Tweede Kamer der Staten Generaal

aanh9900.747 jeugdagenten

Gemaakt: 13-3-2000 tijd: 14:


2

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 7 maart 2000

Onderwerp

Jeugdagenten

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u, mede namens mijn ambtsgenoten van Justitie en voor Grote Steden- en Integratiebeleid, toekomen de antwoorden op de vragen van het lid van uw Kamer Rietkerk over jeugdagenten (kenmerk
2990005510).

Hoogachtend,

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

A. Peper

Beantwoording kamervragen van de heer Rietkerk over jeugdagenten (kenmerk 2990005510)

Vraag 1:

Heeft u kennis genomen van het artikel «Eigenlijk zouden we nóg meer de straat op moeten»?

Antwoord:

Ja

Vraag 2, 4 en 7:

Heeft de regiopolitie Drenthe extra geld gekregen voor een (Proef)-project met jeugdagenten? Kunt u hierop een toelichting geven?

In welke regio's is er reeds sprake van een apart specialisme jeugdpolitie?

Ziet u dit (proef)project als opmaat voor generieke herinvoering van het specialisme jeugdpolitie? Kunt u voor de zomer een uitgebreide tussenrapportage over het project aanleveren, zodat brede invoering van het project kan worden afgewogen?

Antwoord:

Het regionaal politiekorps Drenthe heeft evenals de andere 24 regionale politiekorpsen en het KLPD extra middelen in de vorm van een bijzondere bijdrage ter bestrijding van jeugdcriminaliteit en geweld gekregen. Deze extra bijdrage loopt van 1998 tot en met 2000 en is verstrekt op basis van een plan van aanpak.

In alle 25 regionale korpsen wordt, mede gestimuleerd door de extra bijdrage ter bestrijding van jeugdcriminaliteit en geweld, het jeugdspecialisme weer vorm gegeven. In mijn brief aan uw Kamer van 14 april 1999, kenmerk EA99/U63078, is verslag gedaan van de voortgang van dit traject.

Zoals terzake gesteld in het Beleidsplan Nederlandse Politie: «één ideale organisatievorm voor het jeugdspecialisme binnen de politie bestaat niet, de organisatievorm is immers afhankelijk van de lokale situatie». Het regionaal politiekorps Drenthe heeft gekozen om de extra bijdrage voornamelijk te besteden aan extra formatieplaatsen, namelijk jeugdagenten.

Teneinde een evenwichtig beeld te krijgen van de resultaten van de extra inspanningen is aan de Inspectie voor de politie opgedragen in
2001 te rapporteren over de politiële jeugdzorg en voorafgaand hieraan vooronderzoek uit te voeren. De voorbereidingen voor dit onderzoek vinden nu plaats.

In dit licht bezien zou een afzonderlijke tussenrapportage over Drenthe geen recht doen aan het totaal aan inspanningen die op dit moment met betrekking tot de opbouw van de jeugdtaak worden verricht noch aan de zorgvuldige opzet van het Inspectieonderzoek.

Vraag 3:

Kunt zich voorstellen dat vragensteller hier zeer enthousiast over is, gezien zijn meermalen uitgesproken voorkeur voor herkenbare specialismen jeugdpolitie?

Antwoord:

Ja

Vraag 5:

Heeft dit extra geld iets te maken met het in het artikel genoemde feit dat er in Drenthe geen steden zijn die onder het grote stedenbeleid vallen?

Antwoord:

Nee. De bijzondere bijdrage voor bestrijding jeugdcriminaliteit en geweld is over de 25 regionale korpsen en het KLPD verdeeld op basis van het bereikbaarheids- beschikbaarheidscriterium van het budgetverdeelsysteem. Overigens is het niet juist te stellen dat er in Drenthe geen steden liggen die deel uitmaken van het grotestedenbeleid; Emmen is één van de partiële GSB-steden.

Vraag 6:

Kunt u ingaan op de contacten c.q. uitwisseling van (risico-) gegevens tussen de jeugdagenten, scholen, Kinderbescherming, het OM het bureau Halt en de Drentse instantie jeugdzorg de Toegang, waarvan in het genoemde artikel gewag wordt gemaakt? Lopen deze instanties ook tegen juridische belemmeringen aan? Zo ja, welke?

Antwoord:

Aangezien de jeugdagenten na een opleidings- en inwerkperiode feitelijk nog maar een korte periode werkzaam zijn binnen de regio, ontbreken op dit moment adequate ervaringsgegevens met betrekking tot de uitwisseling van (persoons)gegevens met andere instanties.

In zijn algemeenheid zijn er juridische beperkingen bij de uitwisseling van persoonsgegevens die voortvloeien uit de verschillende wettelijke regimes die van toepassing zijn op de registers van de diverse instanties, zoals genoemd in het artikel. Voor de politie is dat in beginsel de Wet politieregisters, voor de overige instanties de Wet persoonsregistraties. Binnen de bestaande juridische kaders is samenwerking en informatie-uitwisseling tussen genoemde instanties mogelijk.

In het arrondissement Assen zijn op verschillende beleidsterreinen (zoals de jeugdproblematiek) netwerken opgericht waarin verschillende instanties samenwerken (zoals de politie, openbaar ministerie, kinderbescherming e.d.). Ten behoeve van de informatieuitwisseling tussen de bij een netwerk aangesloten instanties worden in het arrondissement samenwerkingsconvenanten gesloten. Bij de totstandkoming van een convenant wordt een protocol gehanteerd, welke tot doel heeft een juiste en zorgvuldige uitwisseling van persoonsgegevens te waarborgen.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Antwoord Peper op kamervragen over jeugdagenten '




Lees ook