Tweede Kamer der Staten Generaal

rapport corporaties tussen vangnet en vrijhandel
Gemaakt: 11-4-2000 tijd: 15:55


24 036 Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit Nr. LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN Vastgesteld, De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft over de brief van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 8 februari 2000 aangaande het kabinetsstandpunt ten aanzien van het advies van de werkgroep MDW, alsmede het rapport <> de navolgende vragen ter beantwoording aan de regering voorgelegd. Deze vragen, alsmede de daarop op ... gegeven antwoorden zijn hieronder afgedrukt. De voorzitter van de commissie, Reitsma De griffier voor deze lijst, Kroes
Vragen naar aanleiding van de brief

Hebben woningcorporaties een publieke taak? Zo ja, waarom zijn in dat geval gemeentelijke woningbedrijven begin jaren negentig niet verzelfstandigd maar geprivatiseerd? Is er bij corporaties sprake van publieke of private instellingen? Een private instelling wordt toch niet publiek als zij publieke taken heeft? Waarom hebben andere private partijen, zoals pensioenfondsen, geen publieke taak? Is de publieke taak in de Woningwet de geldelijke steun aan toegelaten particuliere verhuurders, overige particuliere verhuurders en eigenaar-bewoners? Is er sprake van privaat of publiek vermogen? (blz.
1 - 2)

Waarom meent de werkgroep Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW) dat het huidige stelsel doeltreffend voorziet in de doelstellingen die voortvloeien uit het Besluit beheer sociale huursector (BBSH) en het regeerakkoord? (blz. 2)

Fungeren de financiële en fiscale voordelen die woningcorporaties momenteel genieten inderdaad als compensatie voor het risico van «politiek-maatschappelijke sturing» of moeten deze voordelen veeleer worden gezien als compensatie voor het beperkte rendement van de kernactiviteiten van corporaties? (blz. 2)

Waarom is meer marktwerking in de volkshuisvestingssector op zich gewenst? (blz. 3)

De werkgroep is voorstander van het handhaven van een hybride non-profit sector, waarbij corporaties onder nauw omschreven voorwaarden andere activiteiten verrichten buiten hun gebied, mits deze aan het wonen zijn gerelateerd. Past de aankoop van Oininio door woningbouwvereniging Het Oosten onder deze voorwaarden? (blz. 3)

Een gelijk speelveld zou eveneens kunnen worden bereikt door het aantrekkelijker maken van het non-profit stelsel voor huidige marktpartijen, bijvoorbeeld door het verruimen van de mogelijkheden tot dividenduitkering en/ of het verruimen van de uittredingsmogelijkheden. Waarom is aan deze mogelijkheid geen aandacht geschonken, waarbij faciliteiten niet worden opgeheven maar de status van `toegelaten instelling', inclusief de bijbehorende voordelen, meer binnen bereik van geïnteresseerde marktpartijen komt? (blz. 3 - 4)

Wat zijn de mogelijkheden van uittreding van corporaties uit het stelsel, onder voorwaarde van het behoud van een levensvatbare, bestendige en doeltreffende ordening? Is hier sprake van een «vlucht» van maatschappelijk geld? (blz. 4)

Waarop is het vertrouwen gebaseerd dat de huidige marktimperfecties van tijdelijke aard zijn? (blz. 5)

De doelmatigheid en transparantie van het presteren van corporaties zal worden vergroot door het ontwikkelen van benchmarking systemen en dergelijke. Wat wordt hiermee bedoeld en welke vorm gaat dit krijgen? (blz. 5)

Waarop is het uitgangspunt gebaseerd dat voor alle relevante partijen op de woningmarkt een gelijk speelveld moet gelden? (blz. 5)

Om welke bedragen gaat het per jaar bij het prijsvoordeel, voortvloeiende uit de achtervang door gemeenten en rijk? In welke mate wordt daadwerkelijk het gelijke speelveld beïnvloed? (blz. 5)

Waarom wordt er onderscheid gemaakt tussen het afschaffen van de subjectieve vrijstelling van de vennootschapsbelasting (Vpb) en de subjectieve vrijstelling voor overdrachtsbelasting? (blz. 5)

Wordt op termijn ook de subjectieve vrijstelling van de Vpb van pensioenfondsen en beleggers afgeschaft? Zo nee, waarom niet? (blz. 5)

Wordt, met betrekking tot de zinsnede over de vrijstelling van overdrachtsbelasting, aan financiële compensatie gedacht? Zo ja, is het niet veel verstandiger om de inkomsten van deze belasting aan te wenden voor het proces van herstructurering? (blz. 5)

