Ministerie van Financien

Titel: Vragen inzake CPB-werkdocument

De Voorzitter van de Vaste Commissie

voor Financiën

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

2 december 1999/64-99-Fin

AFP 1999-02292 M

10 december 1999

Onderwerp

Vragen inzake CPB-werkdocument nr. 115 'Economische gevolgen van de Belastingherziening 2001'

Hierbij bieden wij u de antwoorden aan op uw vragen inzake het CPB-werkdocument nr. 115 Economische gevolgen van de Belastingherziening 2001.

De Staatssecretaris van Financiën

De Minister van Financiën
Vragen van de leden van de GroenLinks-fractie bij CPB werkdocument 115 Economische gevolgen van de belastingherziening 2001

Vragen aan het CPB

Vraag 1

Bij de vermogensrendementsheffing wordt een netto opbrengst van 0,45 miljard gepresenteerd. Moet dit niet 0,35 miljard zijn: 6 1,7 3,25 0,5 0,2? Is een presentatie van netto opbrengsten gebruikelijk? Wanneer gesproken wordt van een budgettair neutrale terugsluizing van vergroeningsopbrengsten is het dan beter om netto (rekening houden met derving bij andere belastingopbrengsten) of bruto resultaten sluitend te maken? (blz. 9)

Antwoord CPB

De netto opbrengst van de introductie van de forfaitaire rendementsheffing ad 0,45 mld is af te leiden uit tabel 1 van Werkdocument 115. Het is het saldo van de opbrengst van het forfaitair rendement op vermogensinkomsten ( 5,4 mld) enerzijds en anderzijds het afschaffen van de vermogensbelasting (1,7 mld ) en het schrappen van de inkomensheffing over rente en dividend ( 3,25 mld). Het verschil met de rekensom in de vraagstelling van GroenLinks wordt verklaard uit afronding bij de afzonderlijke componenten. Voor presentatie van de netto-opbrengst is gekozen om onder andere de bijdrage aan de budgettaire dekking van het gehele belastingplan en de per saldo mutatie in de druk op de vermogensinkomsten in beeld te brengen. De bruto-opbrengsten staan expliciet beschreven op de pagina's 9 en 10. Een passage over budgettair neutrale terugsluis van vergroeningsopbrengsten is noch op pagina 9 noch elders in WD 115 opgenomen.

Vraag 2

Hoeveel onzekerheidsmarge is er over de 1,5 miljard besparing bij de lijfrente-aftrek? Kan het CPB gedetailleerd aangeven hoe zij tot de besparing van 1,5 miljard op lijfrente is gekomen? Wordt hierbij rekening gehouden met gedragseffecten, bijvoorbeeld dat doordat pijler 2 ruimer wordt dan pijler 3 er meer (ook individuele!) ruimte in pijler 2 benut gaat worden? Wordt er rekening gehouden met het feit dat er bij beperking van pijler 3 meeropbrengsten ontstaan in box 3? Zo ja, om hoeveel gaat het en is dit in tabel 1 terug te vinden bij de 5,4 miljard opbrengsten uit VRH of verdisconteerd in de 1,5 mld besparing? (pag. 9)

In de nota naar aanleiding van het verslag meldt het kabinet dat het zeer moeilijk is om de effecten van de suggestie van de heer Don gedaan bij het SER advies namelijk om wel de 1,5 miljard besparing te halen in het oudedagdossier en tegelijkertijd de gedachte van de oudedagparaplu recht te doen (gelijke behandeling van pijler 2 en pijler 3) door een zeer lage forfaitaire rendementsheffing in te voeren, lastig is aan te geven. Kan het CPB wel nader ingaan op deze suggestie: korte en lange termijn effecten. Kan het CPB eveneens aangeven welke besparingsmogelijkheden er binnen de oudedagsparaplu zijn als een minder hoge maximum premiegrondslag wordt gehanteerd?

Kan het CPB tevens ingaan op de opmerkingen die door de heer Don zijn gedaan over het level playing field tussen verschillende oudedagsprodukten. Is het CPB van mening dat er met de verschillen tussen de pijlers verschillen tussen groepen werkenden zal ontstaan en is het cpb van mening dat er een verschuiving op zal treden van pijler 3 naar pijler 2? Kan hier behalve met kwalitatieve uitspraken ook in kwantitatieve zin iets over gezegd worden? (pag. 9)

Antwoord CPB

Het CPB zag geen argumenten om af te wijken van de door het kabinet gemaakte inschatting van de besparing op lijfrente-aftrek.

Voorzover de premies niet meer afgetrokken mogen worden kan men besluiten desondanks een lijfrente te kopen of voor een andere wijze van beleggen te kiezen. De toekomstige rendementen op deze beleggingen zullen onderhevig zijn aan de vermogensrendementsheffing. Anderzijds zullen de toekomstige uitkeringen op grond van deze beleggingen niet meer aan belasting onderhevig zijn. Deze toekomstige effecten op de totale belastingopbrengst, de ene positief de andere negatief, zullen aanvankelijk nog gering zijn en zijn daarom niet in de berekeningen verdisconteerd.

