ministerie van economische zaken - persbericht 137 datum: 02-09-1999

economische belang van schiphol en de rotterdamse haven

de leden van de tweede kamer van der steenhoven en rabbae (beiden groenlinks) hebben aan de ministers van verkeer en waterstaat en van economische zaken op 2 juli 1999 de volgende schriftelijke vragen gesteld.

1 hebt u kennisgenomen van het onderzoek van de rijksuniversiteit groningen en tno inro naar het economische belang van schiphol en de rotterdamse haven? 1)

2 hoe beoordeelt u de conclusie dat de economische uitstraling van schiphol en de rotterdamse haven naar eigen regio's en de rest van het land geringer is dan van een gemiddelde andere economische sector?

3 hoe beoordeelt u de toelichting van prof. j. oosterveen die vaststelt dat het ministerie van economische zaken de conclusie van het onderzoek niet echt heeft verwerkt in de nota ruimtelijk economisch beleid ("wel de plaatjes, maar niet de conclusies")? 2)

4 In hoeverre is er bij het opstellen van deze nota wel gebruik gemaakt van dit onderzoek?

5 Bent u bereid de conclusie van dit onderzoek te betrekken bij de besluitvorming over de toekomst van de luchtvaart en de uitbreiding van de Rotterdamse haven?

6 Bent u bereid het onderzoeksrapport aan de Kamer ter beschikking te stellen?

1) Het Financieel Dagblad, 30 juni jl.
2) Kamerstuk 26 570, nr. 1

De minister van Economische Zaken, A. Jorritsma-Lebbink heeft deze vragen mede namens de minister van Verkeer en Waterstaat, T. Netelenbos alsvolgt beantwoord.

1 Ja. Het onderzoek is in mijn opdracht uitgevoerd.

2 Die conclusie is op grond van dit onderzoek niet te trekken. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de financieel geadministreerde leveranties tussen economische sectoren in drie regio's: het Noorden, Groot Amsterdam en Groot-Rijnmond. Doel van het onderzoek was een beter beeld te krijgen van de economische samenhang in deze regio's met behulp van een toepassing van zogenaamde regionale input/output-tabellen. Op grond hiervan kunnen dan ook alleen uitspraken gedaan worden over de relatieve omvang van deze financiele relaties tussen sectoren. Dit mag niet veralgemeniseerd worden, zoals in de pers is gedaan, naar de economische betekenis van Schiphol of de haven van Rotterdam voor de Nederlandse economie.

3 De analyse in het rapport wordt door mij in grote lijnen gedeeld. De, op basis van deze analyse, te vergaande conclusies zijn echter voor rekening van de onderzoekers. De onderzoekers waren ervan op de hoogte dat ik die conclusies niet deelde. Er was dan ook geen reden voor verbazing op dit punt.

4 Op twee plaatsen in de Nota Ruimtelijk Economisch Beleid wordt verwezen naar dit onderzoek: bij de beschrijving van de economische samenhangen in de regio's Groot-Amsterdam en Groot-Rijnmond (figuur 3.5 en 3.6 op bladzijde 64) en bij de beschrijving van de toenemende convergentie in de regionaal-economische ontwikkeling (figuur 3.30 op pagina 100).

5 Dit onderzoek heeft op zich een veel te smalle focus om als basis te kunnen dienen voor de besluitvorming over de toekomst van de luchtvaart en de uitbreiding van de Rotterdamse haven. In het kader van die projecten zal een stevig onderzoeksprogramma uitgevoerd worden, gericht op de economische functie en betekenis van beide mainports voor de Nederlandse economie. Dit onderzoek kan op een aantal deelaspecten wel een nuttige bijdrage leveren aan de visievorming rond mainports.

6 Ja (bijgevoegd).

Noot van de redactie: inlichtingen bij J.S. van Diepen , tel: (070) 379 60 73

Deel: ' Antwoord vragen economische belang Schiphol en haven R'dam '




Lees ook