Afschaffing van de subjectieve vrijstelling ligt in de rede. Mede in het licht van het feit dat van gelijktijdige afbouw van regelgeving en verplichtingen voor woningcorporaties geen sprake is, op welke wijze is het opereren als `toegelaten instelling' in een dergelijke situatie nog aantrekkelijk? Loont `sociaal ondernemerschap' in de toekomst nog wel en wordt de facto de sociale huursector hiermee niet ten grave gedragen? (blz. 5)

In de brief wordt gesproken over de terugverkoop bij verzekerd kopen in het kader van de stimulering van het eigen woningbezit voor lagere inkomensgroepen. Zal die terugkoop van woningen niet voldoende geregeld worden middels het wetsvoorstel Bevordering eigen woningbezit? (blz. 6)

Onderschrijft de regering de analyse en de aanbevelingen in haar geheel, of is slechts een deel van deze analyse en de aanbevelingen aan te merken als bouwsteen voor de Nota Wonen? (blz. 6)

Hoe zal de verdere besluitvormingsprocedure met betrekking tot de Nota Wonen verlopen? (blz. 6)

Vragen naar aanleiding van het rapport

Waarom komt de rol van de bewoners, oftewel de vraagkant van de woningmarkt, in de analyse en de brief van de staatssecretaris nauwelijks aan de orde?

Is het rapport voldoende in balans, gezien het feit dat enerzijds wordt voorgesteld om fors te snoeien in de faciliteiten voor corporaties en er anderzijds wordt gesproken over het uitvoeren van «verplichte (publieke) taken», het versterken van «marktconforme rendementsprikkels» en het aanscherpen van het toezicht? Heeft de MDW-werkgroep voldoende inhoud gegeven aan het aspect van deregulering?

Waarom wordt in het geheel geen aandacht geschonken aan de voorkeursbehandeling die gemeenten veelal aan corporaties geven, een verschijnsel dat in het rapport als meer verstorend voor de concurrentieverhoudingen wordt gezien dan fiscale faciliteiten? Wat is de beoordeling van constructies, waarbij een koppeling wordt gelegd tussen enerzijds het toekennen door gemeenten van bouwprojecten aan corporaties en anderzijds «verplicht winkelen» bij de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG)?

In het rapport worden de MDW-doelstellingen vanuit een vergelijking tussen de profit en non-profit aanbieders van woningen geanalyseerd, zonder daarbij in te gaan op de gevolgen voor de burger. Waarom is voor deze invalshoek gekozen? Hoe luidt de analyse als de MDW-doelstellingen vanuit het belang van individuele burgers worden bestudeerd? (blz. 3 - 4)

De analyse gaat uit van een overgang van een aanbodgedreven naar een vraaggedreven volkshuisvestingsmarkt. Is dit een juist uitgangspunt? Zal er in de toekomst in bepaalde regio's en buurten en/ of voor specifieke doelgroepen geen woningmarkt zijn die wordt gekenmerkt door schaarste? Blijft in dat geval overheidsbemoeienis en een rol voor de toegelaten instellingen niet noodzakelijk? Is het dan logisch en wenselijk dat toegelaten instellingen over voldoende garanties beschikken om hun maatschappelijke verantwoording waar te kunnen maken? Vervalt met deze kanttekeningen de basis waarop de analyse is gebaseerd?

Gaf de Woningwet gemeenten enkel de mogelijkheid voor een eigen woningbedrijf toelating te vragen, of gaf ze die woningbedrijven ook toegang tot geldelijke steun? (blz. 12)

Heeft de vervanging van de bankgarantie door een exploitatie subsidie-eis de wetgever in de Woningwet 1962 ertoe gebracht de toegestane rechtsvormen te beperken tot verenigingen en stichtingen, en de invloed van leden van de toegelaten instelling te beperken vanwege het eigen inkomensbelang? (blz.
13)

Om aan de toenemende vraag naar koopwoningen tegemoet te komen worden initiatieven ontwikkeld. Wat voor initiatieven zijn dat? In hoeverre zijn deze effectief? (blz. 20)

In hoeverre wordt door gemeentelijke grondbedrijven winst gemaakt bij de aankoop van grond? Heeft dit gevolgen voor de prijsontwikkeling van woningen? (blz. 25)

Volgens de laatste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) stagneert de uitgifte van bouwvergunningen en de oplevering van nieuwe woningen. Hoe staat dit in relatie tot de activiteiten van corporaties? (blz. 26)

Wat voor initiatieven worden ondernomen om bij ontplooiing van activiteiten beter gevolg te geven aan de wensen van de consument? (blz. 27)

In welke wetgeving, naast de Woningwet, komt de taakomschrijving voor de zorg voor volkshuisvesting nog meer aan de orde? Kan dat wellicht overzichtelijker in een en dezelfde wet worden omschreven? (blz. 29)