In zijn interventie in de SER bij het advies over de fiscale oudedagsparaplu noemde de heer Don twee alternatieven om de besparing van 1,5 mld te realiseren: ...het beperken van de spaarloonregeling of de besparingen via de pensioenfondsen onder een forfaitaire rendementsheffing brengen tegen een zeer laag tarief van niet 30% maar bijvoorbeeld 5%. Wat betreft dit laatste kan opgemerkt worden dat een dergelijke heffing leidt tot hogere pensioenpremies (zie bijv. CPB Werkdocument 100, p 12). Dit komt omdat de subsidie op pensioensparen effectief enigszins wordt verminderd. De mogelijkheden voor aftrek van pensioenpremies blijven ruim, zowel in de tweede als in de derde pijler, maar het voordeel van de aftrek wordt geringer.

In het belastingjaar 1998 bedraagt het maximum inkomen voor de 2e tranche van de lijfrenteaftrek ongeveer 300 000. Iemand met dit inkomen en geen pensioenregeling of FOR heeft een maximale ruimte voor premie aftrek van ongeveer 72 000 (inclusief de eerste tranche). Een beperking van het maximum inkomen tot 100 000 verlaagt de maximale ruimte tot ongeveer 22 000. Maar de feitelijke aftrek van belastingplichtigen met een belastbaar inkomen boven de 100 000 bedraagt naar schatting in 1999 gemiddeld 9 000. Dit is beduidend minder dan 22 000 en niet eens zo veel meer dan de huidige inkomensonafhankelijke aftrek in de eerste tranche. Daarom kunnen geen forse besparingen worden verwacht van alleen een beperking van de maximum premiegrondslag.

De opmerkingen van de heer Don hadden betrekking op het level playing field tussen verschillende spaarproducten binnen de derde pijler. Door de nu voorgestelde maatregel ontstaat een verschil in fiscale behandeling tussen de tweede en de derde pijler. De versobering voor de derde pijler maakt pensioenbesparingen in de tweede pijler relatief aantrekkelijker. Of dit daadwerkelijk zal leiden tot een hoger voorzieningenniveau in de tweede pijler hangt mede af van de uitwerking van het Convenant inzake de arbeidspensioenen.

Vraag 3

Waarom levert box 2 200 miljoen extra op ten opzichte van de Verkenning? (pag. 10)

Antwoord CPB

Box 2 levert 200 mln extra op vanwege de verhoging van het tarief van box 2 van 25% in de verkenning naar 30% in het regeerakkoord (zie CPB Werkdocument 105 pagina 43) en in het Belastingplan 2001 .

Vraag 4

Hoeveel onzekerheidsmarge bestaat er met de kosten die gemoeid zijn met de knip in de eerste schijf? De invoering van de knip is van recente datum, maar er bestaat toch goede kennis van de inkomensverdeling. Waarom is er dan toch een grote onzekerheidsmarge? (pag. 11)

Antwoord CPB

De huidige ramingen nemen de informatie over de inkomensverdeling 1994, zoals gerapporteerd door het CBS in het Inkomens Panel Onderzoek, als startpunt. Voor de jaren 1994-1999 wordt deze inkomensverdeling aangepast aan de hand van partiële informatie over de groei van het aantal belastingbetalers en hun positieve en negatieve inkomensposten. De onzekerheidsmarge hierbij is moeilijk aan te geven. Omdat de belastingherziening het tarief in het onderste deel van de eerste schijf verlaagt, het tarief in het bovenste deel van de eerste schijf (de nieuwe tweede schijf) nauwelijks verandert, maar het tarief in de hogere schijven weer wel verlaagt, is de relatieve omvang van het bovenste deel van de eerste schijf (de nieuwe tweede schijf) een belangrijk gegeven voor de berekening.

Vraag 5

In de nota naar aanleiding van het verslag stellen de bewindslieden dat het CPB concludeert net als de regering dat de stelselherziening zoals geschetst in het wetsvoorstel een budgettair beslag heeft van 5 miljard. Is deze zinsnede niet veel te stellig. De onzekerheidsmarge van de totale ex-ante lastenverlichting van 5 mld, ligt toch in de miljarden? Kan het CPB aangeven welke onzekerheidsmarge er is? Is er hetzelfde jaar een andere ex-post budgettair beslag? (pag. 11)

Antwoord CPB

De onzekerheidsmarge van de totale ex-ante lastenverlichting van 5 mld is vooral geconcentreerd rond de grondslag van de vermogensrendementsheffing en de verdeling van de grondslag van de oude eerste schijf over het nieuwe onderste deel en het bovenste deel. De bandbreedte van de rendementsheffing is in WD115 ingeschat als plus of min 1,5 mld (pag. 9/10).

Ex-post kan er in 2001 een ander budgettair beslag optreden dan ex-ante .Allereerst is er de onzekerheid over met name de twee eerdergenoemde maatregelen. Vervolgens zijn er de effecten van de actuele grondslag 2001 in plaats van de berekende grondslag 1999. Bij dit ex post beslag spelen de effecten van bijvoorbeeld de loonmatiging, maar ook andere macro-doorwerkingen, een prominente rol. Deze effecten zijn betrokken in de CPB-doorrekening van het regeerakkoord (Werkdocument 105). Tenslotte zijn gedragsreacties rond bijvoorbeeld de lijfrente-aftrek, het verhoogde aanmerkelijk belang (AB)-tarief en de (nieuwe) milieuheffingen voorstelbaar respectievelijk beoogd.

