen een aandachtspunt bij de identificatie van projecten met PPS-potentieel? Wat is het standpunt ten aanzien van projecten die zonder publieke financiële middelen gerealiseerd kunnen worden? Erkent de regering het PPS-potentieel bij projecten zonder financiële publieke middelen en welke zijn de mogelijkheden om deze projecten op te nemen in het PPS-programma?

De kern van het onderscheid tussen het korte termijnprogramma en het lange termijnprogramma is dat de projecten uit de eerste categorie aan alle criteria voldoen, hetgeen betekent dat ook de financiële middelen beschikbaar zijn. Deze projecten zouden dus in beginsel ook zonder PPS-constructie in het voorgenomen tempo kunnen worden uitgevoerd. De reden dat beschikbaarheid van financiële middelen een belangrijk criterium is voor de projecten opgenomen in het korte termijnprogramma, is dat door deze beschikbaarheid de kans toeneemt dat binnen een redelijke tijdsspanne een transactie kan worden gerealiseerd. De meeste projecten zullen immers niet geheel privaat bekostigd kunnen worden. De projecten uit het lange termijnprogramma voldoen (nog) niet aan alle criteria.

Vraag 47

Wat is de precieze verhouding tussen de projecten die in de voortgangsrapportage op korte of langere termijn geschikt worden geacht voor PPS, en de status die deze projecten (voor zover aan infrastructuur gerelateerd) in het MIT hebben? Meer in het bijzonder gaat het dan om de volgende vragen:
Categorie 3A in het MIT is expliciet een categorie waarvoor het PPS-potentieel wordt onderzocht. Slechts de A4 Halsteren/Dinteloord/Bergen op Zoom staat in de PPS voortgangsrapportage genoemd bij het korte termijnprogramma; de overige 3 projecten (A2/Maastricht, A5/2e Coentunnel, A13/A16) hebben kennelijk slechts perspectief op langere termijn. Waarom dit verschil?
A59/Rosmalen, het MTC/Valburg, de N35 Zwolle/Almelo, de N11 Alphen/Bodegraven en de Sloelijn zijn in de besprekingen rond het MIT behandeld als resultaten van het Bestuurlijk Overleg met de regios. Zijn opgenomen in het korte termijnprogramma. Waarom is dit niet gebeurd voor de A15 Elst/A12 (toltunnel) en de lijn Axel-Zelzate die ook als resultaten van het Bestuurlijk overleg werden vermeld?
Betekent de opname van de A4 Midden Delfland en de 2e Coentunnel in het langere termijnprogramma dat er sprake is van bewezen nut en noodzaak?
Gaat het bij Randstadrail om de eerste of ook om de tweede fase? Waarom is uit het pakket Langman juist de N31 Leeuwarden Drachten gekozen?
Hoe zit het met de mogelijke Rijksbijdrage voor MTC Valburg aangezien dit project in het MIT opgenomen is als PM post?

Antwoorden

a) Onder categorie 3a bevinden zich projecten waarover met de regios afspraken zijn gemaakt om het pps-potentieel nader te bezien. Voor het Kenniscentrum is het voor het opbouwen van een track-record echter van belang dat op korte termijn concrete resultaten worden geboekt op projectniveau. Het feit dat voor de A4 Halsteren/Dinteloord/Bergen op Zoom in het MIT sprake kan zijn van het beschikbaar zijn van een rijksbijdrage van 120 miljoen, specifiek bestemd voor het oplossen van het knelpunt bij Halsteren, maakt dat daar voor de korte termijn de kans op het sluiten van een pps-contract het grootst is.

Verkeer en Waterstaat blijft ook aanspreekbaar voor de projecten die binnen categorie 3a vallen en die niet op de lijst staan.

b) Ook hier geldt dat vanwege het leereffect die projecten zijn geselecteerd waarvan verwacht wordt dat er op korte termijn concrete resultaten zichtbaar kunnen worden gemaakt. Gezien de stand van zaken rondom procedures en overleg met (de betrokkenen in de) regios, is een aantal projecten niet geselecteerd. Overigens is selectie ook noodzakelijk om het aantal te onderzoeken projecten beheersbaar te kunnen houden.

