Ministerie van Defensie


Brieven van de minister/staatssecretaris van Defensie aan de Eerste/Tweede Kamer der Staten-Generaal

Kamervragen en Antwoorden

Aan: de Voorzitter van de Staten-Generaal
I.a.a.: de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Ons nummer: D 99001198

Datum 12 april 1999

Onderwerp Vragen Hoofdlijnennotitie

Hierbij bieden wij U de antwoorden aan op de schriftelijke vragen over de Hoofdlijnennotitie, die wij op 11 maart jl. ontvingen.

De antwoorden die betrekking hebben op de internationale aspecten van het defensiebeleid komen voor de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie.

DE MINISTER VAN DEFENSIE, DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN,

mr. F.H.G de Grave
J.J. van Aartsen

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE,

H.A.L. van Hoof

VRAGEN VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR DEFENSIE OVER DE BRIEF VAN DE MINISTERS VAN DEFENSIE EN BUITENLANDSE ZAKEN EN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE D.D. 25 JANUARI 1999 (HOOFDLIJNENNOTITIE; 26 382, nr 1

Opmerking vooraf:
Hoewel waar nodig in de beantwoording van de schriftelijke vragen is verwezen naar het conflict rond Kosovo, kunnen de eventuele gevolgen hiervan voor de op te stellen Defensienota pas over enige tijd worden vastgesteld. Te zijner tijd zullen wij hierop terugkomen.

1.

De krijgsmacht zal bij de uitvoering van haar hoofdtaken steeds in internationaal verband optreden. Ze levert modulen' die worden ingepast in een groter geheel. Op pag. 17 blijkt dat de maximale omvang van zo'n module een bataljon zal zijn of een equivalent daarvan, zoals een heel squadron jachtvliegtuigen of 2 fregatten. Wat is de praktijk tot nu toe? Is er ooit een heel squadron ingepast in een internationale missie, of 2 fregatten? (pag. 2)

De omvang van een module' wordt onder meer bepaald door de aard en de omvang van de operatie waaraan Nederland bijdraagt. Bij waarnemingsmissies of bij gespecialiseerde missies zoals voor mijnenruiming zal het in de regel gaan om een beperkt aantal militairen. Bij grotere vredebewarende of vrede- afdwingende operaties worden organieke gevechtseenheden ingezet. Aan de Unprofor- en de Ifor/Sfor-operaties werd en wordt deelgenomen met een eenheden van bataljonsgrootte. Ook bij de omvangrijke VN-operatie in Cambodja (1994-'96) was dat het geval. Aan de missies op Haïti (1992-'93) en nu op Cyprus (Unficyp) werd en wordt op compagniesniveau deelgenomen.

Tijdens de Golfcrisis van 1990-'91 werden twee fregatten uitgezonden ten behoeve van de operatie Phalanx in de Perzische Golf. Van 1993 tot 1996 namen twee fregatten deel aan de operatie 'Sharp Guard' in Adriatische Zee. Van 1993 tot 1996 nam een squadron F-16´s deel aan de operatie´s in verband met de situatie in het voormalige Joegoslavië. Bijna een heel squadron (16 van de 18 vliegtuigen) is aan de Navo ter beschikking gesteld voor luchtaanvallen tegen Servië. Zie ook het antwoord op vraag 97.

2.

Blijkens het gestelde in de Hoofdlijnennotitie zal de Nederlandse krijgsmacht bij de uitvoering van haar hoofdtaken steeds in internationaal verband optreden. Geldt dit ook ten aanzien van de externe verdediging van de Nederlandse Antillen en Aruba? Met welke militaire dreigingen en diffuse veiligheidsrisico's moet men aldaar rekening houden? (pag. 2)

Krachtens het Statuut voor het Koninkrijk is de handhaving van de onafhankelijkheid en de externe verdediging van de Nederlandse Antillen en Aruba een aangelegenheid van het Koninkrijk. Deze verdediging is in vredestijd opgedragen aan de Koninklijke marine. De Nederlandse Antillen en Aruba leveren hieraan zelf ook een bijdrage. Overigens is thans geen sprake van een bedreiging van de onafhankelijkheid van de Nederlandse Antillen en Aruba.