Vraag 6

Kan het CPB meer inzicht verschaffen in de koopkrachteffecten van de groep waarvan hoofd of de partner zelfstandige ondernemer is? (pag. 11)

Antwoord CPB

Het CPB heeft geen zicht op de koopkrachteffecten voor huishoudens waarvan hoofd of partner zelfstandig ondernemer is. Probleem bij deze groep is enerzijds de definitie van het inkomensbegrip, dat moeilijk is te vergelijken met het inkomensbegrip van werkenden in loondienst. Anderzijds is de statistische informatie over inkomens van zelfstandigen gebrekkig. Onderzoek naar de mogelijkheid om ook voor zelfstandigen koopkrachteffecten te berekenen staat op de onderzoeksagenda van het CPB, maar zal niet op korte termijn tot resultaten leiden.

Vraag 7

De grondslagverbreding en belasting op vermogensinkomsten ad 4,5 miljard zijn om data-technische redenen niet verwerkt. Heeft het CPB gekeken naar de niet-standaardeffecten (waarvan het gemiddelde effect
-1,25% bedraagt) zoals genoemd in voetnoot 5? Was de oorspronkelijke bedoeling dat het CPB vóór de kamerbehandeling de modellen en gegevensverzameling zodanig zou hebben georganiseerd dat dit wel mogelijk zou zijn? Wanneer is het CPB hier wel toe in staat? Hoeveel zicht heeft het CPB op dit moment op de vermogensverdeling in Nederland. Kan het CPB bijvoorbeeld aangegeven hoe de vermogens over verschillende vermogensbestanddelen verdeeld zijn bij de fiscale en bij de statistische gegevens (en over verschillende inkomensgroepen)? (pag. 12)

Antwoord CPB

Bij de koopkrachtberekeningen zijn de niet-standaardeffecten van grondslagverbreding en belasting op vermogensinkomsten buiten beschouwing gebleven. In tabel 2 omdat deze betrekking heeft op standaard huishoudens, voor wie deze posten niet relevant zijn. In tabel 3 en figuur 1 - 3 omdat in het micro databestand dat wordt gebruikt de informatie over deze posten gebrekkig dan wel afwezig is. Gepland onderzoek naar de mogelijkheid om het databestand aan te vullen met de benodigde informatie is wegens andere werkzaamheden opgeschoven naar 2000. Informatie over de verdeling van vermogen naar inkomensgroepen ontleent het CPB aan de Vermogensstatistiek van het CBS. Deze statistiek is met name gebaseerd op fiscale gegevens.

Vraag 8

Is de zinsnede in de nota naar aanleiding van het verslag dat door invoering van de vermogensrendementsheffing vermogenden in ieder geval meer gaan bijdragen aan de algemene middelen dan onder het huidige stelsel niet veel te stellig? Alsmede de zinsnede dat in het voorstel sprake is van een belangrijke verhoging van de druk op vermogen, de zinsnede de belastingdruk op vermogensinkomsten toeneemt, met verwijzing naar het CPB-werkdocument? Is het tevens juist dat doordat er geen zicht is op het huidige gebruik van constructies, de huidige verdeling van vermogensbestanddelen over verschillende inkomensgroepen, het mogelijk is dat er zelfs bij een (lichte) verhoging van de gemiddelde druk op vermogensinkomsten een daling van de lastendruk van vermogenden plaats kan vinden?

Antwoord CPB

Het CPB geeft in WD115 aan, dat de stelselherziening van de belasting op vermogen en vermogensinkomsten naar verwachting leidt tot 0,45 mld extra belastingopbrengsten. Het CPB ziet overigens een ruime onzekerheidsmarge: tussen minus 1 mld en plus 2 mld. Voor individuele huishoudens kunnen de effecten sterk uiteenlopen, vooral in relatie tot de hoogte en vorm (belastbaar of niet) van de huidige vermogens(inkomsten). Voor huishoudens die nu een groot deel van hun vermogensinkomsten belast zien tegen een hoog IB-tarief kan een daling van de druk op vermogens(inkomsten) optreden, ook wanneer de gemiddelde druk op vermogens(inkomsten) stijgt. Daarentegen stijgt de druk voor huishoudens die momenteel een groot deel van hun vermogensbestanddelen belegd hebben in activa die relatief weinig vermogensinkomsten genereren maar meer waarde stijgingen hebben.

Vraag 9

Kan het CPB een berekening geven van de gemiddelde opbrengst van de vermogensaanwinstbelasting zoals voorgesteld door GroenLinks (met dezelfde veronderstellingen over het relevante vermogen)? Kan hierbij eveneens de onzekerheidsmarge en de jaarlijkse fluctuatiemarges worden aangeven? (pag 9 en 10)

Antwoord CPB

Op dit moment kan het CPB zo een berekening niet geven. Een nadere analyse zou moeten uitwijzen of een indicatieve schatting gemaakt zou kunnen worden. Op voorhand is wel duidelijk dat de onzekerheidsmarges in zo een berekening groot zijn.

