MINISTERIE FIN

https://www.minfin.nl

MIN FIN: BELASTING VAN ONKOSTENVERGOEDING

PERSBERICHTNR. 00/049 Den Haag 29 februari 2000

ANTWOORDEN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN EN DE MINISTER VAN

BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKRELATIES OP VRAGEN VAN HET LID VAN DE

TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL LUCHTENVELD OVER BELASTING VAN

ONKOSTENVERGOEDING VAN COMMISSARISSEN DER KONINGIN, GEDEPUTEERDEN EN

OVERIGE STATENLEDEN, ALSMEDE VAN BURGEMEESTERS, WETHOUDERS EN OVERIGE

GEMEENTERAADSLEDEN

VRAGEN:


1.

Komt in de ledenbrieven van IPO en VNG (College voor Arbeidszaken) alsmede in het VNG-magazine nr. 51/52 (pag.4) weergegeven standpuntenbepaling van de Staatssecretaris van Financiën - inhoudende dat met terugwerkende kracht tot 1 januari 1999 de ambtstoelvragen/vaste onkostenvergoedingen van Commissarissen der Koningin, gedeputeerden en overige Statenleden, alsmede van burgemeesters, wethouders en overige gemeenteraadsleden fiscaal zullen worden belast voorzover de daadwerkelijk gemaakte kosten niet individueel aan de Belastingdienst worden aangetoond - overeen met het kabinetsbeleid terzake?


2.

Zijn de betrokken bestuurders en volksvertegenwoordiging uitsluitend via de ledenbrieven aan de colleges van GS respectievelijk B&W geïnformeerd of zijn betrokkenen ook geinformeerd door of vanwege de eerstverantwoordelijke bewindspersoon voor de rechtspositie van de decentrale bestuurders, de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties?

3a.
Wat is exact voor de onderscheiden benoemde bestuurders, de politieke ambtsdragers als bedoeld in de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers (APPA) en de staten- en raadsleden de juridische grondslag voor de gewijzigde gedragslijn ten aanzien van de vaste kostenvergoedingen?

3b.
Hoe verhoudt deze juridische grondslag zich met name tot bijvoorbeeld de op basis van artikel 66 Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 aan burgemeesters toegekende ambtstoeslagen?

3c.
Mochten Commissarissen en Burgemeesters bij hun aanstelling bij Koninklijk Besluit niet verwachten dat de ambtstoeslagen gedurende de periode van hun aanstelling belastingvrij zouden worden blijven verstrekt?

3d.
Waarom zouden burgemeesters wel vanwege de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties bij circulaire van 22 december 1999 bericht over de indexering per 1-1-2000 van de ambtstoeslage, maar wordt in die circulaire geen melding gemaakt van een gewijzigde fiscale benadering, zelfs met terugwerkende kracht tot 1-1-1999?

3e.
Bereidt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties een wijziging voor van de wettelijke bepalingen in de Provinciewet en de Gemeentewet ten aanzien van de vergoedingen die staten- en raadsleden ontvangen?


4.

Achten de bewindslieden het ten principale juist dat gegevens uit een onderzoek ten behoeve van het mogelijk wijzigen van de vaste vergoedingen c.q. de forfaitaire vrijstelling daarvan (gedoeld wordt op het SGBO onderzoek waaraan VNG en IPO hebben meegewerkt) thans worden aangewend voor het met terugwerkende kracht tot 1-1-1999 doorvoeren van een kennelijke verslechtering van de rechtspositie van betrokken bestuurders?


5.

Vrezen de bewindslieden niet, dat indien betrokken bestuurders en volksvertegenwoordigers niet langer als zgn. 'homogene groep'worden aangemerkt en feitelijk gemaakte kosten (alsnog) moeten worden aangetoond ten genoegen van de locaal bevoegde belastinginspecteurs, feitelijk de situatie van grote verschillen in als 'fiscaal onbelast' te honoreren kosten ontstaat?


6.

Wordt met de aangekondigde benadering niet miskend dat juist de forfaitaire aftrek in het verleden is ingevoerd om te voorkomen dat ongelijke behandeling zou ontstaan en veel discussie over de hoogte en aard van de kosten?


7.

Zijn voor een statenlid of en raadslid, die bijvoorbeeld als lid van de commissie ruimtelijke ordening veel situaties ter plaatse gaat bekijken, autokosten volledig aftrekbaar? Wie controleert of de opgegeven kilometers daadwerkelijk zijn gemaakt en de reis niet is gecombineerd met bijvoorbeeld woon-werkverkeer. Worden alle telefoonkosten als onbelast aangemerkt of is daartoe een specificatie van gebelde nummers vereist? Mogen ook de kosten van mobiele telefonie worden opgevoerd en zijn die dan eveneens gevrijwaard van belastingheffing?