De geloofwaardigheid van deze verdedigingstaak berust mede op het manifeste voornemen om, mochten de buitenlands politieke en militaire verhoudingen verslechteren, versterkingen van zee-, land- of luchtstrijdkrachten uit Nederland aan te voeren. Het ligt in de rede dat de krijgsmacht ook in een dergelijke situatie in internationaal verband zou optreden.

De defensie-inspanningen in de West zijn er ook op gericht een bijdrage te leveren aan de strijd tegen de grensoverschrijdende illegale handel in drugs en de georganiseerde criminaliteit. Daartoe levert de Koninklijke marine een belangrijke bijdrage aan de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Daarnaast fungeert de Commandant der Zeemacht in het Caraïbisch gebied als taakgroepcommandant onder de Amerikaanse commandant van de "Joint Inter Agency Task Force", die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de bestrijding van de drugshandel in die regio.

3.

Bij het paraat houden van 15 medische teams is op creatieve wijze samenwerking gezocht met burgerziekenhuizen. Is dit een werkwijze die ook bij andere ondersteunende activiteiten toe te passen is, zoals bij transport en logistiek, catering en dergelijke? (pag. 3)

De samenwerking met burgerziekenhuizen is tot stand gekomen op grond van een grotere behoefte aan onmiddellijk inzetbaar geneeskundig personeel bij uitzendingen voor vredebewarende en vrede-afdwingende operaties. Ter oplossing van dit specifieke probleem worden chirurgische teams bovenformatief ondergebracht in vijftien ziekenhuizen. Een dergelijke constructie is niet zondermeer toepasbaar en niet noodzakelijk voor andere ondersteunende activiteiten. Wel wordt in dit verband gewezen op het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar uitbesteding van ondersteunende diensten bij Defensie (zie Hoofdlijnennotitie, blz. 46). In dit onderzoek worden de bewaking en beveiliging, het transport en het hoger onderhoud bezien. Het onderzoek beoogt het ontwikkelen van criteria voor het uitbesteden van ondersteunende diensten. Dit IBO wordt onder leiding van het ministerie van Financiën uitgevoerd. In de Defensienota zal hierop nader worden ingegaan.

4.

Wat zijn de strategische argumenten om precies twee standaard-fregatten uit de vaart te nemen, een squadron F16-jachtvliegtuigen op te heffen en het aantal Orions terug te brengen van 13 naar 10? (pag. 3)

141.

Het aantal fregatten van de Koninklijke marine wordt teruggebracht van zestien naar veertien. Kan dit aantal onderbouwd worden en welke taken worden niet meer vervuld door het afstoten van twee fregatten? (pag. 23)

142.

Waarom wordt het aantal patrouillevliegtuigen van de MLD niet terug gebracht naar zeven in plaats van tien? (pag. 23)

169.

Kan worden aangegeven waarom, ondanks de in de Hoofdlijnennotitie aangegeven "sterk verminderde dreiging" van vijandelijke onderzeeboten en oppervlakte schepen, en de in verhouding tot de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke landmacht bescheiden bijdrage van de marine aan vredesoperaties, de hoeveelheid fregatten met slechts twee wordt verminderd? (pag. 24 e.v.)

200.

Voor het afschaffen van een squadron F-16 gevechtsvliegtuigen wordt (pag. 30) het argument gehanteerd van het verdwijnen van de acute dreiging van een massale aanval tegen het grondgebied van de NAVO. Vervolgens wordt echter vastgesteld dat juist deze vliegtuigen voldoen aan de nieuwe eisen van snelle inzetbaatheid, flexibiliteit en mobiliteit. Hoe verhouden deze twee opmerkingen zich tot elkaar?

237.

