26616000.003h lijst vr-antw kwaliteitszorg publieke diensten op szw-te rrein Gemaakt: 12-1-2000 tijd: 11:5 RTF


26 616 Uitvoering toezicht gemeentelijke sociale-zekerheidswetten

Nr. 3 herdruk 2) Lijst van vragen en antwoorden

Vastgesteld 20 december 1999

De commissie voor de Rijksuitgaven 1) en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid 3) hebben een aantal vragen aan de regering voorgelegd over het rapport van de Algemene Rekenkamer inzake Uitvoering toezicht gemeentelijke sociale-zekerheidswetten en naar aanleiding van het onderzoeksrapport De kwaliteitszorg bij publieke diensten op SZW-terrein (SOZA 99-486 zie bijlage).

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft deze vragen beantwoord bij brief van 3 december 1999.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van commissie voor de Rijksuitgaven,

Van Walsem

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Terpstra

De griffier van de commissie,

Van der Windt

A. Het Rekenkamerrapport Uitvoering toezicht gemeentelijke sociale zekerheidswetten

Vraag 1

Hoe belangrijk vindt u het dat de gemeenten hun primaire verantwoordelijkheid voor de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van hun uitvoering van de Algemene bijstandswet (budget f. 8,9 mld), de Wet sociale werkvoorziening (f. 3,7 mld) en de Wet inschakeling werkzoekenden (f. 1,8 mld) naar behoren waarmaken?

Antwoord 1

Ik acht het van essentieel belang dat gemeenten hun verantwoordelijkheid voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Abw, Wsw en Wiw waarmaken, gegeven

de respectievelijke wettelijke opdrachten aan de gemeentebesturen.

Vraag 2

Heeft naar uw mening het toezichtsbeleid van Rijksconsulentschappen de afgelopen jaren voldoende voorzien in de ontwikkeling van toezichtsinstrumenten die bij de nieuwe taak en verantwoordelijkheidsverdeling passen, of acht u de ontwikkeling van nieuwe instrumenten noodzakelijk? Welke concrete maatregelen bent u voornemens te nemen om de modernisering van het toezicht te bespoedigen? (blz. 5)

Antwoord 2

Ik ben verheugd dat de Algemene Rekenkamer constateert dat de Rijksconsulentschappen goed functioneren en dat de verschillende toezichtsinstrumenten de rechtmatigheid van de gemeentelijke uitvoering dekken. Ik onderschrijf het oordeel van de Algemene Rekenkamer dat nog een aantal belangrijke instrumenten verder moet worden ontwikkeld en dat het daarbij te hanteren tijdpad nauwlettend moet worden gevolgd. Dit heeft mijn aandacht.

Ik constateer ook dat meerdere - in het kader van de modernisering van het toezicht gewenste - instrumenten al zijn ontwikkeld, dan wel in een gevorderd stadium van ontwikkeling verkeren. Vanuit het toezichtbeleid met betrekking tot de genoemde wetten is de afgelopen jaren in een nog voortdurend proces een reeks van nieuwe toezichts-instrumenten ontwikkeld, waar mogelijk in samenspraak met gemeenten. Concrete maatregelen en instrumenten, die de modernisering van toezicht bespoedigen, liggen vooral op het vlak van methoden en technieken als:

? een bestuurlijk verantwoordingsverslag,

? verdere onderzoeksmethoden ten behoeve van meting van de mate van doeltreffendheid in de uitvoering,

? instrumenten voor de validering van ontvangen gemeentelijke verantwoordingsinformatie,

? systematiek toezichtsoverleg met gemeentebesturen,

? mechanismen voor vastlegging en ontsluiting van gemeentelijke informatie(beelden),

? kwaliteitsmetingsinstrumenten op het toezichtsproces,

? sturingsaanpak in de zin van actuele accountantsprotocollen e.a. op aspecten van wetsuitvoering en beheer van de gemeentelijke processen,

? facilitering in de zin van instrument-overdracht.

