Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

DEN HAAG

directie Azië en Oceanië

afdeling Zuidoost-Azië

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061

2500 EB Den Haag

Datum 24 januari 2000
Kenmerk DAO/ZO-99/502
Blad /1
Betreft Vragen van de leden Van Middelkoop (GPV),

Rouvoet (RPF) en van den Berg (SGP) over repressie

van de christelijke minderheid op West-Sumatra

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer met kenmerk 2990004330, waarbij gevoegd waren de door de leden Van Middelkoop, Rouvoet en Van den Berg overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U in bijlage dezes mijn antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Antwoord van de heer Van Aartsen, Minister van Buitenlandse Zaken op vragen van de leden Van Middelkoop, Rouvoet en Van den Berg

Vraag 1

Kent U de berichten over de sfeer van repressie van de christelijke minderheid op West-Sumatra (ingezonden 16 december 1999).

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Erkent U dat gerede twijfel gewettigd is over de beschuldiging van "dwangbekering" op grond waarvan een aantal christenen tot zware gevangenisstraffen is veroordeeld?

Antwoord 2

Het is duidelijk dat in Indonesië pas na het aantreden van de democratisch gekozen president Wahid is begonnen met de opbouw van een deskundige en onafhankelijke rechterlijke macht. In mijn gesprekken met de Indonesische regering is dit thema uitgebreid aan de orde gekomen. Procureur-Generaal Marzuki Darusman verzekerde mij dat toepassing van de 'rule of law' één van de prioriteiten is van de regering Wahid.

Het is duidelijk dat dit een zaak van lange adem is, die veel inspanning zal vragen. Zolang de opbouwfase voortduurt, is de rechtsgang in Indonesië nog niet met voldoende waarborgen omkleed om politieke beïnvloeding te voorkomen die afdoet aan het recht op godsdienstvrijheid, waaronder is begrepen de vrijheid om van godsdienst te veranderen en de vrijheid een zelf gekozen godsdienst te hebben of te aanvaarden. Deze vrijheden zijn vastgelegd in art. 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en art. 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten. Nederland is mede vanwege bovengeschetste situatie bereid assistentie te verlenen op het terrein van mensenrechten en goed bestuur aan Indonesië.

Vraag 3

Bent U bereid de Indonesische autoriteiten er op te wijzen dat een open en eerlijke rechtsgang nietalleen een normale rechtsstatelijke eis is, maar ook een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van een gevaarlijke escalatie tussen godsdienstige groepen.

Antwoord 3

In mijn gesprekken in Jakarta is het thema religieuze tolerantie uiteraard aan de orde geweest. Ik ben ervan overtuigd geraakt dat juist president Wahid en zijn regering zich zeer wel bewust zijn van en actief zullen optreden tegen mogelijke radicalisering van maatschappelijke tegenstellingen langs etnische en religieuze lijnen.

Voorts heeft Nederland zowel in multilateraal (EU en VN) als bilateraal verband Indonesië (zoals tijdens de bezoeken van minister Herfkens en mijzelf aan Jakarta) gewezen op de noodzaak van handhaving van de mensenrechten, waaronder ook valt de vrijheid van geloofsverkondiging en van godsdienstkeuze. De escalatie van geweld tussen de verschillende geloofsgemeenschappen in verschillende delen van Indonesië, waaronder in het bijzonder de Molukken, is zorgwekkend. Ook op dit terrein zoekt Nederland actief naar mogelijkheden om bij te dragen aan oplossingen. In dit verband denk ik bijvoorbeeld aan hulp op het gebied van goed bestuur en decentralisatie en activiteiten op het gebied van goed bestuur . Het is echter in de allereerste plaats aan Indonesië om aan te geven wat een bruikbare vorm zou kunnen zijn. Voorts heb ik tijdens mijn bezoek aan Indonesië aandacht gevraagd voor de handhaving van de fundamentele vrijheden, waaronder de godsdienstvrijheid. Om effectief te zijn zal hier evenwel een evenwichtige benadering moeten worden gekozen, waaruit blijkt dat Nederland niet slechts voor één geloofsgemeenschap opkomt, maar voor alle godsdiensten en overtuigingen.

Vraag 4

Kan bevorderd worden dat zijdens Uw ambassade in de vorm van waarneming publiekelijk betrokkenheid en aandacht wordt getoond voor zaken die nog in hoger beroep dienen?

Antwoord 4

Vanzelfsprekend volgt de Nederlandse ambassade dergelijke zaken nauwlettend. Bovendien brengen de ambassadeur en zijn medewerkers tijdens de reguliere bezoeken aan de verschillende regio's van de archipel, wanneer daartoe aanleiding is, hetNederlandse standpunt, en indien nodig bezorgdheid, onder de aandacht van de lokale autoriteiten

Vraag 5

Wilt U, indien nodig, de Indonesische regering vragen dat wordt voorkomen dat gevolg wordt gegeven aan eisen over te gaan tot het sluiten van kerken?

Antwoord 5

Bij de gelegenheden dat door Nederland met Indonesië over de mensenrechtensituatie wordt gesproken, wordt niet alleen de nadruk gelegd op de verplichting van de overheid om de mensenrechten niet te schenden, maar ook de verplichting van de overheid de uitoefening van fundamentele vrijheden, als het uitoefenen van de godsdienstvrijheid, te beschermen en te garanderen.

Indien nodig en waar mogelijk, zal ik de Indonesische regering er aan herinneren dat volgens internationale
mensenrechteninstrumenten, waaronder de VN-verklaring inzake de Uitbanning van Alle Vormen van Onverdraagzaamheid en Discriminatie op grond van Godsdienst of Overtuiging, een ieder de vrijheid heeft plaatsen voor godsdienstuitoefening, waaronder kerken, op te richten en te onderhouden.

Deel: ' Antwoord Van Aartsen op vragen over christenen op Sumatra '




Lees ook