Vraag 10

Zoals uit voetnoot 6 blijkt is er een verschil van inzicht bij het Ministerie van Financiën en het CPB over de berekening van de effecten van de verhoging van de indirecte belastingen. Is de argumentatie van de het CPB geen vreemde, want ten eerste is de veronderstelde vrijheid niet volledig, maar ten tweede en belangrijker bij niet-standaard effecten (bijvoorbeeld aftrekposten) wordt toch ook naar de werkelijkheid gekeken en niet naar de mogelijke werkelijkheid. Ligt de keuze van het CPB dan niet aan het gebrek aan datagegevens, dan het gebruikte argument van de vrijheid? Zo niet, kan het CPB dan uitgebreid ingaan op de juiste methode van de berekening van de niet-standaardeffecten? (pag. 12)

Antwoord CPB

Koopkrachtberekeningen hebben als voornaamste doel om mutaties in inkomens te meten. Deze berekeningen worden met name uitgevoerd om maatregelen van inkomenspolitieke aard door te rekenen. Om inkomens in de tijd met elkaar te kunnen vergelijken, wordt de inkomensmutatie gedefleerd met de stijging van de consumentenprijzen (CPI). Bij de standaard koopkrachttabellen wordt per definitie geen rekening gehouden met niet-standaardeffecten. Bij tabel 3 en figuur 1 - 3 wordt wel rekening gehouden met een aantal niet-standaardeffecten aan de inkomenskant. Voor wat betreft de uitgavenkant wordt dat in beginsel niet gedaan. Reden is allereerst de in de voetnoot genoemde vrijheid van huishoudens om hun inkomen naar eigen inzicht te besteden. Ook praktische overwegingen spelen een rol. Verschillen in inkomensafhankelijke deflatoren zijn in het algemeen gering en een raming ervan vergt prijsramingen op gedetailleerd niveau. In voorkomende gevallen wordt op de regel een uitzondering gemaakt. Bijvoorbeeld bij de doorrekening van de invoering van een kleinverbruikersheffing (Werkdocument 64) en bij de verwerking van de afschaffing van de omroepbijdrage in de MEV 2000. In dat laatste geval is geen sprake van keuze en is het volume bovendien onafhankelijk van het inkomen.

Vraag 11

In voetnoot 5 worden de koopkrachteffecten van de niet-standaardeffecten van het Ministerie van Financiën weergegeven. Deze lopen uiteen van +1,8% en de B5,3% per groep. Heeft het CPB zicht op de koopkrachteffecten binnen de groepen? Is het mogelijk om juist bij de niet-standaard effecten de marges ten opzichte van het gemiddelde van een groep aan te geven? Kan het CPB aangeven of zij de presentatie van de niet-standaardeffecten zoals gedaan door Ministerie van Financiën een correcte weergave vindt? Is het CPB het met bijvoorbeeld de heer Caminada eens dat voor een politieke beoordeling standaardeffecten relevanter zijn dan niet-standaardeffecten waarvan de effecten per belastingplichtige sterk afhankelijk is van het individuele gebruik van de aftrekposten en/of de hoogte van het vermogen? Gaat het CPB in de toekomst ook met niet-standaardeffecten werken? Zo ja, vanaf wanneer. Zo nee, waarom niet? (pag. 12)

Antwoord CPB

Het CPB heeft niet de beschikking over de onderliggende micro data die het Ministerie van Financiën heeft gebruikt voor de berekening van de niet-standaardeffecten. Het CPB kan derhalve geen antwoord geven op de vraag naar de juistheid van het gepresenteerde gemiddelde effect noch op de vraag naar de marges per groep. Een globale blik op de cijfers geeft echter geen reden om de juistheid van de gemiddelde effecten in twijfel te trekken. Bij de presentatie van inkomenseffecten in tabellen moeten altijd keuzes worden gemaakt over indelingen. Dat geldt zowel voor het CPB als voor het Ministerie van Financiën. Gegeven dat zowel huishoudenstype als inkomenshoogte apart worden onderscheiden, ziet de presentatie van het Ministerie van Financiën er evenwichtig uit. Welke effecten (standaard of ook niet-standaard) voor een politieke beoordeling relevant zijn, is een zaak van de politiek zelf. Voor de economische doorwerking zijn beide van belang. In de presentatie van het Ministerie van Financiën worden beide weergegeven. Het CPB werkt al met een aantal niet-standaardeffecten. In het micro bestand dat is gebruikt voor tabel 3 en figuur 1 - 3 wordt onder andere rekening gehouden met de (fiscale) inkomenseffecten die samenhangen met het eigen huis. Er wordt naar gestreefd om een aantal andere, kwantitatief belangrijke, niet-standaardposten in de nabije toekomst ook in het model op te nemen. Deze betreffen onder andere het spaarloon en inkomen uit vermogen. Deze uitbreidingen vormen een nuttige aanvulling op de bestaande berekeningen.