Het moge duidelijk zijn dat de noodzakelijke maatregelen om zowel voor gemeenten als het tweedelijns toezicht het vernieuwde toezicht te effectueren, waar nodig voortvarend verder moeten worden uitgewerkt

Vraag 3

Bent u tevreden over de primaire verantwoordelijkheid van de gemeenten voor de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van hun wetsuitvoering? Ontvangt u in het kader van de verantwoording door de gemeenten over de doeltreffendheid voldoende beleidsinformatie van de gemeenten? Zijn reeds aanwijsbare resultaten van uitstroom en sociale activering bij de Algemene bijstandswet behaald? Zo neen, wanneer denkt u die te verwachten? (blz. 5)

Antwoord 3

Gegeven de in veel gemeenten ten tijde van de invoering van de nieuwe Algemene bijstandswet geconstateerde grote uitvoeringsproblematiek, constateer ik dat de afgelopen jaren gemeentebesturen op grote schaal hun eigen verantwoordelijkheid daadwerkelijk hebben genomen in de zin van forse investeringen in de verbetering van de uitvoering. Deze aanpassingen in met name de organisatie- en informatiestructuren zijn vaak langdurig van aard en lopen in veel gevallen nog heden door, al dan niet door middel van verbetertrajecten. Er is forse winst behaald in de rechtmatige uitvoering. Recent onderzoek door het onderzoeksbureau Regioplan wijst dit eveneens uit (onderzoek `Evaluatie poortwachters-functie en nieuw partnerbegrip', Regioplan september 1999).

Ten aanzien van de doeltreffendheid merk ik op dat veel gemeentebesturen hun verant-woordelijkheid, bijvoorbeeld in gevoerde gesprekken met de Rijksconsulent, onderkennen en ook aangeven concrete acties in hun uitvoeringsorganisatie te zullen ondernemen op basis van de resultaten van de diverse tot nu toe uitgevoerde doeltreffendheidsonderzoeken. Ik merk hierbij op dat het daarbij vooral gaat om het bevorderen van zodanige randvoor-waarden in de lokale uitvoeringspraktijk dat de kansen op een doeltreffende uitvoering worden vergroot. Resultaat-vastlegging op gemeentelijk niveau is daarvan een voorbeeld.

Wel is het zo dat aanvankelijk voorrang is gegeven aan het structureel op orde brengen van de rechtmatigheid van uitkeringsverstrekking en overige wetsuitvoering. Doeltreffendheid moet wel altijd binnen het rechtmatigheidskader vallen.

Ten aanzien van de beleidsinformatie met betrekking tot de effecten van de wet heb ik u in mijn brief van 17 november 1999 - inzake de Taskforce beleidsinformatie, kenmerk A&O/RA-1/1999/7228 - reeds uitvoerig op de hoogte gesteld van de ontwikkelingen die ik voornemens ben te gaan opstarten. Zoals ik in deze brief heb weergegeven, is het niet alleen de wijze van vastlegging binnen de gemeenten, waardoor op dit moment de informatie-voorziening aan mijn ministerie en daarmee ook aan de Kamer nog ontoereikend is. De ontoereikende informatievoorziening hangt ook samen met de gegevensdruk bij gemeenten, de wijze van benadering van andere bestanden die relevante informatie bevatten en de wijze van bewerking van de informatie(stromen). In mijn brief heb ik u aangegeven dat ik streef naar een `knooppunt beleidsinformatie'. Dit knooppunt draagt er zorg voor dat integraal inzicht wordt verkregen over de werking van alle ingezette instrumenten en resultaten op het terrein van uitstroom en sociale activering.

Op individueel gemeentelijk niveau is wel informatie aanwezig op terreinen als traject-plannen en plaatsingen in gesubsidieerde banen, maar deze informatie is qua opbouw en uniformiteit zo specifiek gevormd door de eigen gemeentelijke behoeften en inzichten dat deze gegevens niet kunnen worden opgeteld tot een landelijk beeld.

