Ministerie van Financien

Titel: Vragen d.d. 9 juni over financiële verslaglegging verzekeringsmaatschappijen


DIRECTIE BINNENLANDS GELDWEZEN

Aan:

De Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BGW99/1645-M

15 juli 1999

Onderwerp

Vragen d.d. 9 juni over financiële verslaglegging verzekeringsmaatschappijen

Bijgaand treft u aan de toegezegde antwoorden op de vragen van de leden Voûte, Witteveen, Wijn en Giskes, zoals gesteld tijdens het algemeen overleg over financiële verslaggeving van verzekeringsmaatschappijen op 9 juni jongstleden.

Vraag 1:

Waaraan zijn de grote verschillen in balanstotalen bij respectievelijk de Nederlandse en Amerikaanse grondslagen toe te schrijven?

Antwoord

In de nota Financiële verslaggeving door verzekeringsmaatschappijen is
- ter illustratie dat verschillende verslaggevingseisen tot verschillende resultaten leiden - aangegeven dat het eigen vermogen op de balans volgens Amerikaanse grondslagen in 1997 voor de ING Groep NV en AEGON Verzekeringen NV respectievelijk 26% en 15% hoger lag dan volgens Nederlandse grondslagen.

De aandelen van ING Groep NV en AEGON Verzekeringen NV zijn zowel op de Amsterdamse als op de Amerikaanse effectenbeurs genoteerd. Uit hoofde daarvan zijn zij verplicht om ook op grond van de Amerikaanse grondslagen een financieel jaarverslag op te stellen. In de jaarverslagen die op basis van de Nederlandse wetgeving zijn opgesteld, is een analyse opgenomen inzake de verschillen tussen de Amerikaanse en Nederlandse grondslagen (zie bijlage 1 en 2).

Uit deze bijlagen komt naar voren dat bij Aegon de verwerking van goodwill, de waardering van onroerende goederen, de waardering van de technische voorzieningen en de vaststelling van de latente belastingverplichtingen de grootste verschillen veroorzaken. Bij ING is daarnaast ook de waardering van beleggingen in nominale waarden een belangrijke reden voor verschillen in de omvang van het eigen vermogen.

Vraag 2:

Wat zijn de beweegredenen van de Verzekeringskamer om de rekenrente voor nieuwe productie in het levensverzekeringsbedrijf te verlagen naar 3% en wat zijn de effecten voor de premies?

Antwoord:

Beweegredenen verlaging rekenrente

Eén van de belangrijkste onderdelen van het prudentiële toezicht dat wordt uitgeoefend door de Verzekeringskamer is het toezicht op de vorming van adequate technische voorzieningen. Technische voorzieningen worden gevormd ten behoeve van toekomstige uitkeringen aan polishouders.

Bij de vaststelling van de technische voorzieningen voor levensverzekeringen met een gegarandeerde opbrengst speelt het rendement dat verzekeraars op hun beleggingen kunnen halen een belangrijke rol. Levensverzekeraars mogen de disconteringsvoet (de rekenrente) die zij hanteren bij de vaststelling van de voorzieningen onder een aantal voorwaarden afstemmen op het rendement van de beleggingen die zij op enig moment in portefeuille hebben. Voor belegging van toekomstige premies en herbeleggingen van beleggingsopbrengsten en afgeloste leningen geldt een langetermijn-rekenrente als richtsnoer. De rekenrente is derhalve geen best estimate van de toekomstige beleggingsrendementen, maar een prudente inschatting daarvan.

De Verzekeringskamer heeft op 17 november 1998 en 11 januari 1999 de levensverzekeraars door middel van circulaires aangeschreven en heeft
- vanuit het beginsel dat de voorzieningen voor nieuwe productie direct op een adequaat niveau dienen te worden gebracht - in de vorm van een dringend advies aangegeven dat de technische voorzieningen voor nieuwe productie per 1 augustus 1999 dienen te worden vastgesteld op de gewijzigde veronderstelling dat eventuele vervolgpremies en herbeleggingen kunnen worden belegd tegen een rente van maximaal 3% in plaats van 4%.