8.

Achten de bewindslieden de aangekondigde nieuwe aanpak niet meer fraudegevoelig dan het handhaven van de bestaande situatie of het bruteren van de huidige vaste onkostenvergoedingen? Acht de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties de aangekondigde fiscale gedragslijn niet strijdig met de in de Nota integriteit van bestuur uitgedragen wens waarborgen te treffen opdat het openbaar bestuur integer kan handelen en ook niet de schijn van niet integer gedrag op zich laadt?

9a.
Kan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelates zich herinneren dat tijdens de behandeling van de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties voor het jaar 2000 door tenminste de drie grootste fracties in de Tweede Kamer is gevraagd om een spoedige nieuwe discussie over de rechtspositie van staten- en raadsleden en bestuurders van decentrale overheden?

9b.
Hebben de bewindslieden er goede nota van genomen dat inmiddels de vaste commissie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties nader invulling heeft gegeven aan dat verzoek en bij brief van 22 december 1999 de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een brede kadernotitie heeft gevraagd, waarbij zowel de aandachtspunten die met VNC en IPO is discussie zijn alsook de discussie over fiscale toetsing van onkostenvergoeding van gemeentelijk en provinciale bestuurders afzonderlijk als aandachts-/discussiepunten werden aangemerkt?

9c.
Zijn de bewindslieden bereid om, mede in het licht van het onder 9a. gevraagde, de Kamer alsnog nader te informeren over de aangekondigde belasting van de onkostenvergoedingen en de invoering van de aangekondigde wijzigingen op te schorten tot tenminste het moment dat daarover met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie en/of de Kamer van gedachten is gewisseld.

ANTWOORDEN:


1.

Het kabinetsbeleid is er op gericht politieke bestuurders en vertegenwoordigers in fiscaal opzicht niet anders te behandelen dan andere burgers.
Zoals is aangegeven in de antwoorden op de vragen van mw. Van der Hoeven (vragen 2990004980) en van mw. Kant (vragen 2990005110), heb ik besloten dat op het jaar 1999 niet wordt teruggekomen. Aan eventuele belastingheffing over vaste kostenvergoedingen wordt derhalve geen terugwerkende kracht verbonden.


2.

Het betreft hier een aangelegenheid tussen de fiscus en de belastingplichtigen waarbij de betrokken bestuurders waren vertegenwoordigd door IPO en VNG. Om deze reden heeft de communicatie over de belastbaarheid van de vaste kostenvergoedingen logischerwijs rechtstreeks plaatsgevonden tussen het ministerie van Financiën en genoemde organisaties. IPO en VNG hebben vanuit deze hoedanigheid hun leden door middel van ledenbrieven op de hoogte gesteld. Overigens is het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nauw betrokken geweest bij het overleg over deze kwestie.

3a.
Voor benoemde bestuurders, die van rechtswege onder de Wet op de loonbelasting 1964 vallen en voor gekozen bestuurders die hebben geopteerd voor toepassing van die Wet, is de juridische basis te vinden in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, sub 3., van de Wet op de loonbelasting 1964 juncto artikel 5a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, zoals deze luiden met ingang van 1 januari 1997. Voor gekozen bestuurders die niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 vallen, is de juridische grondslag artikel 23, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De Hoge Raad der Nederlanden heeft evenwel in zijn arrest van 28 april 1999, nr. 32.727 (BNB 1999/281), geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 23 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een kostenvergoeding, wil zij onbelast blijven, betrekking dient te hebben op bepaalde werkelijk gemaakte en - met declaraties of anderszins - overtuigend aantoonbare kosten. Daarmee is de juridische basis aan de belastingvrije vaste kostenvergoeding voor gekozen bestuurders voor zover zij niet hebben geopteerd voor de loonbelasting reeds komen te ontvallen.

3b.
De ambtstoelage, welke wordt verstrekt op grond van artikel 66 Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994, betreft een onkostenvergoeding waarop het fiscale regime van toepassing is dat voor een ieder geldt. Dit betekent dat een wijziging van de fiscale regelgeving met betrekking tot het belastingvrij verstrekken van vaste kostenvergoedingen ook zijn doorwerking heeft op de vaste kostenvergoeding van burgemeesters.

3c.
Neen. Het netto-effect van een kostenvergoeding kan altijd wijzigen als gevolg van een periodieke toetsing door de Belastingdienst of als gevolg van wijzigingen in de fiscale regelgeving of nieuwe jurisprudentie.

3d.
De bedoelde circulaire betreft een jaarlijkse herziening van de ambtstoelage aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september. Op het moment van verzending van deze circulaire waren de gemeenten en provincies reeds middels de ledenbrieven van het IPO en de VNG geïnformeerd over de fiscalisering van de ambtstoelage. Achteraf bezien was het inderdaad beter geweest als hier in de circulaire op was gewezen.