Ten aanzien van de resultaten tot nu toe op het terrein van de Wsw en I/D-banen heeft uw Kamer onlangs actuele gegevens ontvangen. Beschikbare Wiw-cijfers zijn in de Sociale Nota 2000 opgenomen.

Vraag 4

Wat kunnen de gevolgen zijn met betrekking tot de rechtmatigheid in het jaar 2000, als de ontwikkeling van een deugdelijk systeem om de gemeentelijke verantwoordingsinformatie te valideren niet is afgerond? Vindt u het nodig dat dit systeem volledig is vorm gegeven voordat single audit wordt ingevoerd? (blz.5)

Antwoord 4

De ontwikkeling van toezichtsbeleid met betrekking tot landelijke validering op gemeente-lijke verantwoordingsinformatie over de rechtmatigheid van de wetsuitvoering bevindt zich in het laatste stadium. Hierin worden de ratio en noodzaak van validering aangegeven alsmede welke concrete valideringsmethoden moeten worden ontwikkeld en wanneer zij zullen worden toegepast. De operationalisering hiervan wordt op zeer korte termijn opgestart. Eén van de instrumenten betreft een valideringsonderzoek op dossierniveau met behulp waarvan landelijk tot een validerende uitspraak wordt gekomen. Een eerste dergelijk onderzoek moet voor het eind van het eerste kwartaal 2000 zijn afgerond bij een aantal gemeenten die over het verantwoordingsjaar 1998 reeds single audit hebben doorgevoerd. Andere toepassingsmogelijkheden voor validering, zoals een landelijke toepassing van het review-instrument van de departementale accountantsdienst moeten in het jaar 2000 zijn ontwikkeld en inzetbaar zijn. Er kan dan worden gebouwd op een mix van validerings-instrumenten. Deze zijn vervolgens landelijk toepasbaar, als vanaf september 2000 de gemeentelijke verantwoordingsinformatie over het verantwoordingsjaar 1999 binnenkomt (het eerste jaar waarover de bij de gemeente controlerende accountant zelf volgens het single audit principe de gehele rechtmatigheid controleert; dit betreft alle gemeenten). Daarmee kan de validering op de controle-aanpak binnen de gemeenten op landelijke schaal (komend tot een uitspraak of de minister landelijk gezien kan vertrouwen op de informatie) naadloos aansluiten op de te ontvangen verantwoordingsgegevens.

Voor de duidelijkheid wil ik tevens aangeven dat deze landelijke validering onverlet laat dat op afzonderlijk gemeenteniveau al waarborgen bestaan, zoals een helder controle- en rapportageprotocol ten behoeve van de activiteiten van de accountants, een sluitende kostenopgave door de gemeente en sluitende instructies ten behoeve van de vaststelling van de rijksvergoeding per gemeente.

Vraag 5

Volgens de Algemene Rekenkamer heeft u bij de behandeling van de nieuwe Algemene bijstandswet opgemerkt dat het organiseren van een veranderde en gedegen toezichtsorganisatie nog enige jaren zou vergen. Anno 1999 zou echter nog nauwelijks vooruitgang zijn geboekt. Wat heeft u op welke datum bij de behandeling van de Algemene bijstandswet in dit verband precies opgemerkt? Wat moet nog gebeuren alvorens de gemeenten hun primaire verantwoordelijkheid voor de rechtmatigheid en de doeltreffend-heid van hun uitvoering van de Algemene bijstandswet naar behoren waarmaken? Hoe en binnen welke termijn wilt u bereiken dat dit verwezenlijkt wordt? (blz. 5 en 6)