De Verzekeringskamer heeft desgevraagd aangegeven dat voor 3% is gekozen om voldoende marge te houden ten opzichte van de bewegingen van de marktrente. Een deel van de rente-opbrengsten hebben verzekeraars veelal nodig om bedrijfskosten te dekken en verzekeraars dienen de nodige prudentie in acht te nemen.

De volgende figuur toont dat de marge tussen de kapitaalmarktrente en de rekenrente van 4% inderdaad sterk is verminderd.

Een vergelijking tussen een aantal Europese landen leert dat ook in andere Europese landen besloten is tot verlaging van de rekenrente (zie tabel 1: bron Verzekeringskamer).

Tabel 1: Internationale vergelijking

EU-land

Rekenrente 1-1-1999*

Geplande wijziging*

België

4,75%

3,25% of 3,75%

Denemarken

3%

2% (per 1 juli)

Duitsland

4%

3% of 3,5%

Frankrijk

maandelijks herzien op basis van rente staatsleningen

Noorwegen

3%

geen plannen

Oostenrijk

4%

3% of 3½%

Verenigd Koninkrijk

volgens rekenregels**

herziening in voorbereiding


* voor premiebetalende contracten met een duur langer dan 8 jaar


** rekenregels gebaseerd op verwacht rendement op lange termijn beleggingen en toekomstige premiebetalingen

Effecten rekenrenteverlaging op de premies

De voorschriften ten aanzien van de te hanteren rekenrente gelden ten aanzien van de reservering en nadrukkelijk niet voor de door verzekeraars in de praktijk te hanteren premies. Vanzelfsprekend worden wel in beginsel uit de premies de noodzakelijke reserveringen gefinancierd en zijn de noodzakelijke reserveringen afhankelijk van de te hanteren rekenrente. Het vaststellen van de commerciële premies behoort echter tot de bedrijfsvrijheid van verzekeraars. In hoeverre een verlaging van de rekenrente leidt tot verhoging van deze premies, valt derhalve niet van te voren aan te geven. Daarbij is het van belang dat levensverzekeraars bij het op de markt brengen van nieuwe producten een zogeheten winstgevendheidstoets overleggen aan de Verzekeringskamer. Bij de beoordeling hiervan zal de Verzekeringskamer rekening houden met de stand van de kapitaalmarktrente.

Er zijn aanwijzingen dat verzekeraars de premies voor nieuwe verzekeringen met uitkeringgaranties aan de lagere rekenrente zullen aanpassen. Het Verbond van Verzekeraars heeft verzekeraars hiertoe geadviseerd.

In het algemeen is de mate waarin de premies worden beïnvloed door de verlaagde rekenrente afhankelijk van de volgende factoren:
* Het soort verzekering: Indien sprake is van een beleggingsverzekering waarbij het rendement op beleggingen volledig voor rekening en risico van de klant is, zal de rekenrentewijziging (vrijwel) geen invloed hebben op het premieniveau. Bij verzekeringen die onderdeel vormen van een spaarhypotheek zijn de rendementsgaranties afhankelijk van de rente op de hypothecaire lening en zal er eveneens (vrijwel) geen effect zijn.
Garanties: Wanneer de gegarandeerde uitkering bij nieuwe verzekeringen wordt aangepast aan de lagere rekenrente zullen er premieconsequenties zijn. Deze consequenties kunnen geheel of ten dele worden gecompenseerd door winstdeling, omdat de winstdeling in het algemeen samen hangt met het verschil tussen de feitelijk behaalde rendementen en de rekenrente.
Feitelijke te behalen beleggingsrendementen: Indien de feitelijke te behalen rendementen op de bestaande beleggingen hoger zijn dan 3% zal de verzekeraar over de rentelooptijd van deze beleggingen uit kunnen gaan van deze rendementen, en eerst wanneer sprake is van herbelegging rekening gaan houden met de rekenrente van 3%. Beschikbaar eigen vermogen: Indien verzekeraars over voldoende eigen vermogen beschikken, kunnen zij dit gebruiken om eventuele premieconsequenties te mitigeren.
Looptijd verzekering: Naarmate een verzekering een langere looptijd heeft, is de rekenrente van groter gewicht voor de omvang van de corresponderende technische voorzieningen.

