Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter

van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's-Gravenhage

Directie Noord-Afrika en Midden-Oosten

Afdeling Golfstaten

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 2 februari 1999
Kenmerk DAM/GO-41/99
Blad /6
Bijlage(n) -
Betreft Vragen van het Kamerlid Koenders

inzake Irak

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar het schrijven d.d. 14 januari j.l., kenmerk no.
2989905620, van de Griffier

Uwer Kamer, waarbij mij toegingen de door het lid Uwer Kamer Koenders, overeenkomstig

artikel 134 van het Reglement van Orde bij U ingediende vragen, heb ik de eer U als bijlage

dezes mijn antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Antwoord van de heer Van Aartsen, Minister van Buitenlandse Zaken, op vragen van het lid Koenders (PvdA) over Irak (ingezonden 14/01/99).

Vraag 1

Is de Regering nu Nederland zitting heeft in de Veiligheidsraad op de hoogte van de samenwerking tussen UNSCOM en de geheime diensten van Israël en de VS? Zo ja, om welk type samenwerking gaat het daarbij?

Vraag 2

Hoe beoordeelt de Regering de noodzakelijkheid c.q. de risico's van dit type samenwerking voor een objectieve uitvoering van de mandaten van de Veiligheidsraad?

Vraag 4

In hoeverre heeft deze samenwerking plaatsgevonden in expliciete opdracht van de Veiligheidsraad en wordt -ook voor de toekomst- gewaarborgd dat verkregen gegevens volledig en alleen ter beschikking worden gesteld van de Veiligheidsraad?

Antwoord 1, 2 en 4

De Veiligheidsraad heeft in zijn resolutie 699 lidstaten aangemoedigd om maximale medewerking te verlenen ("in cash and kind") aan het werk van UNSCOM. Daaronder kan ook worden verstaan het ter beschikking stellen van informatie door nationale inlichtingendiensten. De VN beschikt immers niet over een eigen capaciteit op dat gebied. Bovendien is UNSCOM, juist als gevolg van de Iraakse obstructie van haar onderzoek, sterk afhankelijk van materiaal dat door inlichtingendiensten wordt verworven. Het mag echter niet zo zijn dat inlichtingendiensten UNSCOM gebruiken voor het verwerven van materiaal voor nationale doeleinden.

Derhalve spreekt het vanzelf dat juist bij deze ondersteuning door lidstaten de grootst mogelijke zorgvuldigheid vereist is, juist vanwege de integriteit van de werkzaamheden van UNSCOM. Die zorgvuldigheid geldt zowel de lidstaten als de Speciale Commissie zelf.

De Regering is niet op de hoogte van de details van de samenwerking met de inlichtingendiensten van de VS en Israël. Zij betreurt dat de betrokkenheid van nationale inlichtingendiensten heeft geleid tot een in de media uitgevochten controverse die de tegenstanders van UNSCOM, Saddam Hussein voorop, in de kaart speelt.

Vraag 3

Hoe beoordeelt de Nederlandse Regering nu de effectiviteit, de proportionaliteit en de legitimiteit van de in december uitgevoerde luchtacties in Irak?

Antwoord 3

De Regering beoordeelt de proportionaliteit en legitimiteit van de luchtacties in Irak nu niet anders dan vervat in de brief van 17 december jl. aan de tweede Kamer.

De Britse en Amerikaanse autoriteiten hebben aangegeven dat de luchtacties in belangrijke mate aan hun doel, het aantasten van Iraks militair potentieel, hebben beantwoord. Evenals Nederland zijn beide landen echter ook van oordeel dat op de langere termijn een effectief inspectie-regime aanwezigheid van wapeninspecties ter plekke vereist.

Vraag 5

Hoe ziet de Nederlandse Regering de toekomst van UNSCOM inclusief personele bezetting, mandaat en noodzakelijke samenwerking met inlichtingendiensten om zo te bewerkstelligen dat Irak zich aan de VN-resoluties houdt?

Vraag 7

Kunt u in het licht van de huidige situatie een actualisering van de antwoorden op de op 22 december jl. ingediende vragen geven en ingaan op respectievelijk het gewenste wapenbeheersingsregime, de noodzaak van verbetering van de levensomstandigheden van de Iraakse bevolking, het belang van de no-fly zone, mogelijke Nederlandse initiatieven en versterking van de rol van de Veiligheidsraad?

Antwoord 5 en 7

De discussie in de Veiligheidsraad over de onderling samenhangende kwesties van het inspectieregime, het sanctieregime en de verbetering van de levensomstandigheden van de Iraakse bevolking is nog maar net op gang gekomen. De Nederlandse inzet daarbij heb ik omschreven in mijn eerder genoemde brief van 19 januari jl. Die inzet is uiteraard ook gericht op het herstel van de consensus in de Veiligheidsraad. Ik neem mij voor de Kamer over de bereikte voortgang daarbij op gezette tijden in te lichten.

Met betrekking tot de samenwerking met inlichtingendiensten zij verwezen naar mijn antwoord op vraag 1, 2 en
4.