Antwoord 5

Door mijn ambtsvoorganger is o.a. bij de behandeling van het wetsvoorstel voor de nieuwe Algemene bijstandswet in algemene termen gesproken over de ontwikkelingslijn van het toezicht in relatie tot de veranderende bestuurlijke verantwoordelijkheden van het gemeentebestuur voor de uitvoering van de Abw. Echter, ook al eerder zijn in de `Beleidsbrief vernieuwing Abw' van 30 november 1993 de beoogde vernieuwingen in het toezicht uitgebreid verwoord. Hierover is reeds op 15 en 16 december 1993 met de Kamer gesproken. Daarnaast is door de Kamer in commissieverband op 16 oktober 1996 over de opzet, de werking en het perspectief van het toezicht gesproken. Mede naar aanleiding daarvan heeft de minister de opvattingen omtrent inhoud, richting en positionering van het toezicht nader uiteengezet in brieven aan de Kamer d.d. 4 november 1996, 24 februari 1997 en 8 oktober 1997. De opzet van een toezichtsorganisatie die een meer evenwichtige benadering ten opzichte van de gemeenten zou innemen en grotere aandacht voor een doeltreffende uitvoering aan handhaving van de rechtmatigheid zou paren, zou inderdaad, was de inschatting, enige jaren vergen. Tegelijk werd in de geest van deze grotere eigen bestuurlijke verantwoordelijkheid van de gemeente een ontwikkelingstraject van toezicht met de gemeenten en VNG ingezet naar een uiteindelijk beoogde situatie waarin de gemeenten zich bestuurlijk kunnen verantwoorden over de gehele wetsuitvoering, zowel naar de Gemeenteraad als naar de minister. Deze situatie van volledige single audit was in de ontwikkelingsplanning voorzien voor eind 2001.

Na vrijwillige deelneming van 38 gemeenten aan single audit in 1998, is de geplande variant, waarin de accountant zelf en niet meer het rijkstoezicht de rechtmatige uitvoering over het jaar 1999 controleert ten behoeve van de gemeenten als ook de minister, voor alle gemeenten gerealiseerd. Tegelijk is de mogelijkheid voor gemeenten gecreëerd door middel van een `bestuurlijk verantwoordingsmodel' om zich als bestuur zelf reeds over het jaar 1999 te verantwoorden.

Het voor het verantwoordingsjaar 2000 voorziene verplichte bestuurlijke verantwoordings-model (dat de accountant op overeenstemming met de realiteit zal controleren) is half december as. gereed voor overdracht aan de gemeenten.

Er zijn daarnaast reeds forse stappen gezet op het terrein van het toezicht op de doeltreffend-heid van de uitvoering. Vanaf 1997 is samen met tientallen gemeenten doeltreffendheids-onderzoek op meerdere Abw-aspecten ontwikkeld én uitgevoerd. Alle resultaten hiervan zijn door het toezicht naar de gemeentebesturen en sociale diensten teruggekoppeld. Vele concrete afspraken over verbeteringen in de uitvoering (soms kleine stapjes, soms passend in grote organisatorische aanpassingen) zijn hierop totstandgekomen.

In dit brede ontwikkelingstraject zijn álle gemeenten vanuit toezicht gefaciliteerd door middel van voorlichtingsmateriaal, met (als handreiking) overdacht van een compleet onderzoeksinstrument voor eigen gemeentelijk onderzoek naar de rechtmatigheid, gebundelde informatie over de meest gestelde vragen, vele voorlichtingsbijeenkomsten voor gemeenten, voor accountants en via uitvoeringspanels in het kader van raadpleging bij de instrumentontwikkeling, etc.

Juist de doelbewuste samenwerking met zoveel mogelijk gemeenten - in de geest van bestuurlijke samenwerking met behoud van ieders eigen verantwoordelijkheid - betekent echter tegelijkertijd ook dat gekozen is voor een langdurig traject. Niettemin ligt zowel de ontwikkeling van single audit en de aanpassingen daarvoor bij gemeenten op schema, al is ook duidelijk dat nog veel gemeenten aanpassingen in de organisatie en administratie in de loop van 2000 zullen moeten aanbrengen c.q. tot afronding moeten brengen.