Vraag 12

Heeft het CPB zicht op de macro-lastendruk op vermogen? Is er een internationaal geldende definitie, is er een nationaal algemeen geaccepteerde definitie? Zo ja, welke en welke vermogensbestanddelen vallen hieronder? Is het correct om bij de belastingdruk op particulier vermogen de overdrachtsbelasting en onroerende zaakbelasting mee te nemen? Als het kabinet stelt dat de druk opvermogen met 10% toeneemt. Betekent dat dan dat de huidige druk ongeveer 4,5 miljard bedraagt (bijvoorbeeld vermogensbelasting + vermogensinkomstenbelasting)? (pag. 10)

Antwoord CPB

Er is op dit moment geen nationaal of internationaal geaccepteerde definitie van de macro-lastendruk op vermogen. De meest voor de hand liggende beschrijving voor Nederland is in het nieuwe belastingstelsel de opbrengst van de vermogensrendementsheffing gedeeld door het particuliere vermogen exclusief het in de eigen woning belegde vermogen. Op dit particuliere vermogen rust in het huidige stelsel 4,95 mld aan vermogensbelasting plus inkomstenbelasting voor rente en dividend. Op dit vermogen neemt de druk in de centrale berekening met 0,45 mld toe. Dit is 9%.

Vraag 13

Bij tabellen 2 en 3 is het inzicht in de koopkrachteffecten voor bovenmodaal zeer beperkt. Kan het CPB werken met tabellen (dus niet plottergrafieken) waarbij er onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende groepen bovenmodaal in beeld komen? (pag 12 en 13)

Is het correct om te veronderstellen dat de figuren 1 t/m 3 die een oplopend positief inkomenseffect laten zien vanaf ongeveer 70.000,- blijven stijgen tot ongeveer 18 % koopkrachtstijging? Zo nee, waar houdt volgens het CPB de stijging ongeveer op?

Kan het CPB ook voor verschillende inkomensgroepen (bijvoorbeeld 50.000,- , 100.000,-, 200.000,- en 300.000,- bruto) van de verschillende huishoudtypen de gemiddelde stijging in guldens geven?

Begrijpen we het document goed als we ervan uitgaan dat in de tabellen en grafieken geen rekening wordt gehouden met de grondslagverbreding in box 1 (voornamelijk aftrekposten), maar dat wel rekening wordt gehouden met de indirecte effecten van de tariefsverlaging op de waarde van de aftrekposten? Zo ja, waarom kan het CPB wel rekening houden met deze indirecte effecten en niet met de directe effecten van de verminderde aftrekmogelijkheden? (pag 12 t/m 15)

Antwoord CPB

De keuze om bepaalde (inkomens)categorieën wel of niet in een tabel op te nemen wordt mede bepaald door het aantal huishoudens dat in deze categorieën zit. Zoals de figuren 1 - 3 laten zien, wordt dit aantal verhoudingsgewijs zeer gering naarmate het bruto huishoudinkomen boven 200 000 ligt. Het berekenen van gemiddelden bij weinig waarnemingen wordt daarmee erg gevoelig voor de beschikbare steekproef. De figuren laten echter duidelijk zien dat het partiële koopkrachteffect, dus exclusief het effect van grondslagverbreding en de belasting op vermogensinkomsten, voor de hogere inkomens rond de 10% ligt. Voor een standaardhuishouden, zoals dat in tabel 2 wordt gehanteerd, ligt het partiële koopkrachteffect voor een alleenverdienende werknemer die 6 maal modaal verdient (ruim 300 000) op ongeveer 11%. Hierbij is dus geen rekening gehouden met de, voor deze inkomensgroep gemiddeld negatieve, effecten van grondslagverbreding en belasting op vermogen. In tabel 3 en de figuren 1 - 3 wordt geen rekening gehouden met niet-standaardposten die vallen onder de grondslagverbreding in Box I. Dit betekent dat noch het directe effect van de grondslagverbreding noch het indirecte effect van de tariefsverlaging over deze posten in de sommen is verwerkt.

Vraag 14

Worden de parameters van het MIMIC-model aangepast aan de nieuwe economische omstandigheden? Zo ja hoe vaak en wanneer was de laatste keer? Is het bijvoorbeeld zo dat rekening kan worden gehouden met het feit dat het arbeidsaanbod bij een zeer laag niveau van de werkloosheid minder op financiële prikkels reageert dan bij een hoog werkloosheidsniveau? Is het ook zo dat indien de financiële prikkel minder effect heeft het belang van andere maatregelen toeneemt (bijvoorbeeld scholing, kinderopvang e.d.) (pag 18, 19)

Antwoord CPB

De institutionele gegevens in MIMIC worden jaarlijks aangepast aan de actuele situatie. Dit betreft bijvoorbeeld de belastingtarieven en het minimumloon. Deze institutionele variabelen zijn van invloed op het niveau van de evenwichtswerkloosheid in MIMIC.