Kan de regering aangeven welke missies niet meer kunnen worden uitgevoerd door het afstoten van fregatten, jachtvliegtuigen en Orions? Welke gevolgen heeft dit voor het voortzettingsvermogen tijdens crisisbeheersingsoperaties? (pag. 45)

De afgenomen dreiging van een massale aanval op het Navo-grondgebied rechtvaardigt de keuze voor vermindering van het aantal middelen dat voor een dergelijke aanval door het bondgenootschap beschikbaar wordt gehouden. Deze keuze is ook gebaseerd op de overtuiging dat de oorlogsdreiging het best kan worden bestreden door tijdig te reageren op spanningen in de periferie van het Navo-grondgebied. Dat vereist onder andere meer direct inzetbare grondtroepen en een grotere strategische transportcapaciteit. Daarnaast zijn er investeringen nodig op specifieke gebieden, zoals de verdediging tegen ballistische raketten, die meer dan in het verleden een bedreiging vormen voor de Nederlandse uitgezonden eenheden. Met de in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde reducties wordt financiële ruimte gevonden voor dit nieuwe beleid en voldoende flexibiliteit in stand gehouden om aan de taken in bondgenootschappelijk verband een geloofwaardige bijdrage te kunnen leveren.

De intrinsieke eigenschappen van het F-16 gevechtsvliegtuig - in het bijzonder de snelle inzetbaarheid, flexibiliteit en mobiliteit - maken dit wapensysteem geschikt voor inzet in zowel grootschalige conflicten als in crisisbeheersings-operaties, zoals de praktijk duidelijk heeft aangetoond. Daarom zal de beschikbaarheid van drie squadrons F-16 voor crisisbeheersingsoperaties worden gecontinueerd. Om deze inzet te garanderen is een bredere basis qua beschikbare middelen nodig; zie tevens antwoord op vraag 187. Met de nu voorgestelde vermindering is het voortzettingsvermogen nog verzekerd.

Ook voor de Koninklijke marine zijn de reducties zo gekozen dat de huidige inzetopties uitvoerbaar blijven. Wel zal met minder middelen het activiteitenniveau moeten afnemen. Dat kan bij langdurige vredes-, crisisbeheersings- of humanitaire operaties consequenties hebben voor de huidige vaste verplichtingen, zoals de inzet van fregatten in de permanente Navo-eskaders, de presentie met een fregat en maritieme patrouillevliegtuigen in het Caraïbisch gebied en stationering van een Orion op Keflavik. In voorkomend geval zal een prioriteitenafweging worden gemaakt. Zie ook het antwoord op vraag 153.

5.

Schat de regering de veiligheidsrisico's van de verspreiding van wapens voor massavernietiging vooral in termen van terroristische aanslagen op Nederlands grondgebied in, of in bedreiging van het grondgebied van de NAVO (lidstaten)? (pag. 3)

Gelet op het aantal landen dat zich reeds vele jaren bezighoudt met de ontwikkeling en produktie van massavernietigingswapens is kans op inzet van deze wapens door reguliere strijdkrachten op dit moment groter dan het risico van terroristisch gebruik. De kans op terroristische aanslagen op Nederlands grondgebied is momenteel klein. Toch dient met beide verschijningsvormen rekening te worden gehouden gezien de proliferatie van zowel massavernietigingswapens als de technologische kennis dergelijke wapens in te zetten.

Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat Nederlandse troepen tijdens uitzending worden geconfronteerd met inzet van
massavernietigingswapens. Een adequate bescherming tegen deze wapens is dan ook geboden.

6.

Welke politieke drukmiddelen zijn beschikbaar om Noord Korea tot verantwoord gedrag te bewegen op het punt van export van raketsystemen en massavernietigingswapens? (pag. 3)

Het Noord-Koreaanse regime is moeilijk te benaderen en nog moeilijker te beïnvloeden, zelfs door landen die diplomatieke relaties onderhouden met dit land. Het belangrijkste drukmiddel is de "Korean Energy Development Organization" (Kedo), waaraan ook de Europese Unie bijdraagt. De Kedo is opgericht als uitvloeisel van het "Agreed Framework" dat de Verenigde Staten en Noord-Korea in 1994 hebben afgesloten. Noord-Korea zegde toe een aantal verdachte nucleaire activiteiten te staken. De Kedo stelt gratis ruwe olie beschikbaar aan Noord-Korea, ter compensatie van de elektriciteit die niet langer kan worden geleverd door de verdachte kerncentrale. Voorts zullen twee licht-watercentrales worden gebouwd, waarvan geen proliferatie-risico uitgaat.

