Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Antwoorden op kamervragen over de uitzetting van Mullah Krekar

4 maart 2003

Antwoorden van de minister van justitie, mede namens de minister voor vreemdelingenzaken en integratie op de vragen van het lid De Wit (SP) over de uitzetting van Mullah Krekar (ingezonden 21 januari 2003).


---

Vraag 1

Heeft u kennis genomen van de recente berichtgeving over de uitzetting van Mullah Krekar?

Antwoord 1

Ja.

Vragen 2, 3, 4 en 8

Vraag 2

Kunt u de brief van de AIVD van 13 september jl. aan de IND bevestigen waarin wordt medegedeeld dat genoemde Krekar wordt verdacht van betrokkenheid bij een bomaanslag in Jordanië?

Vraag 3

Hebt u kennis van deze brief genomen? Klopt het dat deze brief noch ter kennis is gebracht van de rechtbank die belast was met de zaak van de heer Krekar noch van de advocaat van de heer Krekar? Hoe is dat mogelijk? Om welke reden(en) was dat?

Vraag 4

Bent u, dan wel de bevoegde functionaris(sen) anderszins op een andere wijze op de hoogte gebracht van deze verdenking van betrokkenheid bij een bomaanslag? Zo ja, door wie? Wat heeft u respectievelijk de bevoegde functionaris(sen) met deze wetenschap gedaan?

Vraag 8

Is de mogelijke betrokkenheid bij een bomaanslag door Justitie, de IND of andere betrokken instanties of functionarissen met opzet verzwegen? Zo ja, waarom?

Antwoorden 2, 3, 4 en 8

Het ambtsbericht van de AIVD van 13 september 2002 is mij bekend. Dit ambtsbericht is door mij niet ter kennis van de rechtbank Haarlem of van de advocaat van de heer Krekar gebracht.

De reden hiervan is gelegen in het feit dat de uitlevering door de Jordaanse autoriteiten alleen is verzocht wegens de verdenking van betrokkenheid bij drugsmisdrijven. De beoordeling van de uitleveringsrechter beperkt zich tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd. De op deze feiten betrekking hebbende stukken worden ten behoeve van de behandeling door de rechtbank door de Minister aan de bevoegde officier van justitie gezonden, die ze voorlegt aan de rechtbank en een afschrift stuurt aan de advocaat. Stukken over de mogelijke betrokkenheid van Krekar bij andere strafbare feiten dan waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zijn daarom niet aan de uitleveringsrechter voorgelegd.

Dergelijke stukken kunnen na de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter mogelijk wel een rol spelen bij de beoordeling van de Minister van Justitie van de vraag of toepassing van het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd is. Dit beginsel houdt in dat een persoon na uitlevering in het verzoekende land niet voor andere feiten wordt vervolgd, bestraft of in hechtenis genomen dan voor de feiten waarvoor zijn uitlevering is toegestaan. In dit verband is tevens van belang dat desgevraagd van de Jordaanse autoriteiten de schriftelijke garantie is ontvangen dat in het geval van uitlevering van Krekar toepassing van het specialiteitsbeginsel wordt gewaarborgd. De ontvangst van deze garantie is eveneens aan de officier van justitie en de advocaat van Krekar medegedeeld.

Overigens beschikte de advocaat van Krekar reeds over het ambtsbericht van de AIVD in het kader van de vreemdelingrechtelijke procedure inzake de beslissing om Krekar op 12 september 2002 de toegang tot Nederland te weigeren. Het stond de advocaat vrij dit stuk aan de uitleveringsrechter te doen toekomen, ten behoeve van diens advies aan mij op grond van artikel 30, tweede lid Uitleveringswet.

Vraag 5

Hebt u over deze mogelijke betrokkenheid gesproken met uw Amerikaanse ambtsgenoot tijdens dan wel en marge van de JBZ-raad in Kopenhagen?

Antwoord 5

Op 13 september 2002 heb ik in Kopenhagen met mijn Amerikaanse ambtsgenoot over de zaak Krekar gesproken.

