Tweede Kamer der Staten Generaal


26901000.004 lijst vragen en antwoorden dienstpistolen politie
Gemaakt: 14-2-2000 tijd: 15:21


7


26 901 Dienstpistolen politie

Nr. 4 Lijst van vragen en antwoorden

Vastgesteld 8 februari 2000

De commissie voor de Rijksuitgaven 1) en de vaste commissies voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2) en voor Justitie 3) hebben een aantal vragen aan de Algemene Rekenkamer voorgelegd over het rapport «Dienstpistolen politie».

De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 8 februari 2000.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie voor de Rijksuitgaven,

Van Walsem

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

De Cloe

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

Van Heemst

De griffier van de commissie voor de Rijksuitgaven,

Van der Windt

Vraag 1

Waarom heeft de Algemene Rekenkamer zich beperkt tot de dienstpistolen van de Nederlandse politiekorpsen, en niet ook de pistolen in gebruik bij de Koninklijke Marechaussee en/of de Bijzondere Opsporingsdiensten in haar onderzoek betrokken?

Antwoord

Vanaf 1994 heeft de Rekenkamer jaarlijks een onderzoek over politiebeheer gepubliceerd. Het onderzoek Dienstpistolen politie moet dan ook worden gezien als een volgende stap in deze reeks. Na onderzoeken naar de inrichting van het beheer in het nieuwe politiebestel en het financieel beheer bij de regionale politiekorpsen is in dit onderzoek de aandacht gericht op een voor de taakuitvoering cruciaal onderdeel van het materieel beheer. In het kader van onderzoek bij de Nederlandse politie lag een verbreding naar andere organisaties niet voor de hand.

Vraag 2

Waarom heeft de Algemene Rekenkamer de (mogelijk causale) relatie tussen mate van geoefendheid met het dienstpistool en schietincidenten met een dodelijke afloop niet onderzocht? Zou zo'n onderzoek, mede geënt op de wettelijk verplichte Rijksrechercheonderzoeken naar schietincidenten, naar het oordeel van de Algemene Rekenkamer nuttig zijn met het oog op onder meer de kwaliteit van schiettrainingen en/of de politieopleiding?

Antwoord

Op basis van uitsluitend schietincidenten met dodelijke afloop (circa één per jaar) is het niet of nauwelijks mogelijk een causale relatie te leggen met de mate van geoefendheid.
Vanuit een wat bredere invalshoek is het in de ogen van de Rekenkamer echter zeker zinvol als een dergelijk onderzoek zou plaatsvinden. Zij wijst in dit verband op twee reeds door de Vrije Universiteit verrichte onderzoeken naar het vuurwapengebruik in de politiepraktijk. In die onderzoeken is niet alleen gekeken naar incidenten met dodelijke afloop, maar naar alle situaties waarin de politie het pistool in de praktijk heeft aangewend. Dit betreft bijvoorbeeld ook situaties waarin het pistool ondeskundig is gehanteerd («klungelschoten» en missers) of waarschuwingsschoten zijn gelost. Door de grotere aantallen gevallen is daar een causale analyse in principe wel mogelijk. De genoemde onderzoeken leggen deze nog niet.

Vraag 3

De Algemene Rekenkamer constateert dat de rechtmatigheid van het openbare politieoptreden in gedrang komt door het huidige capaciteitsbeslag van de korpsen. Heeft de Algemene Rekenkamer, in het licht van de huidige personeelsomvang en financiering, ook concrete voorstellen waar de korpsen de capaciteit vandaan kunnen halen om aan de wettelijke voorschriften die vanaf 1 januari 2000 van kracht zijn, te voldoen?

Antwoord

De Rekenkamer heeft geconstateerd dat de korpsen het huidige capaciteitsbeslag als een verklarende factor voor het niet-voldoen aan de schietvaardigheidsregelgeving aanvoeren. In hoeverre dit daadwerkelijk het geval is, heeft de Rekenkamer niet onderzocht. De Rekenkamer wijst er in dit verband onder meer op dat een aantal korpsen verbeteringen heeft geboekt door een andere inrichting en organisatie van het schietonderricht, waardoor inefficiënties worden verminderd. Een van de problemen in de praktijk van de organisatie van de schiettrainingen is namelijk dat er door een veelheid aan oorzaken te weinig cursisten verschijnen, waardoor de groepen niet vol zijn. Tijdens haar onderzoek is de Rekenkamer bij een van de korpsen een geautomatiseerd systeem tegengekomen waarin de districten zelf cursisten op opengevallen cursusplaatsen kunnen boeken. Dit heeft ertoe geleid dat de bezettingsgraad van de trainingsdagen bij dit korps is toegenomen. Ten minste een van de andere korpsen is van plan ook met zo'n systeem te gaan werken.