Wordt de doelgroep in voldoende mate bij de formulering van de vernieuwde volkshuisvestingsdoelstellingen betrokken? Wat is de omvang en de samenstelling van, eventuele, nieuwe doelgroepen en doelen, of komt dat bij de Nota Wonen aan de orde? (blz. 30)

Is volgens het rapport Cohen een `stichting volkshuisvesting' met ingehouden winsten, een gemiddeld huurprijsniveau van volgens de puntentelling 70% van `maximaal redelijk', evenwel zonder de status van toegelaten instelling, een organisatie met bijzondere rechten? (blz. 36)

Is de bestemmingsplicht van het vermogen van corporaties mede een gevolg van het recht om een onteigeningsplan te mogen voorbereiden? (blz. 41)

Is er reden aan te nemen dat een deel van de geldelijke steun die na de Tweede Wereldoorlog aan woningcorporaties is verstrekt, niet voor lagere huurprijzen is aangewend maar aan het vermogen van woningcorporaties ten goede is gekomen? (blz. 41 - 42)

Waarom is onder het dynamische kostprijsstelsel een voorkeursbehandeling voor echte marktpartijen (een inbreuk op het gelijke speelveld) wel geaccepteerd en waarom wordt het fiscaal stimuleren van `sociaal ondernemerschap', dat een onmisbare bijdrage levert aan het realiseren van overheidsdoelstellingen op het gebied van wonen, als een probleem ervaren? (blz. 43)

Komen de gegevens uit het momenteel nog niet afgeronde onderzoek naar doelmatigheid op een later tijdstip beschikbaar? (blz. 45)

Kan periodieke controle van de gegevens van zittende huurders op korte termijn worden ingevoerd, zodat huurders die niet meer tot de doelgroep behoren niet in te goedkope woningen blijven zitten? Hoe kan vervolgens tot actie worden overgegaan? (blz. 46)

Zal de suggestie worden overgenomen, om via premiebetaling door corporaties het «voordeel» van de Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) faciliteit, waar alleen sprake van is bij financiering met behulp van vreemd vermogen, materieel op te heffen? Zal opheffing van alleen al dit «voordeel» het gemiddelde huurniveau inderdaad met zeven procent doen stijgen? (blz. 52 -
53)

Waarom wordt het lenen bij de BNG in deze toetsing buiten beschouwing gelaten? (blz. 53)

Is het wenselijk dat door beperkingen van het speelveld corporaties niet vrij kunnen inspelen op veranderende voorkeuren van de woonconsument? Zo nee, hoe kan hierin verbetering aangebracht worden? (blz. 61)

Hoe kan op korte termijn een meer transparant proces van aanbestedingen van projecten door gemeenten tot stand komen? (blz. 66)

Hebben de bevindingen van de werkgroep relevante gevolgen voor de sociale verhuurders aan de ene kant en de particuliere verhuurders aan de andere kant? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot het beleid via de Woningwet van de afgelopen honderd jaar? (blz. 92)

Welke besparing zal afschaffing van de fiscale faciliteiten de rijksbegroting opleveren? Hoe groot zal het effect op het niveau van de (aanvang)huren zijn? (blz. 98 - 99)

Hoe valt de te verwachten stijging van het huurniveau te rijmen met de doelstelling om de lastenstijging voor huishoudens zoveel mogelijk te beperken? Zal deze stijging middels extra huursubsidie worden gecompenseerd? (blz. 98 - 99)

Is in het kader van revolving fund, op het niveau van individuele corporaties, een inschatting gemaakt van het effect van winstafroming door invoering van de Vpb-plicht op de onderlinge solidariteit binnen de sociale huursector? (blz. 98 - 99)

Is na afschaffing van de fiscale faciliteiten voor corporaties nog sprake van een gelijkwaardige, fiscale, behandeling van kopen en huren? (blz. 98 -
99)

Waarom is er niet gekozen voor een duidelijkere afbakening van activiteiten waarvoor vrijstelling wordt verleend, waardoor kruissubsidiëring van puur commerciële activiteiten kan worden voorkomen, als alternatief voor het generiek afschaffen van fiscale faciliteiten voor corporaties? (blz. 98 -
99)

Is er wel sprake van een concurrentieverstorend effect van fiscale faciliteiten voor corporaties, gezien het feit dat pensioenfondsen en beleggers eveneens vrijstelling genieten voor vermogenswinsten uit woningbeheer, en gezien het feit dat in het rapport, vanwege de afwijkende fiscale behandeling en dientengevolge de onvergelijkbaarheid, geen concurrentievoordeel of -nadeel ten opzichte van de overige particuliere verhuurders heeft kunnen vaststellen? (blz. 98 - 99)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Antwoorden rapport corporaties tussen vangnet en vrijhandel '




Lees ook