Vraag 6

Welk risico vormt de recente berichtgeving over UNSCOM en de bombardementen van december voor de toekomstige controle op de ontwapening van Irak? (Zie ook uw antwoord op vraag 3 van mijn vraag van 22 december 1998).

Antwoord 6

De recente berichtgeving over UNSCOM, alsook de luchtacties van december jl. hebben er ongetwijfeld mede toe geleid dat de positie van de Speciale Commissie ter discussie is gesteld.

De discussie in de Veiligheidsraad van dit moment gaat echter ten gronde over de vorm en inhoud van de toekomstige ontwapening van Irak, met name over de voorwaarden waaronder overgegaan kan worden op het regime van monitoring en verificatie (OMV). Landen als Rusland en China wensen thans over te gaan op dit regime. Nederland meent, met de VS en het VK, dat de voorwaarden daarvoor, althans voor wat betreft biologische- en chemische-wapens, nog niet vervuld zijn. Frankrijk meent ook dat overgestapt kan worden op monitoring en verificatie, maar verzet zich niet tegen een evaluatie van de huidige stand van zaken op het gebied van ontwapening, als voorportaal voor OMV.

Blijvende afwezigheid van UNSCOM brengt uiteraard het risico met zich mee dat Irak zich wederom zou kunnen gaan toeleggen op het ontwikkelen van massavernietigingswapens.Derhalve stelt de Nederlandse Regering zich op het standpunt dat de wapeninspecties in Irak zo spoedig mogelijk dienen te worden hervat.

Ik verwijs voor meer bijzonderheden naar mijn brief van 19 januari jl.

Vraag 8

Kan de regering tevens aangeven hoe zij in dit verband uitvoering wenst te geven aan de motie Koenders met betrekking tot stabilisatie van de situatie in Noord-Irak?

Antwoord 8

De Regering wijst op het op 26 januari 1998 aanvaarde EU-actieplan dat erop is gericht om de toestroom van migranten uit Irak en de aangrenzende regio in te dammen. Dit EU-actieplan omvat een breed scala aan activiteiten waaronder de bestrijding van de illegale immigratie; de aanpak van de daarbij betrokken georganiseerde criminaliteit alsmede een gemeenschappelijke analyse van de politieke, economische en humanitaire situatie in de regio. De (op Nederlands initiatief ingestelde) High Level Working Group (HLWG) heeft een lijst van landen van herkomst (waaronder Irak) opgesteld waarvoor een geïntegreerde aanpak op het terrein van asiel en migratie wordt voorgesteld. Deze lijst is, tezamen met het mandaat van de HLWG, op 25 januari jl. door de Algemene Raad vastgesteld. Naar het zich nu laat aanzien zal Noord-Irak ook deel uitmaken van deze lijst.

Daarenboven is een Nederlandse ambtelijke missie (Justitie/Buitenlandse Zaken) in voorbereiding die, in samenwerking met de betrokken partijen in de regio, beoogt de mogelijkheden van remigratie naar Noord-Irak in kaart te brengen.

Ter verbetering van de humanitaire situatie van de bevolking van Noord-Irak is het uitgangspunt van de Nederlandse humanitaire hulpverlening dat deze complementair dient te zijn aan de activiteiten in het kader van het 'olie-voor-voedsel'-programma. Ook in 1999 zullen alleen activiteiten ten laste van de categorie "noodhulp" worden gefinancierd. Lastens deze begrotingscategorie is het ook mogelijk om eerste aanzetten tot rehabilitatie tefinancieren. Waar mogelijk zal Nederland voortgaan in Noord-Irak projecten en programma's te steunen die beogen de economische situatie van de bevolking te verbeteren.

Vraag 9

Hoe beoordeelt de Regering het perspectief van een "containment" strategie ten aanzien van Irak?

Antwoord 9

Aannemende dat met een "containment"-strategie wordt gedoeld op het geheel van maatregelen, gericht tegen het Iraakse potentieel van massavernietigingswapens, dat sedert de Golf-oorlog door de Veiligheidsraad is vastgesteld, is het antwoord dat deze maatregelen nog steeds gerechtvaardigd zijn, en dat op de naleving daarvan stringent moet worden toegezien. Van een "clean bill of health" voor Irak is nog lang geen sprake. Daarnaast is ook de mensenrechtensituatie in Irak zelf nog steeds buitengewoon zorgelijk. De in Noord-, respectievelijk Zuid-Irak woonachtige minderheden (Koerden, respectievelijk Sji'ieten) behoeven bijvoorbeeld nog steeds een mate van bescherming tegen het regime in Bagdad in de vorm van de "no-fly-zones".

Ten slotte zijn vanuit Bagdad recent weer geluiden vernomen die duiden op het ter discussie stellen van de grenzen, zo niet het bestaansrecht van Koeweit. Ook in dat opzicht moet tegen recidive van Saddam Hussein worden gewaakt.

Vraag 10

Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden in het licht van de urgentie van de situatie en de noodzaak zo spoedig mogelijk te komen tot consensus in de Veiligheidsraad ten aanzien van een politieke strategie met betrekking tot Irak?

Antwoord 10

Ja.

Deel: ' Antwoord vragen Kamerlid Koenders over Irak '




Lees ook