De Kedo heeft de mogelijkheden van Noord-Korea op het gebied van nucleaire proliferatie verminderd, hoewel een aantal onzekerheden blijft bestaan. Het welslagen van de Kedo heeft onder druk gestaan vanwege de lancering van een Taepo Dong raket door Noord-Korea in 1998 en de onduidelijke status van een, wellicht nucleair, ondergronds complex bij Kumchangri. Op grond van deze lancering schortte Japan de betalingen aan de Kedo op. Het Amerikaanse Congres insisteerde, onder dreiging van opzegging van de steun aan de Kedo, op inspecties van genoemd complex. Op 15 maart jl. bereikten de Verenigde Staten en Noord-Korea overeenstemming over inspecties.

Er zijn nauwelijks mogelijkheden om de export van Noord-Koreaanse rakettechnologie te voorkomen. De Verenigde Staten pogen door een combinatie van sancties en beloningen tot nadere afspraken te komen. Noord-Korea ziet de export van rakettechnologie als een belangrijke bron van buitenlandse valuta's. Een complicerende factor is dat er geen internationale verdragen bestaan die de ontwikkeling van ballistische raketten verbieden. Wel bestaat een samenwerkingsverband, het "Missile Technology Control Regime", tussen landen die over relevante technologieën beschikken om de export daarvan naar proliferanten te voorkomen. Noord-Korea is daarbij niet aangesloten en het is onwaarschijnlijk dat dit op korte termijn zal gebeuren.

Op langere termijn biedt slechts een inetrnationale dialoog de mogelijkheid het zelf gekozen isolement van Noord-Korea te doorbreken. Vorig jaar heeft de EU-Troika op ambtelijk niveau besprekingen gevoerd in Noord-Korea. Hierbij zijn onder meer de zorgen op non-proliferatiegebied naar voren gebracht, tot dusver zonder resultaat.

7

Hoeveel verwacht de regering dat de verkoop van 150 Leopard-2 tanks oplevert en zijn er al landen die hiervoor belangstelling getoond hebben? Zo ja, welke? (pag. 3)

8.

Hoeveel verwacht de regering dat de verkoop van 2 S-fregatten oplevert en zijn er al landen die hiervoor belangstelling getoond hebben? Zo ja, welke? (pag. 3)

9.

Hoeveel verwacht de regering dat de verkoop van een squadron F-16's oplevert en zijn er al landen die hiervoor belangstelling getoond hebben? Zo ja, welke? In hoeverre is de uitgesproken verwachting realistisch, gezien de eerdere moeilijkheden om F-16 te verkopen? (pag. 3)

235. De verkoop van overtollig' materieel leidt tot een inboeking van 600 miljoen. Hoe reëel is dit bedrag? (pag. 45)

De inkomsten uit de verkoop van het in de Hoofdlijnennotitie overtollig gestelde materieel zijn in totaal geraamd op ruim f.600 miljoen. Dit bedrag is gebaseerd op de ervaring met gerealiseerde verkoopopbrengsten in de afgelopen jaren. Binnenkort zal het desbetreffende materieel worden aangeboden aan de regeringen van daarvoor in aanmerking komende landen, rekening houdend met de restricties van het wapenexportbeleid. Dit zal gebeuren onder het voorbehoud van parlementaire goedkeuring van de besluiten die in de Defensienota zullen worden opgenomen. Zie ook het antwoord op vraag 232.

10.

Kan worden aangegeven binnen welke termijn de studie om de LCF-fregatten te voorzien van een capaciteit voor een "Theatre Missile Defence" zal worden afgerond? (pag. 3)

196.

Er vindt onderzoek plaats naar de uitrusting van de LFC-fregatten van de Koninklijke marine voor de verdediging tegen ballistische raketten (aanpassing APAR-radar). Wanneer wordt hiertoe besloten, om welke kosten gaat het en hoe verloopt de samenwerking met Duitsland en de Verenigde Staten? Zijn nog andere landen geïnteresseerd in deelname? (pag. 29)

De eerste fase van de studie over de TMD-capaciteit van de LCF-fregatten, waaraan ook Duitsland deelnam, is afgerond. Hieruit is gebleken dat het in beginsel mogelijk is de systemen van de LCF-fregatten zo aan te passen dat deze schepen over TMD-capaciteit kunnen beschikken. De hiermee gemoeide kosten zijn afhankelijk van de samenwerkingsmogelijkheden met Duitsland en de Verenigde Staten. Vooralsnog is in de plannen 300 miljoen gereserveerd.