Gedragsparameters worden echter niet jaarlijks aangepast. De laatste keer dat gedragsparameters zijn aangepast is in 1997 geweest bij de constructie van de huidige modelversie. Naarmate de evenwichtswerkloosheid lager is, voorspelt MIMIC zelf al dat de effectiviteit van maatregelen die tot doel hebben de werkloosheid verder te verlagen minder groot is.

Zulke niet-lineaire reactiepatronen gelden minder voor maatregelen die aangrijpen op het arbeidsaanbod van groepen die niet participeren op de arbeidsmarkt en geen uitkering ontvangen. Deze maatregelen werken tamelijk lineair door en zijn dus onafhankelijk van het niveau van de evenwichtswerkloosheid. Dit geldt zowel voor maatregelen die door middel van financiële prikkels het arbeidsaanbod bevorderen (zoals een hogere subsidie op de kosten van kinderopvang) als voor andersoortige maatregelen (zoals het uitbreiden van het aantal gesubsidieerde plaatsen).

Vraag 15

Kan het cpb de gemiddelde vertragingsperiode geven waarop de doorwerking van lastenverlichting op loonmatiging plaatsvindt? Kan ook worden aangegeven of de ingeschatte reële loonmatigende werking van de lastenverlichting over deze kabinetsperiode die in 2001 en 2002 bij de Regeerakkoorddoorrekening fors zijn ingeschat, vooral voor de periode 2001, door deze vertragende werking onzeker is? Kan ook worden aangegeven hoe groot de onzekerheidsmarge is en tot welk budgettaire onzekerheidsmarge (aan inkomsten en uitgavenkant) dit leidt bij de huidige begrotingssystematiek? (pag 20)

Antwoord CPB

De gemiddelde vertraging van de lastenverlichting op de contractlonen is ongeveer 1/3 jaar. De reële loonmatigende werking van de lastenverlichting is bij de berekeningen ten behoeve van het Regeerakkoord iets minder fors ingeschat dan de JADE modelspecificatie aangeeft, omdat de loonstijging in het behoedzame uitgangsscenario al vrij laag is. Zonder bijstelling zou de contractloonstijging inclusief het effect van lastenverlichting onwaarschijnlijk laag uitkomen. Daarom is er een vloer gelegd in de nominale contractloonstijging van 0,5% per jaar. Onzekerheid omtrent het niveau van deze nominale loongrens verhoogt de onzekerheid over het effect van het lastenverlichtingspakket op de loonontwikkeling in 2001 en de direct daarop volgende jaren. Als andere factoren tot een hogere contractloonstijging leiden, wordt de kans dat de nominale loonontwikkeling tegen zijn ondergrens aanloopt kleiner. Dit vermindert de onzekerheid van de effecten van de lastenverlichting in 2001 en 2002. De gevolgen van een hogere loonstijging voor budgettaire variabelen in de huidige begrotingssystematiek zijn belicht in het Centraal Economisch Plan 1999, blz. 31, en voor de uitgavenkant ook genoemd in Werkdocument 105, blz 17.

Vragen aan het Ministerie van Financiën

Vraag 1

Wordt de aanbeveling van het CPB om vanaf januari 2001 afzonderlijk de maandelijkse realisatiecijfers te volgen voor de vermogensrendementsheffing en ook voor de opbrengst uit box 2 opgevolgd?

Antwoord

Maandelijkse realisatiecijfers vormen traditioneel een belangrijke input voor de ramingen van de belastingontvangsten, die twee keer per jaar aan de Kamer worden gemeld. Veronderstellingen omtrent het patroon van deze realisatiecijfers zijn echter altijd met de nodige onzekerheid omgeven. Naast deze realisatiecijfers omtrent de belastingontvangsten zijn ook gegevens over gerealiseerde en geraamde economische ontwikkelingen een belangrijke vorm van informatie voor de ramingen. Bij de invoering van de stelselherziening zullen realisatiecijfers over 2001 wederom worden gebruikt in de ramingen, maar de mate van onzekerheid zal tijdelijk toenemen, aangezien het verloop van de belastingontvangsten als gevolg van de bij een belastingherziening onvermijdelijke gedragsreacties in eerste instantie moeilijker te voorspellen zal zijn. Bovendien verschaffen de in 2001 op te leggen voorlopige aanslagen geen informatie over de uiteindelijke opbrengst in de afzonderlijke boxen. De suggestie van het CPB dat de vermogensbelasting als voorbeeld zou kunnen dienen voor de monitoring van de vermogensrendementsheffing kan niet worden ondersteund. In het huidige stelsel ontvangen belastingplichtigen die in aanmerking komen voor de vermogensbelasting, naast het reguliere aangifteformulier IB, een apart aangifteformulier vermogensbelasting. Bij de invoering van de stelselherziening zal dit formulier komen te vervallen. De forfaitaire rendementsheffing is geïntegreerd in de aanslag inkomstenbelasting. Uit dien hoofde zijn de afzonderlijke opbrengsten uit box II en box III in 2001 vooralsnog niet zichtbaar. De eerste definitieve aanslagen waarin de opbrengsten in box II en III zijn verwerkt zullen pas in 2002 worden opgelegd en zullen dan in deze vorm ook in de ramingen worden verwerkt.

