Tweede Kamer der Staten Generaal

Antwoord Kamervragen over zakkenrollen door de politie brabant-zuid-oost
Gemaakt: 28-3-2000 tijd: 10:43


3

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 23 maart 2000

Onderwerp:

Kamervragen

Hierbij doe ik u de antwoorden toekomen op de schriftelijke vragen van het lid Oedayraj Singh Varma, kenmerk 2990006750, over het niet meer onderzoeken van zakkenrollen door de regionale politie Brabant-Zuid-Oost, ingezonden op 11 februari 2000.

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

R.H.L.M. van Boxtel


2990006750

Vragen het lid Oedayraj Singh Varma (GroenLinks) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het niet meer onderzoeken van zakkenrollen door de Eindhovense regionale politie. (Ingezonden 11 februari 2000)


1

Is de minister op de hoogte van het feit dat de regionale politie Zuid-Oost Brabant de strijd tegen zakkenrollers is gestaakt, zoals blijkt uit een artikel in het Eindhovens Dagblad van 8 februari 2000?


2

Kan de minister nagaan wat de in het artikel geconstateerde `hausse' aan zakkenrollerij precies behelst?


3

Is de minister van oordeel dat het opsporen van zakkenrollers tot de reguliere taken van de regionale politie behoort, dat in het kader van het Integrale Veiligheidsbeleid van uw ministerie ook prioriteit hoort te hebben?


4

Kan de minister aangeven hoe groot het acute tekort aan personeel in genoemde regio is, en waaraan dit acute tekort te wijten is? Heeft het regiokorps een personeelsprobleem of is het een prioriteringsprobleem?


5

Wat is het oordeel van de minister over de in het artikel gedane uitspraken?


6

Welke maatregelen kan de minister nemen om de veiligheidssituatie in Eindhoven te helpen bevorderen?

Antwoord


1 en 5.

De kop van het in het «Eindhovens Dagblad» van 8 februari jl. geplaatste artikel geeft een onjuiste weergave van de realiteit en de inspanningen van de regionale politie Brabant-Zuid-Oost ten aanzien van de bestrijding van zakkenrollen. De regionale politie Brabant-Zuid-Oost heeft met andere woorden de strijd tegen zakkenrollen niet gestaakt.

Het korps heeft na verschijning van het artikel richting het genoemde dagblad direct gereageerd op de onjuiste weergave van de werkelijkheid, dit heeft echter niet geleid tot een rectificatie. Ik betreur het dat de onvolledige en niet geheel juiste berichtgeving in de media mogelijk heeft bijgedragen aan een onjuiste beeldvorming over de aanpak van zakkenrollen door de politie.


2 en 4.

De korpschef van de regio Brabant-Zuid-Oost heeft mij laten weten dat naar aanleiding van aangiften op zaterdag 5 februari gebleken was dat zakkenrollers actief waren in de binnenstad van Eindhoven. Hierop is door de politie onmiddellijk gereageerd door twee politiemensen in burger de straat op te sturen, die vervolgens ook daadwerkelijk zakkenrollers op heterdaad betrapten en aangehouden hebben. Echter de benadeelde in die situatie was vanwege een communicatiestoornis niet beschikbaar voor aangifte op dat moment. Aangezien er zonder aangifte geen strafbaar feit bewezen kan worden is het «Eindhovens Dagblad» gevraagd in het artikel de benadeelde op te roepen tot het komen doen van aangifte. In vergelijking tot andere weekenden was er inderdaad sprake van een hausse aan feiten. Aangezien in het betreffende weekend op meerdere plaatsen zakkenrollers actief waren geweest is hierover door het korps contact geweest met een verslaggever van het «Eindhovens Dagblad». In dit contact is nader ingegaan op de moeilijke bewijsvoering en de organisatiegraad van een aantal zakkenrollers. Er is uitdrukkelijk niet aan de orde geweest dat de politie de strijd staakt. Wel is aan de orde geweest dat de gebruikelijke extra inspanningen van de regionale politie Brabant-Zuid-Oost, van de maand december weer terug gedraaid zijn naar het normale niveau. Het niet vervolgen van de dader heeft echter geen relatie met de politiecapaciteit in de regio Brabant-Zuid-Oost.


3 en 6.

De korpschef van de regio Brabant-Zuid-Oost heeft mij gemeld dat het korpsbeleid inzake zakkenrollen bestaat uit zowel een preventieve als een repressieve aanpak. Het korpsbeleid richt zich op een bijzondere aandacht voor winkel- en uitgaanscentra, een verhoogde zorg bij gelegenheid van piekmomenten (zoals koopavonden, evenementen, koopzondagen etc.) en op andere plaatsen en/of momenten een alerte reactie op meldingen terzake. Indien zakkenrollers gelokaliseerd worden dan neemt de politie direct actie om ze op heterdaad te betrappen. Tegen de daders wordt proces-verbaal opgemaakt. Daar waar mogelijk worden ze beboet of overgedragen aan de officier van Justitie. Ik merk hierbij op dat zakkenrollerij niet als apart onderwerp benoemd staat in het Integraal Veiligheids Programma (IVP). De prioriteit voor dit onderwerp wordt dan ook bepaald door de regionale driehoek in de regio Brabant-Zuid-Oost.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Antwoord Kamervragen zakkenrollen politie Brabant-Zuid-Oost '




Lees ook