Voor wat betreft de Rijksweg 15 geldt dat het hier geen MIT-project betreft. In 1996 is immers het standpunt ingenomen dat niet gekozen wordt voor de doortrekking van de A15 maar is besloten prioriteit te geven aan de verbreding van de A12 (Waterberg-Velperbroek, Duiven-Ouddijk) en verbreding van de A50 (Ewijk-Grijsoord).

Voor wat betreft de lijn Axel-Zelzate geldt dat geen nut en noodzaak op de korte termijn is vastgesteld voor realisatie. In het MIT 1999-2003 is daarom ook vermeld dat het project wordt heroverwogen. Het is bekend dat de provincie Zeeland belang hecht aan de realisering ervan. Daarom is in het Bestuurlijk Overleg afgesproken dat de provincie de mogelijkheid onderzoekt om aanleg van de spoorlijn op kortere termijn mogelijk te maken met behulp van een pps-constructie.

c) Beide projecten hebben de verkenningenfase in het MIT doorlopen. Daarmee is erkend dat het bij beide projecten om een door het Rijk erkend probleem gaat. Overigens kunnen ook projecten waarvan het probleem nog niet erkend is deel uitmaken van de lijst van projecten met perspectief op langere termijn, zoals bijvoorbeeld de Spoorzone Delft.

d) De consultatiefase die nu voor het project Randstadrail is ingezet, heeft als uitgangspunt de realisatie van de eerste fase van Randstadrail, maar de marktpartijen worden uitdrukkelijk ook gevraagd hun visie te geven op de wijze waarop de verdere uitbouw van Randstadrail kan plaatsvinden en wat dat voor de ambities voor en na 2003 kan betekenen in verband met fysieke koppeling.

e) Ook hier gaat het om de snelheid waarmee concrete pps-resultaten kunnen worden geboden. Het project bevindt zich in de laatste fase van planstudie.

f) In het MIT staat MTC-Valburg als PM-post opgenomen omdat op dit moment nog niet duidelijk is in welke mate een Rijksbijdrage nodig zal zijn. Voorlopig is voor de jaren 2005-2007, mede op grond van het Bestuurlijk Overleg, maximaal f 100 miljoen gereserveerd voor de realisatie van het gehele MTC. Dit is exclusief de rijksbijdrage voor het containeruitwisselpunt, die in de begroting van de Betuweroute is opgenomen. Na 2010 is een bedrag van f 75 miljoen gereserveerd, indien de capaciteit van het havenbekken sterk moet worden vergroot.

Vraag 48.

Waarom zijn de volgende projecten niet in het korte of lange termijnprogramma opgenomen:
De tunnel bij Sluiskil (Kamerbrede motie bij MIT) De vertramming van de Zuidtangent (Floralijn) De zuiderzeespoorlijn
Het OSL-project in Limburg met DSM
Herstructurering Bedrijventerreinen (aanbeveling uit Meer Waarde Door Samen Werken)
TNLI/uitbreiding luchthaven
Transferia (bijvoorbeeld rondom Rotterdam).

Het betreft hier projecten die op dit moment niet voldoen aan één of meerdere van de vooraf gestelde criteria. Dit sluit niet uit dat er in de toekomst veranderingen kunnen plaatsvinden die één of meerdere van de genoemde projecten alsnog kansrijk maakt voor PPS, maar vooralsnog is daar geen sprake van. Het Kenniscentrum richt zich op projecten die op korte termijn relatief kansrijk zijn. Het bedrijventerrein de Rietvelden is wel opgenomen in het activiteitenprogramma van het Kenniscentrum.

Vraag 49.

Hoe verhouden de criteria voor de identificatie en beoordeling zich ten opzichte van het streven naar een spreiding van de projecten over verschillende sectoren? Betekent dit streven naar spreiding dat minder rendabele projecten toch zullen worden uitgevoerd?