Momenteel wordt met Duitsland onderhandeld over een gezamen-lijke uitvoering van de vervolgfase van de studie, waarin - samen met de Verenigde Staten - de resultaten van de eerste fase gevalideerd moeten worden; de validatie zal drie jaar in beslag nemen. Definitieve besluitvorming is pas mogelijk als de tweede fase van de studie afgerond is. De studie richt zich vooralsnog op de specifieke systemen die alleen zijn voorzien voor de Duitse en Nederlandse schepen, zodat aan de studie geen andere landen kunnen deelnemen.

11.

Op welke wijze krijgt de detectie van biologische wapens meer aandacht? (pag. 3)

TNO ontwikkelt in samenwerking met de TU Delft een prototype van een detectiesysteem gebaseerd op fysische principes.

Nederland neemt deel aan Europese projecten op het gebied van detectie en identificatie van biologische agentia en van pathogene micro-organismen. De resultaten hiervan zijn over enkele jaren te verwachten.

De huidige en toekomstige onderzoeksinspanningen worden samengebracht in een integraal onderzoeksprogramma op het gebied van passieve verdediging tegen NBC-strijdmiddelen. Hiermee wordt bundeling van de (schaarse) nationale expertises, inbedding in internationaal verband en, vooral op biologisch gebied, intensivering nagestreefd. Landen waarmee zal worden samengewerkt zijn met name Canada, Zweden en het Verenigd Koninkrijk.

12.

Waarom wordt de waarschuwingstijd (10-15 jaar) voor de opbouw van de krijgsmacht tot een grotere omvang steeds gebaseerd op een eventuele Russische dreiging? Worden andere bedreigingen die zulks kunnen vereisen uitgesloten? Zo ja, waarop is dat dan gebaseerd? (pag. 6)

Tijdens de Koude Oorlog was er sprake van een zeer sterk bewapende vijand en van verstarde politieke en militaire verhoudingen. Deze situatie is sinds het begin van de jaren negentig ingrijpend veranderd. De verdeling van Europa in twee blokken met de daarbij behorende ideologische tegenstellingen is verdwenen en het militair potentieel is sterk verminderd. In deze situatie is er geen directe dreiging van een grootschalige aanval meer tegen het bondgenootschappelijke grondgebied en is de politieke waarschuwingstijd voor een dergelijk scenario aanzienlijk langer geworden. De militaire voorbereidingstijd zal waarschijnlijk korter zijn. Rusland is meest nabije grote mogendheid in Europa; andere dreigingen worden overigens geenszins uitgesloten.

13.

Wat wordt bedoeld met: "De krijgsmacht verschaft zekerheid tegen niet te voorziene risico´s..."? Niet te voorziene risico´s zijn immers risico´s die niet bekend zijn; hoe kan de Krijgsmacht er dan op anticiperen? Verschaft de Krijgsmacht ook zekerheid tegen minder grote, maar wel reële risico´s zoals een massale aanval op NAVO-gebied? (pag. 6)

Juist tegen niet voorziene, dus onbekende, veiligheidsrisico's is een flexibel inzetbare capaciteit nodig, die een "verzekering" is tegen inbreuken op onze veiligheid of de Nederlandse belangen. Zoals in de Hoofdlijnennotitie is uiteengezet, beschikt de krijgsmacht over de capaciteit om desgewenst voldoende strijdkrachten te genereren voor het bondgenootschappelijk verdedigingspotentieel in geval van een groot conflict.

14.

Welke in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde investeringen kunnen worden gebruikt voor alle hoofdtaken van het Defensiebeleid?