Volledigheidshalve wijst de Rekenkamer erop dat er, mede op basis van het Convenant Politie 1999, binnen het politieveld discussies en experimenten rond efficiencyverbeteringen van de organisatie van de politiezorg gaande zijn. Voorbeelden zijn experimenten met solosurveillance en `front offices'.

Vraag 4

De Algemene Rekenkamer beveelt de minister aan tot een expliciete prioriteitenstelling te komen. Heeft de Algemene Rekenkamer ook een advies over de prioriteit die het trainen, gebruiken en administreren van dienstpistolen in het geheel van politietaken zou moeten krijgen?

Antwoord

Het ligt niet op de weg van de Rekenkamer om te adviseren over beleidsprioriteiten. De Rekenkamer merkt wel op dat welke beleidsprioriteiten ook worden gesteld, het geweldsmonopolie van de politie hoe dan ook met zich brengt dat zij zich bij de aanwending van het vuurwapen geen (vermijdbare) fouten kan veroorloven. Dit betekent dat in situaties waarin vuurwapengebruik aan de orde kan komen er voldoende zekerheid moet bestaan dat de betreffende politiefunctionarissen voldoende getraind zijn en dat de wapens in goede technische staat verkeren.

Vraag 5

Is de Algemene Rekenkamer voornemens onderzoek te doen naar de administratie en het onderhoud van andere vuurwapens gehanteerd door de politie niet zijnde het dienstpistool Walther P5? Is de Algemene Rekenkamer van plan onderzoek te doen naar de schietvaardigheid van de politiemensen die gebruik maken van andere vuurwapens niet zijnde het dienstpistool Walther P5?

Antwoord

Dergelijke onderzoeken zijn niet in de programmering van de Rekenkamer opgenomen. De Rekenkamer heeft zich gericht op het basisvuurwapen van de Nederlandse politie.

Vraag 6

Het Algemene Rekenkamer_rapport concludeert dat 27% van de wapendragenden op de peildatum 1 januari 1999 verzuimd heeft het voorafgaande halfjaar een schiettoets af te leggen. In de Provinciaalse Zeeuwse Courant van 7 december 1999 meldt een woordvoerder van het Politiekorps Zeeland dat slechts 5% van de Zeeuwse dienders de verplichte schiettoets zou hebben verzuimd. Is deze afwijking naar beneden toe te verklaren, gezien de statistische betrouwbaarheid van de Algemene Rekenkamer_test? Impliceert een dergelijke afwijking, indien correct, dat er elders een afwijking naar boven toe geconstateerd moet kunnen worden? Kan de Algemene Rekenkamer een indicatie geven van de mogelijke afwijkingen per korps? (blz. 12)

Antwoord

De Rekenkamer heeft de mate waarin de Nederlandse politie de schietvaardigheidsregelgeving naleeft, onderzocht aan de hand van een naar korpsomvang gestratificeerde steekproef die primair als doel had uitspraken op het niveau van de Nederlandse politie in haar geheel mogelijk te maken. Het aantal waarnemingen per korps liep uiteen van 4 tot 33. Dergelijke aantallen waarnemingen zijn feitelijk te gering om betrouwbare uitspraken te doen op het niveau van de individuele korpsen.

Bij de drie zogenaamde verdiepingskorpsen (Utrecht, Brabant-Zuid-Oost en het KLPD) is het aantal wapens in de steekproef dusdanig opgehoogd dat dergelijke uitspraken wel mogelijk zijn (zie ook bijlage 2 van het rapport). Uit nadere analyses blijkt dat in deze drie korpsen respectievelijk 38, 29 en 20% van de wapendragenden op de peildatum 1 januari 1999 verzuimd had het voorafgaande halfjaar een schiettoets af te leggen.

Vraag 7

Waarom heeft de Algemene Rekenkamer de modificatie van de dienstpistolen in 1998 niet als inspectiebeurt meegerekend? Wat vindt de Algemene Rekenkamer er van dat dit als één van de argumenten wordt gebruikt door de voorzitter van het Korpsbeheerdersberaad om de conclusie van de Rekenkamer over de technische staat van de dienstpistolen niet te delen? (blz. 14/21).

Antwoord

De overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en de fabriek Carl Walther GmbH sluit nadrukkelijk uit dat de modificatie als een reguliere inspectiebeurt kan worden gezien. De Rekenkamer deelt de opvatting van de voorzitter van het Korspbeheerdersberaad dan ook niet.

Overigens zijn verreweg de meeste wapens gemodificeerd in de jaren
1996 en 1997, slechts 4% van de wapens in de steekproef van de Rekenkamer is in 1998 gemodificeerd. Ook als de Rekenkamer de modificatie wel als inspectiebeurt had gerekend zou de conclusie dus niet wezenlijk anders luiden.