Vraag 2

Is de veronderstelling van het CPB dat de premies door de grondslagversmalling niet veranderen door een compensatie van rijksbijdragen conform kabinetsbeleid?

Antwoord

Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag inzake het voorstel van Wet inkomstenbelasting 2001 is aangegeven, worden thans de mogelijkheden bestudeerd om de fondsen voor de premiederving te compenseren. Een compensatie door middel van rijksbedragen is een van de daarbij te betrekken mogelijkheden.

Schriftelijke vragen van de D66-fractie (F.Giskes) over het rapport van het Centraal Planbureau inzake de economische gevolgen van de Belastingherziening 2001

Vraag 1

De leden van de fractie van D66 vernemen graag hoe het kabinet aankijkt tegen de veronderstelling dat slechts f 500 mld van de f 625 mld aan relevant vermogen onder de rendementsheffing zal komen te vallen en welke mogelijkheden men ziet deze score te verbeteren. (blz. 10)

Antwoord

Bij de vaststelling van het vermogen dat in beginsel onder de forfaitaire rendementsheffing zal vallen kan gebruik worden gemaakt van verschillende statistische bronnen. In de eerste plaats zijn er de ook door het CPB genoemde fiscale gegevens, die ultimo 1998 tot een relevant vermogen van circa 400 miljard leiden. Mede als gevolg van de onbelastbaarheid van vermogensmutaties in de huidige inkomstenbelasting en de relatief hoge vrijstellingen in de vermogensbelasting is een deel van het voor de forfaitaire rendementsheffing relevante vermogen niet terug te vinden in de fiscale gegevensbronnen. Een andere methode om de omvang van het relevante vermogen te benaderen is gebruik te maken van niet-fiscale bronnen als de Nationale Rekeningen van het CBS en het Jaarverslag van de Nederlandsche Bank. Het CPB komt bij deze benadering tot een relevant vermogen van 625 miljard. Het belangrijkste nadeel van deze niet-fiscale bronnen is dat er sprake is afbakeningsproblemen. Daarnaast zullen sommige belastingplichtigen proberen het aanwezige vermogen geheel of gedeeltelijk buiten het zicht van de Belastingdienst te houden. Om dit laatste zoveel mogelijk te voorkomen zijn in het wetvoorstel voor de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 maatregelen opgenomen die invoering van een adequaat renseigneringssysteem mogelijk maken. Zoals het CPB terecht aangeeft blijft er sprake van een relatief grote onzekerheidsmarge met betrekking tot de omvang van het relevante vermogen dat daadwerkelijk belastbaar zal zijn. Het door het CPB veronderstelde bedrag van circa 500 miljard achten wij gelet op het bovenstaande echter alleszins verdedigbaar. Ook bij de berekeningen ten behoeve van het wetsvoorstel is uitgegaan van een relevant vermogen van circa 500 miljard.

Vraag 2

De leden van de fractie van D66 verzoeken de oorzaak van de grondslagversmalling voor de premies volksverzekeringen toe te lichten als de sociale fondsen naar rato meebetalen aan de financiering van de heffingskortingen. (blz. 11)

Antwoord

Bij de omzetting van de heffingsvrije sommen in de heffingskortingen wordt de eerste schijf verlengd met 5 700, en niet met de heffingsvrije som voor tariefgroep 2 van 8798. De tweede schijf vangt dus op een lager inkomensniveau aan, bij alleenverdieners in tariefgroep 3 zelfs ruim lager. Hierdoor wordt de eerste schijf effectief ingekort, de derde schijf verlengd. De grondslag voor de premies volksverzekeringen wordt smaller, die voor de belastingen wordt breder.

Vraag 3

De leden van de fractie van D66 willen graag weten wanneer meer zekerheid bestaat over de kosten van de verlaging van het tarief in het onderste deel van de eerste schijf en met welke marges rekening moet worden gehouden. (blz. 11)

Antwoord

Er is sprake van onzekerheid omdat de Belastingdienst belastingen en premies volksverzekering maandelijks verdeelt volgens vooraf vastgestelde sleutels. De definitieve verdeling rapporteert het Ministerie van Financiën pas later, op basis van onderzoek naar de omvang van de verschillende schijven. Voor de loonbelasting volgt de rapportage in november van het jaar t+2, voor de inkomstenbelasting in november van het jaar t+4. Omdat de knip in de eerste schijf is aangebracht in 1999, zal de omvang van de schijven definitief worden vastgesteld in november 2001, respectievelijk november 2003. Tot die tijd gebruikt het CPB ramingen van de relatieve omvang van de schijven.

De huidige ramingen nemen de informatie over de inkomensverdeling 1994, zoals gerapporteerd door het CBS in het Inkomens Panel Onderzoek, als startpunt. Voor de jaren 1994-1999 wordt deze inkomensverdeling aangepast aan de hand van partiële informatie over de groei van het aantal belastingbetalers en hun positieve en negatieve inkomensposten. De onzekerheidsmarge hierbij is moeilijk aan te geven. Omdat de belastingherziening het tarief in het onderste deel van de eerste schijf verlaagt, het tarief in het bovenste deel van de eerste schijf (de nieuwe tweede schijf) nauwelijks verandert, maar het tarief in de hogere schijven weer wel verlaagt, is de relatieve omvang van het bovenste deel van de eerste schijf (de nieuwe tweede schijf) een belangrijk gegeven voor de berekening.