Er was bij de selectie geen sprake van of voldoen aan de criteria óf streven naar spreiding. Bij de selectie golden twee uitgangspunten: zo goed mogelijk voldoen aan de gestelde criteria en streven naar een zo groot mogelijke spreiding. Dit betekent dat er geen concessies zijn gedaan voor wat betreft het te verwachten rendement om zo te komen tot een grotere spreiding. Spreiding over de sectoren transport-infrastructuur, stedelijke ontwikkeling, kennisinfrastructuur en groene infrastructuur is als aandachtspunt gehanteerd zodat in al deze sectoren ervaring met pps-processen kan worden opgedaan.

Vraag 53.

Kan de regering een toelichting geven voor ieder project afzonderlijk, waarom de projecten op lange termijn nog niet voldoen aan de gestelde criteria?

Alvorens projecten te selecteren is de vraag gesteld aan welke criteria een project moet voldoen wil er sprake zijn van PPS-potentie. Aldus zijn de criteria zoals vermeld op pagina 42 onder 5.2 van de voortgangsrapportage ontstaan. Vervolgens is gekeken of aan alle criteria is voldaan. Probleem bij de projecten op lange termijn is dat de gedachtenvorming over hoe het project er precies uit moet gaan zien, c.q. vorm te geven, nog niet is afgerond waardoor er geen eenduidig antwoord is te geven op de vraag of het project voldoet aan de criteria. Bovendien is er interactie tussen de criteria. Bijvoorbeeld: hoe helderder de doelstellingen, hoe meer concrete interesse van private partijen, hoe meer zicht op te realiseren meerwaarde, en andersom.

Vraag 54

Waarom zijn de diverse OCW-gerelateerde projecten, die genoemd zijn op bladzijde 46 en 47, niet toegevoegd aan het lange termijnprogramma?

Antwoord

Het betreft hier een aantal projecten die al als PPS zijn gerealiseerd, c.q. worden gerealiseerd (Biomade, Delfts cluster, Wetenschap, Technologie Centrum Watergraafsmeer, KLICT en Cokon ). Deze projecten zijn daarmee het korte termijn programma reeds voorbij. Wel zal naar deze projecten worden gekeken om lessen voor de toekomst de distilleren.

Het project Kennisnet voldoet (nog) niet aan de gestelde criteria, omdat over het aanbod van diensten en de ontwikkeling van de website nog gesproken wordt met de Tweede Kamer en omdat de Europese aanbestedingsprocedure daarvoor nog loopt. Over de communicatie-infrastructuur loopt de gunningsprocedure met Enertel.

Vraag 57

Bij de subparagraaf Projecten met perspectief wordt het project A4 Midden Delfland genoemd. Hoe denkt de regering over de condities die de Hollandse Werkgeversvereniging presenteert in haar plan voor financiering van het ontbrekende deel in de A4? Kan de regering afzonderlijk ingaan op de verschillende condities?

Antwoord

Ten behoeve van de studie die het NEI heeft verricht in opdracht van de Hollandse Werkgeversvereniging (HWV), is door de HWV een aantal uitgangspunten geformuleerd om te bezien of private financiering haalbaar lijkt. Er is in deze fase nog geen sprake van voorwaarden of condities. Wanneer in overleg met de Kamer wordt besloten tot uitwerking van een pps-constructie en het inslaan van een aanbestedingstraject, zal ook moeten worden bepaald welke condities voor wat betreft aanleg, inpassing en exploitatie gesteld zullen worden.

In deze context wordt verwezen naar de antwoorden op de door het kamerlid Leers gestelde kamervragen inzake de financiering van de aanleg van de A4 (d.d. 28 mei 1999, uw kenmerk 2989912280).

Vraag 58.

Welke van de geselecteerde projecten zijn het meest kansrijk? Kan een toelichting worden gegeven per project?

Het selectieproces heeft er voor gezorgd dat alle projecten die op de lijst staan kansrijk zijn. Aan de andere kant was het selectieproces niet zo gedetailleerd dat er in dit stadium uitspraken zijn te doen over de rangorde van kansrijkheid van projecten zonder andere projecten, en de daarbij betrokkenen, tekort te doen.

Deel: ' Antwoord Kamervragen voortgangsrapportage Kenniscentrum PPS '




Lees ook