Tabel 2 geeft een indruk van de premieconsequenties van de verlaagde rekenrente wanneer geen van de eerste vier hierboven genoemde factoren van toepassing zijn op een bepaalde verzekeringspolis en de rekenrenteverlaging volledig doorwerkt op de premie.

Tabel 2: effecten rekenrenteverlaging bij volledige doorwerking

Netto koopsominleg voor 100 uitkering aan einde looptijd

rentepercentage

looptijd 1 jaar

looptijd 5 jaar

looptijd 10 jaar

looptijd 15 jaar

3%

97

86

74

64

4%

96

82

68

56

Consumenten kunnen als gevolg van de gedaalde kapitaalmarktrente (zie figuur) afhankelijk van hun bestedingspatroon naast de mogelijke premiestijging bij nieuwe levensverzekeringen ook te maken hebben met financiële voordelen. De rentetarieven op leningen (zowel hypothecaire als persoonlijke) zijn de afgelopen jaren behoorlijk gedaald. Bovendien ontwikkelden de aandelenkoersen op de beurzen zich mede als gevolg van de dalende kapitaalmarktrente positief waardoor zowel beleggingsverzekeringen als andere beleggingsproducten relatief goed rendeerden.

Circulaire Verzekeringskamer

In de circulaire van 12 juli informeert de Verzekeringskamer alle onder toezicht staande instellingen nader over haar beleid ten aanzien van de te hanteren rekenrente voor reserveringsdoeleinden.

De Verzekeringskamer kondigt hierin aan om vóór het jaar 2001 voor alle onder toezicht staande instellingen, de bestaande actuariële principes te herzien dan wel nieuwe actuariële principes op te stellen.

Het meer gevarieerde productaanbod en beleggingsbeleid van de instellingen en de toegenomen professionaliteit op het gebied van risicobeheer, rechtvaardigen volgens de Verzekeringskamer een toezichtssystematiek die hier op een meer gedifferentieerde manier op aansluit. Eén van de voordelen van deze aanpak voor de onder toezicht staande instellingen is dat de toezichtseisen preciezer kunnen worden afgestemd op het risicoprofiel van de instelling waardoor goed risicobeheer wordt gestimuleerd.

De Verzekeringskamer heeft besloten op dit ogenblik geen algemene aanpassing van de voorschriften omtrent de rekenrente uit te vaardigen. Hiervoor zijn twee redenen. Voor de bestaande portefeuille van verzekeringsverplichtingen ligt het niet voor de hand om op dit ogenblik het formele kader voor de reserveringseisen op onderdelen te wijzigen, gezien de relatief korte tijdsspanne tot het van kracht worden van de herziene actuariële principes. Daarnaast blijkt uit de inventarisatie door de Verzekeringskamer van de door de levensverzekeraars en hun certificerend actuarissen uitgevoerde toereikendheidstoets van de technische voorzieningen (op basis van een lange termijn kapitaalmarktrente van 4%, 3,5 % en 3%) dat de solvabiliteitspositie van de levensverzekeraars zodanig is, dat voor de bestaande portefeuille van verzekeringsverplichtingen een formele verlaging van de reserveringsrente niet noodzakelijk is.

In afwachting van het van kracht worden van de nieuwe actuariële principes acht de Verzekeringskamer het noodzakelijk een aantal overgangsmaatregelen te treffen. Eén van die overgangsmaatregelen is, dat het advies om de rekenrente voor nieuwe productie van levensverzekeringen te verlagen, wordt uitgebreid tot sommige schadeverzekeringen, zoals ziektekosten- en
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en alle
natura-uitvaartverzekeringen. De ingangsdatum van deze maatregel is 1 maart 2000 (zie bijgevoegd circulaire van de Verzekeringskamer).

DE MINISTER VAN FINANCIËN,

Deel: ' Antwoord vragen verslaglegging verzekeringsmaatschappijen '




Lees ook