Ook de inhoudelijke en organisatorische aanpassingen van het rijkstoezicht zelf liggen op schema. Beleidsformulering met betrekking tot validering is nagenoeg afgerond. Concrete methoden en toepassing worden vanaf eind 1999 en in de loop van 2000 ontwikkeld. Toepassing van een eerste valideringsonderzoek moet eind eerste kwartaal 2000 zijn afgerond.

Ik volg de Algemene Rekenkamer zeker als deze beoogt strak aan implementatie van deze

Bijlage(n) niet elektronisch beschikbaar

1) Samenstelling:

Leden

Rosenmöller (GL)

Van Zijl (PvdA)

Hillen (CDA)

Witteveen-Hevinga (PvdA), ondervoorzitter

Van Heemst (PvdA)

Hessing (VVD)

Giskes (D66)

Marijnissen (SP)

Crone (PvdA)

Van Dijke (RPF)

Bakker (D66)

Van Walsem (D66), voorzitter

Th.A.M. Meijer (CDA)

De Haan (CDA)

Wagenaar (PvdA)

Van den Akker (CDA)

Van Beek (VVD)

Duijkers (PvdA)

Verburg (CDA)

Vendrik (GL)

Remak (VVD)

Weekers (VVD)

Kuijper (PvdA)

Udo (VVD)

Blok (VVD)

Plv. leden

Harrewijn (GL)

Van Zuijlen (PvdA)

Ross-van Dorp (CDA)

Koenders (PvdA)

Bos (PvdA)

Voûte-Droste (VVD)

Lambrechts (D66)

Kant (SP)

Feenstra (PvdA)

Schutte (GPV)

Van der Vlies (SGP)

Schimmel (D66)

Stroeken (CDA)

Wijn (CDA)

Hindriks (PvdA)

Rietkerk (CDA)

O.P.G. Vos (VVD)

Hamer (PvdA)

Reitsma (CDA)

Rabbae (GL)

Van Blerck-Woerdman (VVD)

Geluk (VVD)

Smits (PvdA)

De Vries (VVD)

Balemans (VVD)

3) Samenstelling:

Leden

Terpstra (VVD), voorzitter

Biesheuvel (CDA)

Schimmel (D66)

Kalsbeek-Jasperse (PvdA)

Van Zijl (PvdA)

Bijleveld-Schouten (CDA)

Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter

Kamp (VVD)

Essers (VVD)

Van Dijke (RPF)

Bakker (D66)

Visser-van Doorn (CDA)

De Wit (SP)

Harrewijn (GL)

Van Gent (GL)

Balkenende (CDA)

Smits (PvdA)

Verburg (CDA)

Bussemaker (PvdA)

Spoelman (PvdA)

Orgü (VVD)

Van der Staaij (SGP)

Santi (PvdA)

Wilders (VVD)

Snijder-Hazelhoff (VVD)

Plv. leden

E. Meijer (VVD)

Van Ardenne-van der Hoeven (CDA)

Giskes (D66)

Hamer (PvdA)

Van der Hoek (PvdA)

Dankers (CDA)

Kortram (PvdA)

Blok (VVD)

Van Blerck-Woerdman (VVD)

Van Middelkoop (GPV)

Van Vliet (D66)

Stroeken (CDA)

Marijnissen (SP)

Vendrik (GL)

Rosenmöller (GL)

Mosterd (CDA)

Schoenmakers (PvdA)

Eisses-Timmerman (CDA)

Wagenaar (PvdA)

Middel (PvdA)

Weekers (VVD)

Van Walsem (D66)

Oudkerk (PvdA)

De Vries (VVD)

Klein Molekamp (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Antwoord Sociale Zaken op vragen kwaliteitszorg SZW '




Lees ook