Vraag 8

De Algemene Rekenkamer concludeert in haar rapport op basis van een steekproef dat er bij alle korpsen tezamen zo'n 600 dienstwapens 'administratief zoek' moeten zijn. Kan de Algemene Rekenkamer uitleggen wat daar precies onder verstaan dient te worden? Levert het onderzoek ook een indicatie van het werkelijke aantal zoekgeraakte dienstwapens op? (blz. 16)

Antwoord

De Rekenkamer is nagegaan of het totaal aan registraties van de Nederlandse politiekorpsen een volledig beeld geeft van het bestand aan dienstpistolen van de Nederlandse politie. Daartoe heeft zij op basis van een bestand dat aanwezig was bij de divisie Logistiek van het KLPD via een steekproef onderzocht of alle ooit aan de Nederlandse politiekorpsen geleverde wapens in de registraties van de korpsen zijn terug te vinden. Op basis van het onderzoek concludeert de Rekenkamer dat dit voor ongeveer 600 dienstpistolen niet het geval is. Noch bij de korpsen, noch op centraal niveau is dus bekend of deze wapens nog bij de Nederlandse politie aanwezig zijn. Omdat deze wapens niet in de administratie terug te vinden zijn, is niet meer na te gaan wat er mee gebeurd is. Wel is de Rekenkamer door navraag bij de korpsen gebleken dat er, zowel bij de wapendragenden thuis als op de politiebureaus, jaarlijks circa acht dienstpistolen worden ontvreemd. (blz. 15, voetnoot 11)

Vraag 9

In bijlage 4 van het Algemene Rekenkamer_rapport staat een overzicht van de door de politiekorpsen bijgehouden registraties betreffende het gebruik van een dienstwapen. Waar zijn de negen categorieën uit het overzicht precies op gebaseerd? Berusten zij op uitgevaardigde wetten en/of richtlijnen? Van welke niet verplichte registraties heeft de Algemene Rekenkamer bij het maken van dit overzicht gebruik gemaakt? Heeft de Algemene Rekenkamer nog naar andere dan de in de bijlage opgesomde registraties gezocht? (blz. 28)

Antwoord

De in bijlage 4 opgenomen toetspunten hebben geen betrekking op registraties, hoewel ook de inrichting van registraties deel uitmaakt van administratief-organisatorische maatregelen. In bijlage 4 wordt het resultaat weergegeven van de toets die de Rekenkamer verrichte op het geheel van interne regelingen, voorschriften en procedures met betrekking tot de omgang met dienstpistolen bij de politiekorpsen. De specifieke toetspunten ten aanzien van registraties zijn in bijlage 5 (blz. 29/30) opgenomen.

De normen zijn gebaseerd op de wet- en regelgeving rond het dienstpistool. Deze is echter in zodanig algemene termen geformuleerd dat een nadere invulling binnen de korpsen noodzakelijk is. De Rekenkamer heeft de normen geconcretiseerd vanuit algemene normen voor goed beheer. Daarbij is ook rekening gehouden met risico's die gebleken zijn uit de onderzoeken Onder schot en Schietvaardigheid of uit informatie vanuit het politieveld.

Vraag 10

Niettegenstaande het in vraag 6 gestelde, blijkt in bijlage 4 van het Algemene Rekenkamerrapport dat Zeeland één van de zes korpsen is waar geen van de negen door de Rekenkamer gezochte administraties wordt bijgehouden. Is de Algemene Rekenkamer van mening dat een correcte administratieve organisatie ook bijdraagt tot een betere omgang met dienstpistolen door de politie? (blz. 28)

Antwoord

De Rekenkamer is inderdaad van mening dat een adequate administratieve organisatie bijdraagt aan een goede omgang met dienstpistolen door de politie. Interne regelingen, voorschriften en procedures, registraties en managementinformatie vormen de noodzakelijke voorwaarden voor de efficiënte en effectieve besturing van organisaties. Of een betere administratieve organisatie rond dienstpistolen ook daadwerkelijk tot een betere omgang met dienstpistolen leidt, is echter ook afhankelijk van de discipline van de wapendragenden en hun directe leidinggevenden, alsmede van de mate waarin aan andere noodzakelijke voorwaarden is voldaan. Het hoeft dus niet zo te zijn dat bij korpsen waar de administratieve organisatie minder adequaat is ingericht altijd minder goed met dienstpistolen wordt omgegaan. Andere factoren die een rol spelen, zijn bijvoorbeeld het belang dat de leiding van een korps aan een goede omgang met het dienstpistool hecht en de bereidheid om op dit terrein daadwerkelijk te sturen. Uit het onderzoek is bij de drie verdiepingskorpsen naar voren gekomen dat deze managementaandacht nog te wensen overlaat. Andere omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de omgang met het dienstpistool zijn de beschikbare financiële en materiële middelen en de werkdruk.