Vraag 6

Wie heeft u, respectievelijk de verantwoordelijke instanties medegedeeld dat de heer Krekar verdacht werd van betrokkenheid bij drugshandel? Waarop was die verdenking gebaseerd? Is de deugdelijkheid daarvan onderzocht? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 6

Zowel het Jordaanse verzoek tot voorlopige aanhouding als het Jordaanse uitleveringsverzoek vermeldden dat de Jordaanse autoriteiten de uitlevering van Krekar ten behoeve van de vervolging wegens drugsmisdrijven wensten. Ten behoeve van de beslissing op het uitleveringsverzoek is onder andere nadere informatie over de Jordaanse vervolging tegen Krekar opgevraagd. Toen duidelijk werd dat deze informatie niet door Jordanië zou worden verschaft, heb ik besloten het Jordaans uitleveringsverzoek af te wijzen.

Vraag 7

Waarom werd de verdenking van drugshandel wel aan Krekar ten laste gelegd en de verdenking van betrokkenheid bij een bomaanslag niet?

Antwoord 7

Zoals in het antwoord op vragen 2, 3, 4 en 8 is aangegeven, hebben de Jordaanse autoriteiten alleen om uitlevering verzocht met betrekking tot de verdenking van betrokkenheid bij drugsmisdrijven. De beantwoording van de vraag voor welke strafbare feiten de uitlevering wordt verzocht is een aangelegenheid van de verzoekende staat.

Vraag 9

Hebt u voorts kennis genomen van de arrestatie van de twee advocaten van de heer Krekar op 13 januari 2003?

Antwoord 9

Ja.

Vraag 10

Kunt u iets mededelen over de wijze waarop de IND op 13 januari 2003 de asielaanvraag van de heer Krekar heeft afgehandeld?

Antwoord 10

Vlak voor het vertrek van de heer Krekar naar Noorwegen is op 13 januari 2003 op Schiphol namens de heer Krekar een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is mondeling afgewezen. De schriftelijke motivering van dit besluit is op 17 januari 2003 aan de raadslieden van de heer Krekar kenbaar gemaakt. Hiertegen is beroep ingesteld. Het beroep loopt nog.

Vraag 11

Is de heer Krekar door de handelwijze van de IND niet belemmerd in het aanvragen van asiel en in zijn recht om hangende de behandeling van het asielverzoek in Nederland de afloop daarvan af te wachten? Waarom had in dit geval het beroep tegen de afwijzing (al na 20 minuten na indiening) geen schorsende werking?

Antwoord 11

Van belemmering in het doen van een asielaanvraag is nimmer sprake geweest. Integendeel, vanaf het moment van binnenkomst in Nederland op 12 september 2002 stond voor de heer Krekar de mogelijkheid open asiel aan te vragen. Van deze mogelijkheid heeft de heer Krekar eerst op het moment van uitwijzen gebruik gemaakt. Gelet op het tijdstip van de aanvraag van de heer Krekar in samenhang met de voor hem sedert 12 september 2003 bestaande en niet gebruikte mogelijkheid om de bescherming in te roepen van de Nederlandse autoriteiten, ben ik van oordeel dat de aanvraag van 13 januari 2003 niet is gedaan met de bedoeling om de bescherming van de Nederlandse autoriteiten te krijgen. Nu bovendien de uitzetting naar Noorwegen zou plaatsvinden en hij aldaar op geen enkele wijze met direct of indirect refoulement werd bedreigd, achtte ik het niet noodzakelijk de uitzetting op te schorten.

Vraag 12

Wat vindt u van het feit dat advocaten die voor hun cliënt opkomen en willen afdwingen dat de rechten van hun cliënt worden gerespecteerd in hechtenis worden genomen en drie en een half uur worden vastgehouden? Wat is uw oordeel over deze handelwijze van de politie en/of marechaussee?

Antwoord 12

Ik heb begrepen dat in de gedragingen van de advocaten van de heer Krekar op Schiphol ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee voldoende aanleiding bestond de advocaten aan te houden. Advocaten worden geacht hun cliënten met advies terzijde te staan. De advocaat die meent daar (verbaal) geweld en wederspannigheid aan toe te moeten voegen, heeft geen aanspraak op enige consideratie; het tegendeel is eerder het geval, omdat hij misbruik maakt van zijn geprivilegieerde positie. De zaak ligt nu in handen van het Openbaar Ministerie.


---
© Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - 5 maart 2003

Deel: ' Antwoord op kamervragen uitzetting Mullah Krekar '




Lees ook