3e.
Nee.


4.

Er zij op gewezen dat dit onderzoek nu juist tot doel had de vaste kostenvergoeding te toetsen in verband met de gewijzigde fiscale wetgeving. Zoals in het antwoord op vraag 1 reeds is aangegeven, zal aan de uitkomsten van het onderzoek geen terugwerkende kracht worden verbonden.

5.

Voor het treffen van een groepsregeling geldt primair als criterium dat de groep bestaat uit personen die vanuit kostenoogpunt vergelijkbaar zijn. Dit betekent dat zij dezelfde kostensoorten moeten hebben en binnen die kostensoorten ongeveer dezelfde bedragen uitgeven. Alsdan kan de groep worden aangemerkt als homogene groep. De uitkomsten van het onderzoek leveren echter een dermate grote spreiding van gemaakte kosten - zowel naar soort als in bedragen binnen één soort - op dat geen van de categorieën bestuurders aan te merken valt als een homogene groep. Daarmee is de basis die ten grondslag lag aan de onbelaste vaste kostenvergoeding ontvallen. Het is inderdaad mogelijk dat verschillen ontstaan in de hoogte van het bedrag van de vaste kostenvergoeding dat belastingvrij kan worden verstrekt. Voor zover een verstrekte vergoeding hoger is dan de werkelijk gemaakte kosten - rekening houdend met de wettelijke uitsluitingen en beperkingen - is er geen reden dat deel van de vergoeding buiten de belastingheffing te laten. Tegenover dat deel van de vergoeding staan immers ook geen - fiscaal aanvaardbare - kosten.

Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen van mw. Van der Hoeven is voor 1999 en 2000 een regeling getroffen. Op grond daarvan heeft het probleem inzake niet-homogeniteit derhalve voor de desbetreffende bestuurders geen gevolgen voor de hoogte van de netto-vergoeding die zij over die jaren ontvangen.


6.

Van een forfaitaire aftrek is reeds lang geen sprake meer. Voor zover deze vraag betrekking heeft op de invoering van vaste kostenvergoedingen kan worden opgemerkt dat vanuit werkgevers- en werknemersoogpunt onmiskenbaar voordelen zijn verbonden aan een systeem van vaste kostenvergoedingen. Dit neemt evenwel niet weg dat de Belastingdienst de wet dient toe te passen op dergelijke vergoedingen, ongeacht of de vergoedingen in het bedrijfsleven dan wel in de overheidssfeer worden toegekend. Uit het onderzoek is immers gebleken dat binnen de onderscheiden groepen bestuurders geen homogeniteit in het kostenpatroon aanwezig is. In zoverre is dus geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk zouden worden behandeld. Overigens zullen de betrokkenen, zoals uit het antwoord op vraag 5 blijkt, voor de jaren 1999 en 2000 op netto-basis geen gevolgen ondervinden van de uitkomsten van het onderzoek.


7.

Voor raadsleden (niet zijnde wethouder) worden de reiskosten binnen de gemeente geacht te worden bestreken door de vaste kostenvergoeding. Voor statenleden kan bij provinciale verordening worden bepaald dat een vergoeding wordt verstrekt voor reizen ten behoeve van de provincie. Bij het vaststellen van de hoogte van deze vergoeding gelden de bedragen uit het Reisbesluit binnenland. Ook telefoonkosten voor raads- en statenleden worden geacht te worden bestreken door de vaste kostenvergoeding.


8.

In het antwoord op vraag 5 is, onder verwijzing naar de antwoorden op de vragen van mw. Van der Hoeven, aangegeven dat voor 1999 en 2000 een regeling is getroffen. Materieel is er derhalve, bezien vanuit de bestuurders, niets gewijzigd ten opzichte van voorgaande jaren. In het bestuurlijk overleg van 18 november 1999 is afgesproken dat een werkgroep aanbevelingen zal moeten doen voor een nieuwe kostenvergoedingsregeling; daarbij zal ook de controleerbaarheid een rol spelen. De beoogde ingangsdatum van de nieuwe regeling is 1 januari 2001.

9a
Ja.

9b
Ja.

9c
In het antwoord op de vragen gesteld door het lid van Van der Hoeven en het lid Kant is reeds een uiteenzetting gegeven over de wijze waarop de vaste kostenvergoedingen voor jaren 1999 en 2000 fiscaal worden behandeld.

Woordvoerder: drs. P.A.W. Lamers
Tel.nr.: 070 - 342 8403

29 feb 00 15:47

Deel: ' Antwoorden op vragen over belasting onkostenvergoeding '




Lees ook