1) Samenstelling:

Leden

Rosenmöller (GL)

Van Zijl (PvdA)

Hillen (CDA)

Witteveen-Hevinga (PvdA), ondervoorzitter

Van Heemst (PvdA)

Hessing (VVD)

Giskes (D66)

Marijnissen (SP)

Crone (PvdA)

Van Dijke (RPF)

Bakker (D66)

Van Walsem (D66), voorzitter

Th.A.M. Meijer (CDA)

De Haan (CDA)

Wagenaar (PvdA)

Van den Akker (CDA)

Van Beek (VVD)

Duijkers (PvdA)

Verburg (CDA)

Vendrik (GL)

Remak (VVD)

Weekers (VVD)

Kuijper (PvdA)

Udo (VVD)

Blok (VVD)

Plv. leden

Harrewijn (GL)

Van Zuijlen (PvdA)

Ross-van Dorp (CDA)

Koenders (PvdA)

Bos (PvdA)

Voûte-Droste (VVD)

Lambrechts (D66)

Kant (SP)

Feenstra (PvdA)

Schutte (GPV)

Van der Vlies (SGP)

Schimmel (D66)

Stroeken (CDA)

Wijn (CDA)

Hindriks (PvdA)

Rietkerk (CDA)

O.P.G. Vos (VVD)

Hamer (PvdA)

Reitsma (CDA)

Rabbae (GL)

Van Blerck-Woerdman (VVD)

Geluk (VVD)

Smits (PvdA)

De Vries (VVD)

Balemans (VVD)


1) Samenstelling:

Leden

Schutte (GPV)

Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter

De Cloe (PvdA), voorzitter

Van den Berg (SGP)

Van de Camp (CDA)

Scheltema-de Nie (D66)

Van der Hoeven (CDA)

Van Heemst (PvdA)

Noorman-den Uyl (PvdA)

Oedayraj Singh Varma (GL)

Dankers (CDA)

Hoekema (D66)

Rijpstra (VVD)

Cornielje (VVD)

O.P.G. Vos (VVD)

Rehwinkel (PvdA)

Luchtenveld (VVD)

Wagenaar (PvdA)

De Boer (PvdA)

Duijkers (PvdA)

Verburg (CDA)

Rietkerk (CDA)

Halsema (GL)

Kant (SP)

Balemans (VVD)

Plv. leden

Rouvoet (RPF)

Van Beek (VVD)

Zijlstra (PvdA)

Ravestein (D66)

Van Wijmen (CDA)

Augusteijn-Esser (D66)

Balkenende (CDA)

Barth (PvdA)

Gortzak (PvdA)

Rabbae (GL)

Wijn (CDA)

Dittrich (D66)

Cherribi (VVD)

Nicolaï (VVD)

Van den Doel (VVD)

Van Oven (PvdA)

Brood (VVD)

Apostolou (PvdA)

Kuijper (PvdA)

Belinfante (PvdA)

Mosterd (CDA)

Eurlings (CDA)

Van Gent (GL)

Poppe (SP)

Essers (VVD


1) Samenstelling:

Leden

Van de Camp (CDA)

Biesheuvel (CDA)

Swildens-Rozendaal (PvdA)

Scheltema-de Nie (D66)

Kalsbeek-Jasperse (PvdA)

Zijlstra (PvdA)

Apostolou (PvdA)

Middel (PvdA)

Van Heemst (PvdA), voorzitter

Dittrich (D66), ondervoorzitter

Rabbae (GL)

Rouvoet (RPF)

Van Oven (PvdA)

O.P.G. Vos (VVD)

Van Wijmen (CDA)

Patijn (VVD)

De Wit (SP)

Ross-van Dorp (CDA)

Niederer (VVD)

Nicolaï (VVD)

Halsema (GL)

Weekers (VVD)

Van der Staaij (SGP)

Wijn (CDA)

Brood (VVD)

Plv. leden

Balkenende (CDA)

Verhagen (CDA)

Wagenaar (PvdA)

Van Vliet (D66)

Arib (PvdA)

Duijkers (PvdA)

Kuijper (PvdA)

Albayrak (PvdA)

Barth (PvdA)

Hoekema (D66)

Karimi (GL)

Schutte (GPV)

Santi (PvdA)

Van den Doel (VVD)

Rietkerk (CDA)

Rijpstra (VVD)

Marijnissen (SP)

Buijs (CDA)

Van Baalen (VVD)

Van Blerck-Woerdman (VVD)

Oedayraj Singh Varma (GL)

De Vries (VVD)

Van Walsem (D66)

Eurlings (CDA)

Kamp (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Antwoorden kamervragen over dienstpistolen politie '




Lees ook