De in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde nieuwe investeringen zijn deels investeringen die voortvloeien uit de aangekondigde operationele maatregelen zoals de uitbreiding van het mariniersbestand en de genie. Gelet op de uitbreiding van de parate capaciteit zullen ook aanvullende investeringen nodig zijn voor infrastructuur. Voorts zijn nieuwe materieel-investeringen voorzien voor helikopters voor onder meer medische evacuatie, een tweede amfibisch transportschip en extra investeringen voor een maritieme TMD-capaciteit. Met uitzondering van de TMD-capaciteit worden alle nieuwe investeringen in meerdere of mindere mate gebruikt voor alle hoofdtaken van het defensiebeleid. De TMD-capaciteit zal geen directe bijdrage leveren aan de ondersteuning en hulpverlening door de krijgsmacht. Afzonderlijke investeringsprojecten zullen steeds worden getoetst aan de op blz. 7 van de Hoofdlijnennotitie genoemde taken.

15.

Welke middelen voor verdediging tegen een massale aanval zijn niet bruikbaar voor alle hoofdtaken van het Defensiebeleid, en welke wel? Hoe is bij het schrijven van de Hoofdlijnennotitie rekening gehouden met het feit dat het nieuwe Strategische Concept van de NAVO nog niet vastgesteld is? (pag. 7)

De Nederlandse krijgsmacht heeft geen specifieke middelen die alleen bruikbaar zijn voor verdediging tegen een massale aanval. Alle middelen zijn in min of meerdere mate bruikbaar voor zowel de eerste als de tweede hoofdtaak (zie het antwoord op vraag 14). Een deel van de middelen en vrijwel al het personeel kan tevens worden ingezet voor de derde hoofdtaak. Daarbij is in het licht van de analyse van de internationale veiligheidssituatie bewust gekozen voor fregatten, maritieme patrouillevliegtuigen, mobilisabele tanks en jachtvliegtuigen. Hoewel deze middelen allemaal bruikbaar zijn voor de bondgenootschappelijke verdediging én crisisbeheersingstaken, kan de beschikbare hoeveelheid van deze middelen worden aangepast vanwege de afgenomen dreiging van een massale aanval op het Navo-verdragsgebied. Zie ook het antwoord op vraag 4.

De herziening van het Strategische Concept van de Navo is reeds eind 1997 begonnen. In de voorbereidingen heeft Nederland een duidelijk herkenbare positie ingenomen, onder meer ten aanzien van de taakstelling van de Navo; ook is een indruk ontstaan van de standpunten van de bondgenoten. Het nieuwe Strategische Concept zal eerst tijdens de Top van de Navo te Washington, eind april 1999, worden vastgesteld. Bij de opstelling van de Defensienota zullen de daarin op te nemen maatregelen worden getoetst aan het Strategische Concept.

16.

Op welke wijze worden de inspanningen van de bondgenoten beter op elkaar afgestemd? (pag. 7)

De defensie-inspanningen van de bondgenoten worden zo goed mogelijk op elkaar afgestemd door middel van het Navo-defensieplanningsproces. Als uitgangspunt voor de defensieplanning dient het Strategische Concept. Dit bevat een algemene uiteenzetting van de doelstellingen en de middelen van het bondgenootschap. De ministers van Defensie geven om de twee jaar meer gedetailleerde richtlijnen in de "Ministerial guidance". Op grond hiervan worden de "force goals" vastge-steld, de specifieke doelstellingen voor de strijdkrachten van de lidstaten. Deze doelstellingen worden vertaald in concrete voorstellen, de "force proposals". Jaarlijks wordt overlegd om te bezien of de defensieplannen van de landen sporen met de afgesproken doelstellingen. Dan maken de landen bekend in hoeverre ze de voorgestelde "force proposals" kunnen accepteren en uitvoeren.

Naast dit planningsproces is ook sprake van multilaterale en bilaterale samenwerking, operationeel en bij de ontwikkeling van defensiematerieel.

17.

De taken van de Krijgsmacht in de toekomst spitsen zich toe op de verdediging van eigen en bondgenootschappelijk gebied, bescherming en bevordering van de internationale rechtsorde en de handhaving van de nationale rechtsorde inclusief ondersteuning van de civiele overheden. Is er een prioriteitstelling in taken aan te geven in het geval er beroep wordt gedaan op dezelfde middelen op hetzelfde tijdstip? (pag. 7)


Tekst is te lang voor een persbericht. Zie voor de rest het origineel.

Deel: ' Antwoord vragen over Hoofdlijnennotitie Defensie '




Lees ook