Vraag 4

De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet te reageren op de visie van het Centraal Planbureau dat als gevolg van de economische doorwerking van de belastingherziening te verwachten valt dat de koopkrachteffecten over de hele linie lager uitvallen dan de partiële (koopkracht)effecten die rechtstreeks voortvloeien uit de belastingherziening (pag 17).

Antwoord

De koopkrachtberekeningen gaan uit van een statische wereld. Met andere woorden; de veronderstelling is dat er geen gedragseffecten optreden als gevolg van de herzieningen. Die effecten zijn er uiteraard wel. Deze dynamische effecten hebben zowel positieve als negatieve invloed op de koopkracht. Een negatief effect is bijvoorbeeld de loonmatiging die verwacht wordt. De contractloonmutatie is onderdeel van de totale koopkrachtontwikkeling. Loonmatiging leidt partieël gezien tot een lagere koopkracht. Tegenover dit negatieve effect staan meerdere positieve effecten. Als gevolg van de loonmatiging zullen ook de prijzen dalen. Tevens zal de werkgelegenheid toenemen, hetgeen voor de betrokkenen in de regel zal resulteren in een koopkrachtverbetering. Voorts zullen consumenten hun bestedingspatroon wijzigen door minder van de hoger belaste goederen te consumeren. Dit beperkt het initiële effect van de hogere indirecte belastingen. De BTW-verhoging zal worden afgewenteld; de mate waarin uiteindelijk de consumenten danwel de producenten (via de marge) de BTW-verhoging zullen betalen is afhankelijk van de marktverhoudingen.

Het is niet goed mogelijk om het lange termijn effect van deze dynamische aanpassingen per saldo aan te geven. In de doorrekening van de stelselherziening merkt het CPB op dat: als ook rekening wordt gehouden met de economische doorwerking van de belastingherziening, dan valt te verwachten dat de koopkrachteffecten over de hele linie lager uitvallen (werkdocument nr. 115, blz. 17). Het CPB heeft daarbij echter alleen rekening gehouden met het effect op lonen en prijzen. Het effect van veranderende consumptiepatronen is niet meegenomen. Evenmin is rekening gehouden met de groei van de werkgelegenheid.

Vraag 4a

De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet in dit verband aan te geven of, en zo ja in welke mate, wordt verwacht dat als gevolg van de belastingherziening er meer dan evenredige loonmatiging zal plaatsvinden.

Antwoord

Het kabinet verwacht dat de sociale partners de lastenverlichting die gepaard gaat met de belastingherziening in hun CAO-onderhandelingen zullen meenemen. De verwachting is dat de lonen hierdoor gematigd zullen worden. Ook in het verleden is gebleken lastenverlichting leidde tot gemiddeld lagere loonstijgingen (CPB werkdocument 115 pag. 18). Volgens berekeningen van het CPB daalt de loonvoet met 1,5% op lange termijn (tabel 4, werkdocument 115, CPB). Overigens meldt ook het CPB dat vanwege vertraagde reacties in de economie het enige tijd kan duren voordat de loonmatigende invloed van lastenverlichting zich volledig manifesteert.

Vraag 4b

De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet enkele voorbeelden te geven van andere factoren die het verloop van de reële contractlonen zodanig kunnen beïnvloeden dat er als gevolg van de belastingherziening geen sprake is van een loonmatigingseffect. (blz. 17 en 21)

Antwoord

Er zijn een aantal factoren te noemen die het verloop van de reële contractlonen kunnen beïnvloeden. Een voorbeeld hiervan is de hoogte van werkloosheid, die de onderhandelingspositie van sociale partners beïnvloedt. Een ander voorbeeld zijn de secundaire arbeidsvoorwaarden. Indien er bijvoorbeeld afspraken worden gemaakt over arbeidstijdverkorting in plaats van loonsverhoging heeft dit effect op de reële contractlonen.

Vraag 5

De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet aan te geven of de verwachting van het CPB dat het arbeidsaanbod in personen minder sterk zal stijgen dan het arbeidsaanbod in uren leidt tot een bijstelling van de verwachtingen van het kabinet omtrent de mate waarin de belastingherziening bijdraagt aan het stimuleren van het aanbod van arbeid en de positieve effecten op de arbeidsmarkt. (blz. 19)

Antwoord

In de MvT (pag 15) worden tevens de lange termijn effecten van de belastingherziening weergegeven. Ook daarin wordt aangegeven dat het arbeidsaanbod in arbeidsjaren meer stijgt dan het arbeidsaanbod in personen. Een van de doelstellingen van de herziening is het stimuleren van arbeidsaanbod. Het maakt op dat punt niet uit of mensen die al werken beslissen meer uren te gaan werken of dat meer mensen, die dat voorheen niet deden, zich aanbieden op de arbeidsmarkt.

Deel: ' Antwoord minister op vragen over Belastingherziening 2001 '




Lees ook